4 maanden geleden

Uit het ABC van de christen (6)

David en Michal

2 Samuël 6

Veel gelovigen, vooral zij die nog aan het begin van hun geloofsreis staan, zien alleen individuele geredde en verloste mensen op deze aarde die – net als zijzelf – de Heer Jezus volgen. Dat deze samenkomen voor “aanbidding,” voor “prediking” of voor “gemeenschappelijke dienst” is voor hen vanzelfsprekend. Maar dat de totaliteit van alle wedergeboren christenen op aarde een “geestelijk huis” vormt voor God, waarin ieder individu is opgebouwd als een “geestelijke steen” (1 Petr. 2:4-10), is voor velen onbekend of een feit van weinig betekenis.

God wil echter, dat wij dit Zijn huidige huis, dat niet van steen en cement is, maar toch een Goddelijke werkelijkheid, met Zijn ogen zien en met Zijn hart liefhebben. Hij wil ook, dat wij ons in Zijn huis gedragen volgens de aanwijzingen van Zijn Woord (1 Tim. 3:15) en zorgvuldig alles vermijden wat tegen die aanwijzingen ingaat.

Wij willen hier niet leerstellig op dit belangrijke onderwerp ingaan, maar gebruiken opnieuw het voorbeeld van twee tegengestelde mensenparen uit het Oude Testament om duidelijk te maken wat zojuist is gezegd.

Hoewel we de tabernakel en de tempel alleen in het Oude Testament vinden, geeft het ons in zijn voorbeelden belangrijke lessen over het geestelijke huis van het Nieuwe Testament. En ook al kenden de hier genoemde mensen alleen het zichtbare huis, wij kunnen toch veel van hen leren voor ons gedrag in het huidige huis van God.

Hebben wij ons wel eens afgevraagd waarom de Heer van David zei, dat hij een “man naar Zijn hart” was? (1 Sam 13:14; Hand. 13:22).

Het was niet vanwege uiterlijke kenmerken, dat hij Hem behaagde. Deze maken slechts een indruk op mensen, en zelfs vrome mannen, zoals een Samuel, zijn niet vrij van de neiging een man te beoordelen naar zijn uiterlijk (1 Sam. 16:7).

God ziet het hart; Hij zag in het hart en de wegen van David verschillende vruchten van Zijn eigen genade, die deze jongeman en latere vorst van Israël deden lijken op, zij het dan ook zwak, de schoonheid en volmaaktheid van Jezus Christus, de beloofde Koning en Herder van Israël, de eigenlijke Man naar het hart van God.

Het is onmogelijk hier al deze vruchten van genade bij David op te sommen; wij willen er nu slechts één in herinnering brengen: zoals van Christus wordt gezegd: “De ijver voor Uw huis zal Mij verteren” (Joh. 2:17), zo had David in zijn mate ook het huis van God lief, de uitdrukking van de blijvende betrekking van de HEERE met Zijn verbondsvolk.

Hoezeer is hij hierin een inspirerend voorbeeld voor ons! – God Zelf heeft Zijn geliefde Zoon geofferd om een “geestelijk huis” te kunnen vormen uit de “levende stenen” van Zijn verlosten. Ook Christus had de gemeente zo lief dat Hij Zichzelf voor haar heeft overgegeven (Ef. 5:25). Hoe komen dus ook wij overeen met het hart van de Vader en het hart van de Zoon wanneer wij niet alleen individuele gelovigen liefhebben, maar de gehele gemeente, Zijn huis, zoals God dat ziet, met heel onze ziel!

Echte liefde voor het huis van God bestaat echter niet alleen in woorden, maar ook in ijverige werkzaamheid voor het welzijn ervan.

Ook David gaf hiervan een duidelijk bewijs (1 Kron. 22). Hij dacht na over wat nodig was voor de bouw van dit huis, voor het fundament en de stevigheid ervan, voor de pracht en schoonheid ervan naar Gods gedachten. En toen was er een drukte van belang in de steengroeven van het land en in de cederbossen van Libanon. Wat een stenen slaan en hout zagen, wat een lasten dragen en lasten rijden op de wegen, met wagens vol gehouwen stenen, vol ijzer en koper! Ook al kon David als heerser roepen wie hij wilde, het was zeker zijn ijver die velen de innerlijke aansporing gaf.

En niet te vergeten: David had door de jaren heen enorme sommen goud en zilver voor het huis van God verzameld en “bereid.” Het was niet voor zijn eigen schatkamer dat hij al deze rijkdom verzamelde. Hij had het niet nodig voor zichzelf, voor een leven van nutteloze praal in de stijl van wereldse prinsen. Wat een “inspanning,” maar ook wat een voortdurend afzien van zijn eigen verheerlijking en werelds genot, wat een voortdurende belangstelling voor het huis van God zit er achter deze honderdduizenden talenten!

We kunnen onze eigen harten wel wat vragen stellen: Heb ik het geestelijke huis van God van deze tijd en het openbare getuigenis daarvan, dat in onze dagen zo zwak is geworden, lief? Geef ik blijk van deze liefde? Wat “bereid ik voor” voor dit huis en voor het plaatselijke getuigenis van de gemeente van God?

In tegenstelling tot David was Michal, zijn vrouw, die immers ook tot het volk van God behoorde, in die tijd volkomen onvruchtbaar en nutteloos voor het huis van God, ja zelfs een ernstig gevaar voor David om hem in zijn ijver te verlammen. Het hoogste wat haar hart kende was waarschijnlijk alleen de liefde voor David (1 Sam. 18:20,28), de eer van haar huis en misschien het verlangen naar eigen kinderen (2 Sam. 6:23). Dit kwam op een dag duidelijk aan het licht.

Toen Saul was gestorven en David was aangesteld als koning over geheel Israël, had hij een groot verlangen om de ark van God – “de ark waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs” (2 Sam. 6:2) – in zijn eigen stad te brengen, binnen de tent die hij daarvoor had opgezet. Hij wilde bij haar in de buurt zijn. Zonder de ark en de daarmee verbonden heerlijkheid van God zouden deze tent en de latere tempel leeg zijn geweest.

Eerst wilde David de ark met veel pracht en praal naar Jeruzalem brengen, op een nieuwe wagen. Maar dat ging mis. Hij moest leren dat in verband met de ark, met het huis van de Heer, alles moet gebeuren volgens de voorschriften van Zijn Woord.

Toen kwam de dag waarop de ark van God naar Jeruzalem werd gebracht door de daarvoor bestemde dragers, met de vreugdevolle deelname van het hele huis van Israël, met gejuich en bazuingeschal, en met het plechtig offeren van slachtoffers.

Michal nam echter niet deel aan deze viering. Liefde voor God noch voor Zijn huis kon haar op de been brengen. Ze keek slechts door het raam van haar huis, en wat ze daar zag beviel haar helemaal niet: David, de grote koning van Israël, de held van vele veldslagen en overwinnaar van alle vijanden, liep daar midden in de stoet, nee, hij sprong, en huppelde voor de ark van de Heer met al zijn kracht, en was buiten zichzelf van vreugde! Om daarin niet gehinderd te worden, had hij zelfs zijn koninklijke bovenkleed uitgetrokken, zoals losse mensen zich ontkleden als ze dronken zijn! (1 Kron. 15:27). Dacht deze koning dan helemaal niet aan zijn eigen eer? – Michal achter het raam was verontwaardigd en verachtte hem in haar hart!

Toen David terugkeerde, gaf zij scherp uiting aan haar ongenoegen: “Wat zal de koning van Israël vandaag geëerd zijn, die zich vandaag voor de ogen van de slavinnen van zijn dienaren heeft uitgekleed, zoals een leegloper zich schaamteloos uitkleedt!” Maar David gaf haar het prachtige antwoord: “Voor het aangezicht van de HEERE, Die mij uitgekozen heeft boven jouw vader en boven heel zijn huis door mij aan te stellen als een vorst over het volk van de HEERE, over Israël, ja, voor het aangezicht van de HEERE heb ik gehuppeld! En ik zal mij nog geringer gedragen dan dit en nederig zijn in eigen oog, maar met de slavinnen over wie je sprak, met hen zal ik geëerd worden” (zie 2 Sam. 6:20-22).

Hoe maakt het voorbeeld van Michal de opdracht van de Heer om zich te reinigen van de “vaten tot oneer” (2 Tim 2:21), die voor de huidige tijd geldt, zo indrukwekkend en begrijpelijk voor ons! Hoe gemakkelijk kan een christen, die het misschien alleen in naam is, door zijn onverschilligheid voor de Heer, voor Zijn huis en voor Zijn bijbehorende verordeningen, een struikelblok worden en een middel om af te glijden voor hen die er ijverig naar zouden moeten streven. Slechts weinigen zijn zo goed gewapend tegen deze verlammende invloed als een David.

Hoe oordeelde God over het gedrag van Michal en David?

“Michal nu, de dochter van Saul, kreeg geen kind tot op de dag van haar dood,” staat hier in bondige woorden. – God moet vandaag ook de zegen ontzeggen aan de gelovige die alleen voor zichzelf en zijn eigen belangen leeft.

David echter, die pas terugkeerde “om zijn huis te zegenen” toen de ark van God “op zijn plaats” stond en het volk van God gevoed en weggestuurd was, kreeg al snel via de profeet te horen: “Ook maakt de HEERE bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken … Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn” (2 Sam. 7:11,16). Als David eerst aan het huis van God denkt en pas in tweede instantie aan zijn eigen huis, dan wil God Zelf in Davids huis voorzien en op wat voor een overweldigende manier! God blijft nooit onze schuldenaar.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1962 – Bladzijde 88; auteur: Uit het ABC van de christen

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW