2 weken geleden

Uit het ABC van de christen (2)

Jakob en Ezau

Deze tweelingen waren heel verschillend. “Toen die jongens groot werden, werd Ezau een man ervaren in de jacht, een man van het veld. Jakob echter was een oprecht man, die in tenten woonde” (Gen. 25:27).

Dit op zichzelf gaf noch de een noch de ander enige voorkeur voor God. Moet niet ieder mens de bouw van zijn lichaam, zijn natuurlijke gaven en zijn intellectuele vermogens zonder morren of eigendunk uit de hand van zijn Schepper aanvaarden? Voor de mensen, die naar het uiterlijk kijken, bepalen deze dingen de waarde van een persoonlijkheid, maar voor God gelden andere maatstaven. Zonder geloof is het voor een mens onmogelijk om Hem sowieso te behagen (Hebr. 11:6). En als iemand het leven van God heeft ontvangen door het geloof in Jezus, dan is hij voor Hem als Zijn dienaar verantwoordelijk voor het meest nuttige gebruik van de talenten die hij heeft ontvangen. Op een dag zal de beloning gebaseerd zijn op trouw en niet op het aantal of de aard van de ontvangen talenten.

Nee, wanneer God zegt: “Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat” (Rom. 9:13; Mal. 1:2,3), dan is dat geen erkenning van vastgestelde uiterlijke verdiensten of tekortkomingen, en geen evaluatie van de verschillende natuurlijke karaktereigenschappen van deze twee mannen. Deze verklaring brengt ons tot heel andere conclusies:

  • Ten eerste is God, in Zijn onbeperkte volmaaktheid van macht, aan geen schepsel rekenschap verschuldigd voor Zijn daden. Hij is absoluut vrij om uit de mensen te kiezen, te roepen en te zegenen wie Hij wil. Niemand van ons heeft een natuurlijk recht op genade en zegen, zelfs al waren wij de zonen van Abraham en Izaäk. Het is geen onrechtvaardigheid van God als Hij aan de één voor de geboorte een gave geeft door belofte en aan de ander niet. Van nature hebben wij geen recht op loon, behalve het loon van de zonde: de dood (Rom. 6:23).
  • Maar in de tweede plaats deed God die uitspraak over Jakob en Ezau in voorkennis van hun gedrag ten opzichte van Zijn gaven, dat zij op het gegeven moment zouden vertonen. Esau verachtte het eerstgeboorterecht, maar voor Jakob was het zeer begeerlijk, omdat het al de wonderbaarlijke goddelijke zegen bevatte die God aan Abraham en zijn nakomelingen gaf, en die de volgende dingen omvatte:
    ◦ Het bezit van het beloofde land;
    ◦ de belofte om een grote natie te worden;
    ◦ om door God gezegend te worden en om een zegen te zijn;
    ◦ en ten slotte om een nakomeling te hebben – dat wil zeggen Christus (Gal. 3:16) – in wie alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden (Gen. 12:2,3).

Op een dag, toen Esau hongerig en vermoeid van het veld terugkwam, stond Jakob op het punt een linzenmaaltijd te koken. Om aan zijn onmiddellijke lichamelijke behoefte te kunnen voldoen, verkocht hij Jakob dit unieke geboorterecht met zijn onvoorstelbaar grote zegeningen “voor een maaltijd,” voor een schotel linzensoep! (Gen. 25:29-34).

Zo werd Esau gekenmerkt als een “ongoddelijke” (Hebr. 12:16), van wie er vandaag zovelen zijn in christelijke landen. Zij verachten het evangelie met zijn oneindige, heilbrengende zegeningen en zeggen, net als die ene: “… laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij” (1 Kor. 15:32). Aan het korte leven hier op aarde en zijn “successen,” de tijdelijke en vaak zo twijfelachtige genoegens van hun aards bestaan, offeren zij een eeuwige verlossing, eeuwige hemelse zegeningen en alle rijkdommen van Gods genade en goedheid die hun in het Evangelie worden aangeboden.

In de plaats van de kwelling, in de “buitenste duisternis,” zullen al deze zielen op een dag diep berouw hebben dat zij al deze prachtige gaven van God hebben afgewezen (verg. Luk. 16:19-31). Er zal “geween en tandengeknars” (zie Matth. 8:12; 13:42,50; 22:13; 24:51; 25:30; Luk. 13:28) zijn, want zij zullen, evenals Esau eens, geen plaats meer vinden voor berouw (Hebr. 12:17).

Maar wij gelovigen moeten ons ook afvragen: ben ik als Jakob, voor wie het eerstgeboorterecht zoveel betekende? Laat ik hier op aarde alles los wat mij verhindert om Christus te “winnen” (Fil. 3:8) in de heerlijkheid? Verblijd ik mij dagelijks in de hemelse zegeningen? Of heb ik de neiging om het praktische genot ervan op te geven voor een “linzensoep,” voor korte en misschien onzuivere aardse genoegens? Een dergelijk gedrag zou God bedroeven, ja, zoals wij uit het voorbeeld van Esau moeten leren, zou het  voor Hem “hatelijk” zijn.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1962 – Bladzijde 56; auteur: Uit het ABC van de christen

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW