4 maanden geleden

Uit het ABC van de christen (8)

Abraham en Lot

Genesis 12 en 13

Deze keer stellen we Abram en Lot tegenover elkaar, twee gelovigen. Ook daar ontdekken we grote verschillen die ons veel te vertellen hebben. Voor dit doel zullen we slechts enkele details uit de hoofdstukken 12 tot 19 van het boek Genesis halen.

“Gaat u uit!”

Abram was een mens zoals u en ik. De zonde van de eerste mens had ook hem bereikt; ook hij had gezondigd (Rom. 5:12) en met zijn ouderlijk huis waarschijnlijk zelf ook andere goden gediend (Joz. 24:2).

Hij woonde in Ur. Deze stad in Chaldea was een centrum van kennis en cultuur, van kunsten en wetenschappen, maar ook een plaats van rijkdom en luxe, zoals blijkt uit de opgravingen van vandaag. Zoals onze huidige omgeving, waarin wij allen leven, kon de plaats van Abrahams oorsprong de natuurlijke mens alles bieden waarin hij geluk dacht te vinden.

Of Abram zich prettig voelde in dit systeem van leven dat in het Woord “wereld” wordt genoemd? Zeker niet! Hoe kan een mens thuis zijn en de vrede van het hart genieten in deze wereld die door Satan wordt geregeerd? Onmogelijk! De duivel denkt er alleen over na hoe hij de onderdanen van zijn koninkrijk met zonde kan strikken en hen in de eeuwige ondergang kan meeslepen! Toegegeven, hij gebruikt hiervoor niet alleen ruwe kettingen, maar ook fijne banden, waarvan de betekenis niet onmiddellijk duidelijk is. Maar wat de banden ook zijn, Johannes 8 vers 34 zegt: “ieder die de zonde doet, is een slaaf <van de zonde>.”

“Maar God, die rijk is aan barmhartigheid”, dacht aan Abram om hem van deze slavernij te bevrijden en hem te verbinden met Zijn eigen heerlijkheid. Hij maakte hem zelfs tot voorwerp van Zijn eeuwige raadgevingen! En als “de God der heerlijkheid,” die de mens oneindig veel betere en heerlijkere dingen te bieden heeft dan waartoe de zondige en verdorven wereld in staat is, verscheen Hij op een dag aan hem (Hand. 7:2).

Het eerste woord dat God tot Abraham riep was dit: Gaat uit! Genesis 12:1 De HEERE nu zei tegen Abram: “Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader …” (Gen.12:1).

Een belangrijk principe van God! Wie deel wil hebben aan zijn behoudenis en zijn oneindige zegeningen moet uiteindelijk datgene verlaten wat tot nu toe de grond, het kader en de inhoud van zijn leven in de wereld vormde. Een van de eerste verzen in de Bijbel luidt: “… en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis” (Gen. 1:4), en in een van de laatste geschriften van het Nieuwe Testament lezen we over Hem dat: “God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is” (1 Joh. 1:5). Hoe kan iemand dus in contact blijven met de geestelijke duisternis van deze wereld en tegelijkertijd gemeenschap hebben met God? Als een christen toegeeft aan de vleselijke neiging van zijn hart en een “middenweg” zoekt, slaat hij een weg in die leidt naar dorheid en machteloosheid. Want “wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zicht tot een vijand van God” (Jak. 4:4). En “Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem” (1 Joh. 2:15).

Abram moest gehoorzamen aan Gods bevel: “Gaat uit!” door zijn vroegere land te verlaten. Maar we moeten ons in ons hart van de wereld afkeren en er zorgvuldig op toezien, dat we in de kracht van de Heilige Geest in al onze wandel in deze wereld afgezonderd blijven van de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven (1 Joh. 2:16). Dit is onze constante oefening hier op aarde. Wat heeft een kind van God gemeen met de wereld die de Heer Jezus aan het kruis hing?

“Ga uit … kom in het land …!”

Dit was het tweede leidende woord dat God tot Abram riep. “Ga uit uw land … en kom in het land dat Ik u zal wijzen” (Hand. 7:3). Abram kon hieruit opmaken, dat hij bij God zou zijn in het nieuwe land dat hem nog onbekend was. Dit was waarschijnlijk het grootste goed voor hem, samen met alle andere heerlijke beloften (zie Gen. 12:2,3).

Zo monden de beloften aan de christenen ook uit in het heerlijke feit, dat “onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.” Daaruit bestaat onze “volkomen blijdschap” (1 Joh. 1:3,4).

Toen “ging” Abram op weg (Gen. 12:4)

“Door het geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar [de] plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou” (Hebr. 11:8). Zijn daden dragen dus het teken van het ware geloof: hij handelt zoals Gods Woord hem zegt te doen, zonder te zien wat ervan komt. Abram gaf alles op wat zijn leven in Ur had gevormd, hoewel hij tevoren de beloften van God had; maar hij vertrouwde op God en Zijn Woord – en ontving oneindig veel meer dan hij had kunnen verwachten. Hij trok naar Haran en vandaar naar Kanaän, het Beloofde Land. Daar mocht hij overal de gemeenschap met God genieten en Hem aanbidden op grond van de offers die hij Hem op het altaar bracht en die naar het offer van Jezus Christus wezen.

Gelukkig ook vandaag de ziel die in geloof gehoorzaamt aan Gods oproep en Zijn aanbidder wordt! Het aanschouwen van de verlossing, de openbaring en de heerlijkheid van God in Christus Jezus is het kostbaarste waarmee een mensenhart kan worden vervuld, en er zal lof en dankbaarheid uit voortkomen. Dat bewijst, dat het los staat van de wereld.

Tot dan toe was Lot de metgezel van Abram geweest. Ook hij had Ur van de Chaldeeën verlaten, was met zijn oom het geloofswaagstuk aangegaan en leefde net als hij als vreemdeling in Kanaän. God rekende hem ook tot de “rechtvaardigen” (zie 2 Petr. 2:7), tot degenen die gerechtvaardigd zijn door een levend geloof in Hem (Rom. 4:5).

Maar uit de verdere geschiedenis van Lot blijkt dat hij een van die gelovigen was van wie iemand heeft gezegd: <<Velen die bij hun bekering de wereld ‘en gros’ verlieten, nemen die later weer ‘in detail’ op>> In zijn geval ging het zelfs zo ver, dat het verschil in zijn gedrag met een man van deze wereld grotendeels vervaagde. Het Woord stelt hem voor ons als een waarschuwend voorbeeld.

De “keus” van Lot (Gen. 13)

De kuddes van Abram en de kuddes van Lot waren groot geworden, en het land kon het niet verdragen dat zij samen leefden. De weiden voor het vele vee werden steeds schaarser; er ontstond ruzie tussen de herders van beide mannen. Als aardse belangen worden bedreigd, blijkt of de gelovige rijk is in God. Zo was het bij Abram. Hij vertrouwde op God en liet zijn neef het beste land voor zichzelf kiezen.

Dat hoefde Abram Lot geen twee keer te zeggen. Hij hief zijn ogen op – maar niet tot God – en koos de bewaterde en groene vlakten van de Jordaan, die zich uitstrekten tot aan Sodom. De Geest van God voegt er echter aan toe: “De mannen van Sodom waren echter slecht en grote zondaars tegenover de HEERE” (vs. 13).

Men zou Lot willen vragen: Ben je vergeten dat je de wereld in Ur en Haran hebt verlaten? Wil je nu terugkeren naar de verschrikkelijke wereld van Sodom? Lot, pas op! Moet je God niet behagen? Denkt u dan helemaal niet aan het welzijn van uw eigen ziel, aan het heil van uw vrouw en kinderen? Bent u alleen bezorgd over materiële belangen en het voer voor uw ossen en schapen? Wilt u echt uw gezin en alle mensen voor wie u verantwoordelijk bent, blootstellen aan de invloed van deze goddeloze stad?

Het is goed mogelijk dat Abram op deze manier tot zijn geweten sprak, voor zover hij voorzag dat Lots weg naar de eindbestemming Sodom leidde. Maar wanneer de liefde voor de wereld het hart van een gelovige heeft gegrepen en vervuld, is hij gewoonlijk doof voor alle verwijten en vindt hij duizend redenen om zijn eigen weg te rechtvaardigen. Alleen al de ervaringen van godvrezende ouders of vrienden te grabbel gooien is zeer alarmerend. Maar hoe ernstig is het als iemand de leringen en waarschuwingen van de Bijbel niet meer wil horen en zo zijn eigen slimheid boven de wijsheid en waarheid van God stelt! Dat kan alleen maar eindigen in een ramp. In het beste geval leert zo iemand dan door bittere ervaringen wat hij aan het begin van zijn reis in het Woord van God had kunnen lezen. “Wie vermaning liefheeft, heeft kennis lief, maar wie bestraffing haat, is onverstandig” (Spr. 12:1).

Wie was nuttiger voor de mensen, Lot of Abram?

Lot sloeg zijn tenten op “tot bij Sodom” (Gen. 13:12), en later zat hij zelfs “in de poort van Sodom” (hfdst. 19:1), waar de berechtingen plaatsvonden, waar koninklijke bevelen werden afgekondigd, waar verdragen werden gesloten, waar het zakelijke en politieke leven van de stad plaatsvond. Lot moet gedacht hebben, dat als hij hielp bij het bestuur van Sodom, hij meer invloed zou hebben om het kwaad af te weren, het goede te helpen doorbreken en betere omstandigheden te bewerkstelligen.

Zo denken immers veel christenen. Zij vinden het verkeerd zich af te zonderen van het doen en laten van mensen. Men moet zich één maken met hen, met hen leven; alleen zo kan men hen leren kennen en hen helpen. Als er een gelegenheid is om aan het openbare leven deel te nemen, is dat een vreugdevolle gelegenheid om de christelijke invloed op de mensen te doen gelden.

Wat was dan het resultaat van Lots aanwezigheid en bemoeienissen in Sodom? Zijn er zielen gered van het komende oordeel? Geen enkele! De mannen van die goddeloze stad accepteerden zijn aansporing niet, en zelfs zijn twee schoonzonen wilden niet naar hem luisteren. “Hij was in de ogen van zijn schoonzonen als iemand die grappen maakte” (Gen. 19:7,9,14). Zo ondoeltreffend was zijn invloed. Wie zelf in het slijk staat, kan anderen die erin wegzinken niet redden. Lot had geen geestelijke kracht, omdat hij geen gemeenschap met God kon genieten op deze zelfgekozen, zedeloze plaats. Zijn geweten beschuldigde hem onophoudelijk: “Deze rechtvaardige heeft, toen hij in hun midden woonde, dag aan dag [zijn] rechtvaardige ziel door [het] zien en horen gekweld met [hun] wetteloze werken” (2 Petr. 2:8). Leeg moest hij de stad verlaten waarop het vuur viel; zijn vrouw werd een zoutpilaar, omdat zij geen afscheid kon nemen van wat zij achterliet; en zijn twee dochters hadden grote schade geleden onder de verderfelijke invloed van Sodom. Wat een triest einde van een gelovige die misschien met goede bedoelingen een plaats in de wereld wilde innemen!

Bij Abram werd echter de goddelijke belofte: “Ik zal u … u zegenen … en u zult tot een zegen zijn” (Gen. 12:2) volledig vervuld. Toen Lot van hem scheidde, verheugde hij zich in het hem beloofde land, doorkruiste het in de lengte en de breedte en woonde tussen de eiken van Mamre. Daar genoot hij van de ongestoorde gemeenschap met God: “… en hij bouwde daar een altaar voor de HEERE” (13:18). Daar kon hij kracht putten voor de taken die God hem gaf. Want deze taken kwamen.

Enerzijds zijn wij christenen door onze Heer Jezus Christus uit de huidige boze wereld getrokken (Gal. 1:4) – volledige afscheiding van dit boze systeem in elke vorm -; wij zijn niet ván de wereld zoals Hij niet van de wereld is. Maar aan de andere kant heeft Hij ons ook ín de wereld gezonden (Joh. 17:14,16,18), opdat wij hier, als het ware als gezanten van de Heer in de hemel, Zijn getuigen zouden zijn en Hem in Zijn liefdewerk onder de mensen – onder de Zijnen en onder de kinderen van deze wereld – dagelijks ter beschikking zouden staan. Wij zijn in Christus Jezus geschapen tot goede werken, “die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen” (Ef. 2:10). Wij worden aangespoord om “altijd overvloedig” te zijn “in het werk van de Heer” (1 Kor. 15:58).

Toen daarom een boodschapper tot Abram kwam en hem het slechte nieuws bracht dat er een veldslag was geweest tegen Sodom en Gomorra (Gen. 14), en dat Lot met de Sodomieten gevangen was genomen – want “hij woonde namelijk in Sodom” – toen was Abram bereid tussenbeide te komen en “zijn leven af te leggen voor zijn broeders” (verg. 1 Joh. 3:16). Met zijn dienaren en bondgenoten bevrijdde hij echter niet alleen Lot en zijn familie, maar ook alle inwoners van die steden! Wat een dienst aan “broeders” en zij die “buiten” stonden!

En later, toen de Heer tegen Abram zei, dat Hij nu Sodom en Gomorra zou treffen en vernietigen vanwege hun goddeloosheid (Gen. 18), was Abraham ook daar in gemeenschap met Hem en kon daarom “heilige handen” opheffen om in gebed voor deze steden op te komen. Hoe belangrijk en doeltreffend is ook deze dienst van de voorbede! God is gaarne bereid er naar te luisteren! Als het aantal uit “tien rechtvaardigen”, dat in Abrahams laatste verzoek als voorwaarde voor opheffing was vastgesteld, had bestaan, zou God de twee steden nog een genadeperiode hebben gegeven.

Abram, de vreemdeling

Onder de in Hebreeën 11 genoemde geloofsgetuigen neemt Abraham een ereplaats in. Daar wordt vooral benadrukt, dat hij door het geloof tot het einde toe vasthield aan zijn karakter als vreemdeling. Tijdens zijn lange leven heeft hij zich op geen enkele manier gebonden aan de wereld en aan aardse, materiële zaken. In het land van Gods (aardse) belofte verbleef hij als in een vreemd land, met Izaäk en Jakob in tenten die elk moment konden worden afgebroken (vs. 9). Met vele anderen beleed hij, dat hij een vreemdeling was en zonder burgerschap op aarde (vs. 13).

Er was geen gebrek aan pogingen van Satan om hem aan de wereld te binden en hem aan de wereld dienstbaar te maken. Denk maar aan het kritieke moment waarop de koning van Sodom hem tegemoet ging om hem alle bezittingen van Sodom aan te bieden als beloning voor zijn moedige ingrijpen (Gen. 14:17-24). Maar God is er ook en zorgt voor de nodige versterking van het geloof op het juiste moment voor de gelovige die, vertrouwend op Hem, de weg in trouw wil bewandelen. Al voor de ontmoeting met de koning van Sodom bracht Melchizedek, de koning van Salem, brood en wijn, zegende hem en zei: “Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, die hemel en aarde bezit!.” En zo kon Abraham de verleider met dezelfde woorden antwoorden: “Ik zweer bij de HEERE, God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit, dat ik niets, van draad tot schoenriem toe, ja, niets van alles wat van u is, zal nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.”

Wat was dan het geheim van Abrams trouw in zijn gedrag als vreemdeling? Zo kunnen we ons afvragen, dat wij ons al te gemakkelijk laten afleiden van het pad van vreemdeling. Het Woord van God geeft ons een eenvoudig antwoord: “Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester” (Hebr. 11:10). Oh, laten we ook onze blik naar boven en naar voren gericht houden! In het licht van de eeuwigheid verschijnt de grootse wereld in haar ware proporties, in onverbloemde ijdelheid, vergankelijkheid en – zonde. Ja, “laten we de belijdenis van de hoop onwankelbaar vasthouden!” (Hebr. 10:23).

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1962 – Bladzijde 119; auteur: Uit het ABC van de christen.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW