5 jaar geleden

Twee beesten, twee personen?

Via een e-mail ontvingen we de vraag of het bij de twee beesten in respectievelijk Openbaring 13:1-10 en 13:11-18 om letterlijke personen gaat. Op deze plaats willen we op deze kwestie ingaan. Tevens hopen we enige lijnen van de eindtijd te kunnen schetsen.

Enerzijds letterlijke personen

Nadat de twee beesten in het dertiende hoofdstuk van Openbaring zijn geïntroduceerd, worden ze daarna nog verschillende keren in het Bijbelboek genoemd. Soms samen, soms apart. Het ‘beest uit de zee’ wordt dan kortweg ‘het beest’ genoemd, en het ‘beest uit de aarde’ de ‘valse profeet’. Uit deze vermeldingen blijkt dat met deze beesten – in elk geval ondermeer – op personen van vlees en bloed wordt gedoeld. Laten we daartoe enkele van deze teksten kort bespreken (waarbij ik bestudering van de context aanbeveel).

We beginnen met hoofdstuk 16:10a: “En de vijfde engel goot zijn schaal uit over de troon van het beest, en zijn koninkrijk werd verduisterd”. Ontegenzeglijk wordt het beest hier duidelijk als een persoon neergezet. Immers, het beest wordt hier als een heerser van een koninkrijk gezien.

Vervolgens lezen we in hoofdstuk 17:12: “En de tien horens die u gezien hebt, zijn tien koningen, die het koningschap nog niet hebben ontvangen, maar die samen met het beest één uur koninklijke macht zullen ontvangen”. In deze tekstplaats wordt het beest in één adem genoemd met tien koningen. Indien nu deze koningen op personen zien – wat ik niet in het minst betwijfel – dan ook het beest; alleen dan is onze Schriftuitleg consequent.

Luister vervolgens naar hoofdstuk 19:20: “En het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet, die in zijn tegenwoordigheid de tekenen gedaan had, waardoor hij hen misleid had die het merkteken van het beest ontvangen hadden en die zijn beeld aanbeden hadden. Deze twee werden levend geworpen in de poel van vuur, die van zwavel brandt”. Wanneer Christus met macht en majesteit zal verschijnen, worden de twee beesten levend in het hellevuur geworpen. Let vooral op het woord ‘levend’. Daarmee wordt het duidelijk dat het daarbij om personen gaat.

Tenslotte, in hoofdstuk 20:10b, wordt het volgende van hen gezegd: “En zij [de duivel, het beest uit de zee, en het beest uit de aarde (zie 20:10a)] zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid”. Let hier vooral op het woord ‘gepijnigd’. Waarop anders dan op levende wezens alleen kan dat mogelijk betrekking hebben?

Wie zal betwisten dat bij de twee beesten in bovenstaande teksten aan letterlijke personen wordt gedacht?

Uit de heidense volkeren, uit het Joodse volk

In het voorgaande hebben we gezien dat met de twee beesten uit respectievelijk Openbaring 13:1-10 en 13:11-18, in ieder geval ondermeer, op twee letterlijke personen wordt gedoeld.

Maar er is meer. Door de toevoegingen: “uit de zee” en “uit de aarde”, wordt hun afkomst aangegeven. In twee eerdere gedeelten in dezelfde Openbaring – waarin beide termen in één adem genoemd worden – wordt namelijk ontegenzeglijk op twee verschillende geografische gebieden gedoeld. Laten we ook deze teksten kort bespreken (waarbij ik opnieuw bestudering van de context aanbeveel).

Eerst wil ik u meenemen naar hoofdstuk 12. Op de helft van de verdrukkingsweek zal er oorlog in de hemel uitbreken. Michaël en zijn engelen zullen dan strijden tegen de duivel en zijn engelen. Deze laatsten zullen niet kunnen standhouden, maar worden op de aarde geworpen. Daarop wordt een luide stem in de hemel gehoord: “Daarom, verblijd u, hemelen, en u die daarin woont! Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar u beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft” (12:12). Ongetwijfeld zien de woorden ‘aarde’ en ‘zee’ op geografische gebieden. Immers, bij beiden gaat het nadrukkelijk om bewoonde gebieden. Gebieden waar mensen wonen.

Dezelfde betekenis moet aan het aarde en zee van het tiende hoofdstuk worden toegekend. Ook daar worden beide termen steeds in één adem genoemd. Ondermeer in het tweede vers, waar we het volgende lezen: “En ik zag een andere sterke Engel uit de hemel afdalen. Hij was bekleed met een wolk en boven Zijn hoofd was een regenboog. Zijn gezicht was als de zon, en Zijn voeten waren als zuilen van vuur. En Hij had in Zijn hand een boekje, dat geopend was. En Hij zette Zijn rechtervoet op de zee en Zijn linker op de aarde” (10:1-2). Ongetwijfeld worden we hier niet bij een gewone engel bepaald, maar veeleer bij de Heer Jezus Christus. Daarop wijzen de verschillende kenmerken die aan deze sterke Engel worden toegeschreven; deze komen duidelijk overeen met de beschrijvingen van Christus op andere Schriftplaatsen. Verder blijkt dat ook uit de gehele voorstelling: in deze verzen en het verdere hoofdstuk zien we Iemand die de rechten op de aarde en zee claimt en toekomt. Op wie anders dan op Christus alleen zijn deze rechten van toepassing? De duidelijke link naar Jozua 1:1-3 is onmiskenbaar en verhelderend: “Het gebeurde na de dood van Mozes, de dienaar van de HEERE, dat de HEERE tegen Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, zei: Mijn dienaar Mozes is gestorven. Nu dan, sta op, steek deze Jordaan over, u en heel dit volk, naar het land dat Ik aan hen, de Israëlieten, ga geven. Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven, overeenkomstig wat Ik tot Mozes gesproken heb”.

Nu het duidelijk is geworden dat de aarde en de zee op geografische gebieden zien, kunnen we verder gaan en, waar mogelijk, concreet worden. In het profetische Woord ziet de (woelige) zee op de heidense volkeren. Bijvoorbeeld nadrukkelijk in Jesaja: “Wee, het rumoer van vele volken, ze razen als het razen van de zee; en wee, het gedruis van natiën, zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren” (17:12). Maar eveneens in Openbaring: “De wateren die u gezien hebt, waaraan de hoer zit, zijn volken, menigten, naties en talen” (17:15). Wat betreft de aarde, deze aanduiding heeft betrekking op Israël. In contrast met de onbestendigheid van de zee, spreekt de aarde nu juist van bestendigheid. Anders gezegd: de aarde is geordend. Geen natie ter wereld is meer geordend dan Israël. Afgezien van de vraag of dat vandaag naar Gods bedoeling is, wordt het dagelijks leven in Israël tot op vandaag bepaald door vele oudtestamentische voorschriften. Denk bijvoorbeeld aan de verschillende spijs- en sabbatswetten. Iedereen die – evenals ik – een bezoek aan Israël heeft gebracht, zal dat absoluut bevestigen. Daarentegen kennen de heidense volkeren veelal een – veranderlijke – wetgeving naar menselijke inzichten. Verder kan het woord voor ‘aarde’ vanuit het Grieks eveneens met ‘land’ worden vertaald. Daarmee wordt dan uiteraard het land Israël bedoeld.

Daarmee kunnen we vaststellen dat er in de zeventigste jaarweek een heidense en een Joodse potentaat op het politieke wereldtoneel zullen verschijnen. Een beest uit de zee, en een beest uit de aarde. Verder Schriftonderzoek zal uitwijzen dat het daarbij gaat om een Romeinse ‘keizer’ en de Joodse antichrist. Reeds in het Oude Testament wordt al over deze duistere figuren gesproken.

Anderzijds een imperium

Tegelijkertijd echter worden we, wat betreft de beschrijving van het beest uit de zee in hoofdstuk 13:1-10, eveneens bij een machtig imperium bepaald. Laat deze dubbele betekenis u niet in verwarring brengen: in de Schrift worden heerser en rijk vaker vereenzelvigd. Bijvoorbeeld in het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek Daniël, waarin het gouden hoofd van het zogenoemde statenbeeld zowel voor het Babylonische Rijk staat alsook voor de Babylonische vorst Nebukadnezar. Zo ook hier. Enerzijds wordt met het beest uit de zee op een heerser, anderzijds op een imperium gedoeld. Wat betreft het imperium, is het het laatste wereldrijk voor de wederkomst van Christus. Uit een vergelijking met de profetieën van Daniël blijkt het te gaan om een herleefd Romeins Rijk. Het oude Romeinse Rijk zal in de laatste dagen in een nieuwe gedaante verrijzen. Deze gedaante – indien we het zo kunnen zeggen – werd door Johannes als volgt beschreven: “En ik zag uit de zee een beest opkomen, dat zeven koppen en tien horens had, en op zijn horens waren tien diademen, en op zijn koppen een godslasterlijke naam. En het beest dat ik zag, leek op een panter, en zijn poten waren als die van een beer, en zijn muil was als de muil van een leeuw” (13:1-2a). De overeenkomst met Daniël 7 is opvallend en onmiskenbaar. In een nachtgezicht zag deze profeet uit de zee achtereenvolgens een leeuw met arendsvleugels, een beer met drie ribben tussen zijn tanden, een panter met vier vogelvleugels en vier koppen, en tenslotte een onbestaand, schrikwekkend dier met grote ijzeren tanden en tien horens, opkomen; daarmee wordt respectievelijk op het Babylonische, het Medo-Perzische, het Grieks-Macedonische, en het Romeinse Rijk gedoeld.

In de zeventigste jaarweek, na de Opname van de Gemeente, zal de wereld nog eenmaal de opkomst – beter gezegd: de wederopkomst – van een machtig menselijk rijk beleven. Een herleefd Romeins Rijk. In het verleden is één van zijn koppen dodelijk gewond geraakt, maar in de toekomst zal zij opnieuw verrijzen (13:3a). Deze herleving van het oude Romeinse Rijk zal de wereld verbazen: “En de hele aarde ging het beest met verwondering achterna” (13:3b). Waarschijnlijk omdat er nooit eerder in de geschiedenis een machtig maar gevallen rijk in haar vroegere glorie en grootsheid is hersteld. En, vergis u niet, het herstel ervan zal zo indrukwekkend zijn dat de wereld zal zeggen: “Wie is aan dit beest gelijk? En wie kan er oorlog tegen voeren?” (13:4b). Hoe ironisch dat God deze vraag, hoewel het eigenlijk helemaal geen vraag is, ondanks dat toch beantwoordt. Waar de wereld in haar hoogmoed bralt: “Wie kan er oorlog tegen dit beest voeren?”, daar stelt God in alle helderheid: “Mijn Zoon, de Koning der koningen en Heer der Heren”. Johannes beschrijft dit antwoord in hoofdstuk 19:11-21. Bij Zijn tweede komst zal de Heer Jezus orde op zaken stellen, door elke menselijke macht en heerschappij te onttronen en beëindigen. Precies zoals de steen in Nebukadnezar’s droom het statenbeeld plotseling en volledig verpulverde. Daarmee eindigt eveneens ondermeer de tweede Romeinse heerschappij. Daarna zal uiteindelijk het langverwachte Messiaanse Rijk aanbreken. Duizend jaar lang zal Jezus Christus, de rechtmatige Koning, vanuit Jeruzalem, de ‘stad van de grote Koning’, de wereld regeren. Met recht en gerechtigheid. Oorlogen zullen worden uitgebannen, opstandigen zullen worden uitgeroeid. Er wacht de wereld nog een uniek millennium. Maar vóór het aanbreken van het Messiaanse Rijk, en vóór de aanvang van de zeventigste jaarweek, verwachten wij de ‘Hemelvaart van de Gemeente’. Maranatha, kom spoedig, Heer Jezus!

J.C. van de Haar

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol