2 weken geleden

Uit het ABC van de christen (1)

Orpa und Ruth

Ruth 1

De Bijbel plaatst vaak twee mensen naast elkaar die in vergelijkbare omstandigheden of in dezelfde aangelegenheden zich  heel verschillend gedroegen. De daden van de één belichten de daden van de ander voor ons onderricht, en hun voorbeeld dient om de aanwijzingen van het Woord voor ons leven begrijpelijk en indrukwekkend te maken. Daarom willen wij nu één van deze ongelijke paren, Orpa en Ruth, uit het boek Ruth, voor onze ogen plaatsen. Dit is geen historische of profetische beschouwing over Israël, maar een eenvoudige vergelijking van deze twee mensen.

Deze twee jonge vrouwen hadden dezelfde oorsprong. Beiden behoorden tot het afgodische volk van Moab, de vijanden van Israël. Maar de genade van God heeft hen ontmoet. Zij waren in contact gekomen met de familie van Elimelech uit Bethlehem in Juda en hadden van hen veel gehoord van de levende en ware God van Israël, de Schepper van hemel en aarde. In hoeverre kan dit licht van de waarheid hun harten en gewetens hebben geraakt?

Dit zou spoedig duidelijk worden. Niet alleen Elimelech, maar ook zijn twee zonen, hun echtgenoten, zijn heengegaan, Naomi en de twee jonge vrouwen alleen achterlatend. – Zullen zij, nu de huwelijksbanden zijn verbroken, zich ook afkeren van Naomi en hun God en terugkeren naar hun oude leven?

Nee, zodra haar schoonmoeder vertrekt om terug te gaan naar haar huis, naar Bethlehem, voegen Orpa en Ruth zich bij haar en gaan met haar mee. En als Naomi onderweg aan ieder van hen vraagt om terug te keren naar het huis van haar moeder, verheffen zij hun stemmen en wenen. En zij zeggen tot haar: “Voorzeker, wij keren met u terug naar uw volk!” (vs. 10).

Is dat niet ontroerend? Spreekt dit niet van een grote aanhankelijkheid? Zeker, maar dat alleen is niet voldoende bewijs, dat de genade hun hart heeft veranderd. In deze tijd kan het alleen maar de kracht van menselijke relaties zijn.

Zelfs vandaag de dag zijn er in de gelederen van de christenen vele volgelingen. Ze hebben een christelijke opvoeding gekregen. Zij kennen enkele waarheden van het evangelie. Zij voelen zich aangetrokken tot de kring van gelovigen en rekenen zichzelf misschien zelfs wel tot hen. Hun gehechtheid aan het ouderlijk gezin of aan gelovige vrienden kan er zelfs toe leiden, dat zij een groot stuk op de weg van afzondering van de wereld en van de godsdienstige systemen meegaan. Maar dit is niet genoeg. Vroeg of laat zullen zij voor beslissingen komen te staan waaruit zal blijken of zij een persoonlijke relatie met de Heer hebben, of zij Hem zoeken en Hem volgen, dan wel of het hun gaat om mensen en dingen van deze aarde.

Naomi wil volledige duidelijkheid scheppen. Zij tracht de jonge vrouwen te beschrijven wat zij van zichzelf mogen verwachten op de weg die zij tot dusver hebben afgelegd in wat voor hen een vreemd land is. Bovenal wil zij hen ervan bewust maken, dat het voor haar onmogelijk zou zijn hun natuurlijk verlangen naar een eigen gezin, naar een eigen huis te vervullen.

Hoeveel jonge vrouwen zijn niet afgedwaald op dit kritieke punt! Tot dan toe gingen zij met de kinderen van God om, voelden zich op hun gemak in hun kring, konden getuige zijn van de uitwerking daarvan in de gemeente, die de “tempel van de Heilige Geest” (1 Kor. 3:17; 2 Kor. 6:16); is, en proefden van het goede Woord van God (Hebr. 6:4-6). Misschien waren ze zelfs gered, maar verwaarloosden ze het persoonlijke contact met de Heer. – Bij sommigen, zoals bij anderen, zullen natuurlijke neigingen en verlangens de overhand krijgen. En als deze niet worden vervuld op de ‘smalle weg’ die zij tot dusver hebben gevolgd, beginnen zij andere, ‘bredere wegen’ in te slaan waarvan zij hopen – misschien onbewust – dat zij naar dit resultaat zullen leiden.

Orpa is zo’n jonge vrouw. Na de woorden van Naomi, verheffen ze beiden hun stem en huilen opnieuw. En dan valt Orpa om de hals van de oude vrouw en geeft haar – de afscheidskus. Het opgeven van Naomi en alles wat zij in verband met haar heeft ontvangen en meegemaakt is moeilijk voor haar; de tranen bewijzen het. Maar het andere in haar hart is sterker. Geconfronteerd met de belangrijkste beslissing van haar leven, kiest zij niet voor de HEER, de levende, ware God en Zijn volk, maar volgt de aantrekkingskracht van haar natuurlijke hart naar “haar volk,” onderworpen aan de goden van Moab. Zo geeft ze zich over aan de invloed van de demonen die achter hen staan. Arme Orpa!

Wanneer Satan, de overste van deze wereld, jonge mensen wil verleiden die in een christelijk gezin zijn opgegroeid, onder invloed van het Woord en de Heilige Geest, houdt hij hun de mooiste en beste en edelste dingen van de wereld voor ogen. Maar als zij zich met deze dingen of personen laten vervullen, gaan zij een weg, die hen uit de invloedssfeer van de Goddelijke dingen voert, en hen meer en meer onder de slavernij brengt van “de overste van de macht der lucht, van de geest die nu werkt in de zonen van de ongehoorzaamheid” (Ef. 2:2). En waar zal dit pad eindigen? —

Hoe verfrissend en inspirerend is daarentegen het voorbeeld van Ruth! Ze toont de energie van het geloof. Ze is vastbesloten om met Naomi mee te gaan, koste wat het kost. Maar het is niet een grotere liefde voor haar schoonmoeder die haar drijft. Ze is geen ‘meeloper’. In plaats daarvan zoekt zij haar toevlucht onder de vleugels van de God van Israël (Ruth 2:12). Het gaat haar om Hem. Om dichter bij Hem te komen, is zij bereid zelfs de sterkste eisen van de natuur achter zich te laten of zelfs op te offeren!

Geeft het ons hierin niet een prachtig voorbeeld van de toepassing van het woord: “Zoekt echter eerst het koninkrijk <van God> en zijn1 gerechtigheid”? Als wij de Heer en zijn belangen in ons hart op de eerste plaats stellen, zorgt Hij zelf voor onze belangen: “… en al deze dingen,” wat uw eigen leven op aarde betreft, “zullen u erbij gegeven worden,” verzekert Hij ons, en voegt eraan toe: “… uw hemelse Vader weet dat u al deze dingen nodig hebt.” en “al deze dingen zullen u erbij gegeven worden” (zie Matth. 6:32,33). Dat is een kostbare belofte.

Ruth bewandelt trouw het pad van het geloof. Eenvoudige gehoorzaamheid aan het Woord van God, waarin de ervaren Naomi haar onderwijst, kenmerkt elk van haar stappen, die hier worden beschreven. Met grote ijver en toewijding vervult zij de kleine dienst aan haar schoonmoeder, die zij erkent als de taak die God haar heeft gegeven. Haar oog is op de Heer gericht, ze laat het niet afdwalen. Zij wil niet zichzelf helpen en gaat niet achter jonge mannen aan, arm of rijk (Ruth 3:10). —Heerlijke vruchten van de genade die God kan voortbrengen uit een hart, dat helemaal op Hem gericht is!

God laat het haar gebeuren, dat zij in haar zoektocht om korenaren te lezen, op het veld van Boaz komt en hem zelf ontmoet. En nu is het interessant om de dialoog te volgen tussen de uitingen van haar geloofsgehoorzaamheid en de uitingen van de oneindige genade en goedheid waarmee God haar in de persoon van deze godvrezende man – een voorbeeld van onze Heer Jezus — wil overladen.

Nauwelijks is zij daar of hij heeft kennis van haar genomen en is nauwkeurig op de hoogte van haar zitten en opstaan, van haar werk en ijver, van de wijze waarop zij haar schoonmoeder eert en haar met toewijding dient. Elke daad van haar steeds vrijmoediger geloof beantwoordt hij en beloont hij met onverwachte, toenemende zegeningen. Hoe verder zij komt op het terrein van de genade, des te overvloeiender komt die tot haar, zodat zij, zich bewust van haar onwaardigheid, er geheel door overweldigd wordt (Ruth 2:13). Tenslotte wordt zij, de arme Moabiet, volgens de raad van God zelfs binnengeleid in het huis van Boaz en vindt in hem zelf de hoogste zegen.

En nog iets: door de ervaringen van de bekwame jonge vrouw wordt ook Naomi, de oudere zuster in het geloof, die bij haar aankomst in Bethlehem als het ware de bewering deed: “de Almachtige heeft het mij veel bitterheid aangedaan” (Ruth 1:20), verkwikt in het geloof. Zij zegt nu: “Moge hij (Boaz), die zijn goedertierenheid niet onthouden heeft aan de levenden en aan de doden, gezegend worden door de HEERE” (Ruth 2:20). Obed, de zoon van Ruth, wordt voor haar een “losser,” een “verkwikker” van de ziel en een “onderhouder van haar oude dag” (Ruth 4:14,15).

Als we dit alles bekijken, kunnen we ons afvragen: Hoe heeft Ruth zulke zegeningen voor zichzelf en anderen gevonden? Door de Heer alleen te zoeken en Hem standvastig te volgen op de weg van geloof en gehoorzaamheid.

Vandaag, in het tijdperk van de gemeente van Christus, is iedere gelovige reeds gezegend met “alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten]” op de dag van zijn nieuwe geboorte “in Christus” (Ef. 1:3). De Goddelijke volheid van deze zegeningen is even glorieus en onbegrijpelijk groot als God zelf. Zij die met oprechte een voornemen van het hart bij de Heer blijven (Hand. 11:23) en trouw de weg van het geloof volgen die in het Woord is aangewezen in de kracht van de inwonende Geest, bereiken een groeiend genot van deze zegeningen. De rijkdom van de genade van God in Christus overweldigt hem meer en meer, en in de onverbrekelijke band met de Heer Jezus, in de liefde van Zijn hart die alle denken overstijgt, vindt het hart een wonderbare “rust.”

Voor zo’n gelovige komen aardse zegeningen op de tweede plaats. Zelfs als deze hem werden ontzegd, dan heeft hij nog een rijk vervuld, gelukkig leven en zal hij een zegen voor anderen en een “verkwikker van de ziel zijn.”

 

NOOT:
1. Dit is ‘Gods.’

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1962 – Bladzijde 27; auteur: Uit het ABC van de christen

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW