1 maand geleden

Toewijding (2)

Een opmerkelijke volgorde (Lev. 27:3-7 en 1 Joh. 2:13-14)

In Leviticus 27 is de volgorde anders dan we zouden verwachten. De Heer begint niet bij de jongsten en gaat dan volgens chronologische leeftijd verder tot het einde van het leven. Hij begint ook niet met de oudsten, die in dit hoofdstuk minder gewaardeerd worden dan zij die in de volle kracht en bloei van hun leven zijn. Nee, zowel in Leviticus 27 als in 1 Johannes 2 begint God met hen die geestelijk het verst gevorderd zijn. Dit zijn de 20- tot 60-jarigen in Leviticus 27 en de vaders in 1 Johannes 2. Zij staan voor de gelovigen met wie God het doel heeft bereikt, die hun weg hebben bewandeld naar Zijn gedachten. Pas daarna komen de andere groeistadia (jonge mannen, kinderen in 1 Johannes 2, en allen onder de 20 en boven de 60 in Leviticus 27).

In beide passages wordt de normale groei in het leven van een christen voorgesteld. God wil niet dat wij stilstaan of zelfs maar achteruitgaan in ons geloofsleven, want God maakt duidelijk dat de klok doortikt: “Want de behoudenis is ons nu nader dan toen wij tot geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij” (Rom. 13:11-12). In Hebreeën 5 vers 11-14 zien we, dat er gelovigen waren die achteruitgingen in plaats van vooruit te gaan en te groeien in geloof. Volgens de tijd behoorden zij leraren te zijn, maar in plaats daarvan leken zij weer op kleine kinderen die melk nodig hadden. Om de woorden van Leviticus 27 te gebruiken, moesten zij teruggezet worden in de categorie van hen die tussen één maand en vijf jaar oud waren. In Galaten 5 vers 7 lezen wij van de Galaten, dat zij goed gewandeld hadden, maar tot een ander evangelie waren overgegaan (Gal. 1:6). Nogmaals, de apostel had barensweeën van hen (Gal 4:19). God wil dat wij op Hem wachten, dat wij nieuwe kracht krijgen en onze vleugels uitslaan als de arend, zodat wij onze weg kunnen gaan in blijde gemeenschap met Hem (Jes. 40:31). Hoe mooi is het als we met David kunnen zeggen: “Dan zal ik voor Uw naam voor eeuwig psalmen zingen om mijn geloften na te komen, dag aan dag” (Ps. 61:9).

Onze Heer als het volmaakte voorbeeld

In Psalm 40 vers 8 zien we de volmaakte overgave van onze Heer. Hij zei: “Zie, Ik kom, in de boekrol is over Mij geschreven.” In tegenstelling tot de geloften van mensen, kunnen wij Zijn volmaakte toewijding volgen gedurende Zijn hele leven, zelfs tot in de dood. En zo deed Hij de wil van God en volbracht dit eenmalige offer op een volmaakte wijze (Hebr. 10:7-10). In zekere zin loste Hij Zijn gelofte volledig in en werd Hij door God triomfantelijk in de hemel begroet als hogepriester naar de ordening van Melchizédek (Hebr. 5:10). Nu zit Hij aan de rechterhand van God, gekroond met heerlijkheid en eer (Hebr. 2:7-9; Rom. 8:34; Kol. 3:1, enz.). Zowel in Zijn leven als in Zijn dood was Hij altijd tot volkomen welbehagen van God (Matth. 3:17; Joh. 8:29; Ef. 5:2, enz.).

Als Hij dus volgens de sikkel van het heiligdom altijd in de hoogste rang moest worden ingedeeld, moeten wij helaas concluderen dat de mensen hem heel anders beoordeelden. Dit is des te ernstiger, omdat wij tot de conclusie komen dat zij wisten, hoe Hij eigenlijk moest worden beoordeeld. Hoe kunnen we anders verklaren, dat Lukas schrijft dat hij ongeveer dertig jaar oud was toen hij met zijn bediening begon (Luk. 3:23) en dat de Joden in Johannes 8 vers 57 tot Hem zeiden: “U bent nog geen vijftig jaar oud en hebt U Abraham gezien?” Moest Hij volgens deze twee getuigenissen niet noodzakelijkerwijs in de hoogste rang geplaatst worden, dat wil zeggen met 50 zilveren sikkels? Hoe ernstig is het tegen deze achtergrond, dat de overpriesters Zijn prijs vaststelden op dertig zilverlingen (Matth. 26:15), waarover de profeet Zacharia eeuwen tevoren had geschreven (Zach. 11:12,13). Deze “mooie prijs, die zij Hem waardig achtten” (zie Zach. 11:13) was niet alleen gelijk aan een vrouw in haar twintigste tot zestigste jaar (waardoor zij Hem verachtten als het volmaakte brandoffer voor God), maar was ook gelijk aan de schatting van een slaaf wanneer hij door een os werd doodgedrukt (Ex. 21:32). Wat een minachting spreekt er uit het zó beoordelen van de Heer der heerlijkheid (1 Kor. 2:8; Jak. 2:1), als we denken aan de energie en toewijding waarmee Hij zijn weg ging in gehoorzaamheid. Hij wendde Zijn gezicht vastbesloten om naar Jeruzalem te gaan (Luk. 9:51), altijd doende wat Hem welbehaaglijk was (Joh. 8:29).

Toch is er een mooie uitzondering in Maria, die in Johannes 12 vers 1-8 de voeten van de Heer zalft met een echte, zeer kostbare nardus en daarna Zijn voeten afveegt met haar haren. Judas Iskariot schat de waarde van de aangeboden nardus op 300 denaren – een extreem hoog bedrag (wij weten uit Matth. 20:1-16, dat de dagprijs van een dagloner één denaar was). Het uiten van zo’n hoge achting voor de Heer bleef helaas de uitzondering en er werd eens terecht gezegd, dat de discipelen minder problemen hadden met Judas Iskariot dan met Maria.

Als wij denken aan de Heer als onze Hogepriester, Die in alle dingen op dezelfde wijze als wij is verzocht (Hebr. 4:15), dan ligt hierin ook troost. Mogen wij niet aan Hem denken, wanneer onze medebroeders en medezusters ons verkeerd beoordelen? Wanneer we misschien niet precies de sikkel van het heiligdom volgen en te hoog of te laag gewaardeerd worden? Dit kan gemakkelijk te wijten zijn aan menselijke zwakheid en had geen slechte bedoeling. Onze Heer heeft ten volle ervaren wat het betekent, om ten onrechte en met kwade motieven veroordeeld te worden.

Gelovigen die hun wettelijk vastgestelde schattingswaarde overschreden

Als wij onze Heer buiten beschouwing laten, die voor tienduizenden wordt onderscheiden (Hand. 5:10) en met geen enkele gelovige op één lijn kan worden gesteld (verg. de gebeurtenis op de berg van de verheerlijking, Luk. 9:28-36, enz.), dan toont de Schrift ons verschillende voorbeelden van gelovigen die de wettelijke norm ver overschreden. Volgens Leviticus 27 vers 7 werd een Israëliet van 60 jaar en ouder veel lager beoordeeld dan voorheen. Helaas is de reden hiervan in werkelijkheid vaak te zien. Net als bij Eli begint het gezichtsvermogen met de jaren te verslappen, vermindert de standvastigheid en kan deze plaats maken voor geestelijke traagheid (1 Sam. 3:2; 4:13,18). De ogen van Izak waren dof geworden zodat hij niet meer kon zien en de ogen van Jakob zwaar van ouderdom (Gen. 27:1; 48:10).

Toch kunnen we lezen over mannen van God die deze natuurlijke gang van zaken weerstonden. Hoe mooi is het van Mozes te lezen, dat hij 120 jaar oud was toen hij stierf en dat toch zijn oog niet dof was geworden en zijn kracht niet was verminderd (Deut. 34:7). Tot het einde van zijn leven ging hij zijn weg in gemeenschap met zijn God en ontving kracht en vreugde voor zijn weg. Hij had de Heer op een unieke wijze gekend, die tot hem gesproken had van aangezicht tot aangezicht als een man tot zijn vriend (verg. Ex. 33:11; Num. 7:89; Deut. 34:10).

Een ander voorbeeld is Kaleb, van wie in Jozua 14 vers 7 staat, dat hij 40 jaar oud was toen hij door Mozes werd uitgezonden om het land te verkennen. In vers 10-11 lezen we dat hij, ondanks zijn leeftijd van nu 85 jaar, nog even sterk is als op de dag dat Mozes hem uitzond. Zijn kracht als 85-jarige is dezelfde als de kracht van de toen 40-jarige, zodat we hem volgens Leviticus 27 vers 3-7 duidelijk in de categorie van 50 sikkels moeten plaatsen, hoewel hij als 85-jarige slechts verplicht was 15 sikkels te betalen.

Hoe kwam het dat zijn kracht niet minder was geworden en dat hij zelfs op zijn oude dag gereed was om ten strijde te trekken tegen Hebron en de zonen van Enak en Debir (Joz. 15:13-15)? Jozua en Kaleb waren 2 van de 12 verkenners die volgens de wil van het volk (Deut. 1:22) moesten optrekken om het land te bekijken. Nadat de 12 het land hadden gezien en met een vrucht uit het dal van Eskol waren teruggekeerd, kwam er een groot verschil aan het licht over het geloof om het land in bezit te nemen. Jozua en Kaleb zijn voor het in bezit nemen van het land, de anderen tegen. Kaleb brengt het volk tot bedaren en spreekt over de zekerheid van het in bezit nemen van het land (Num. 13:30). Later noemen Jozua en Kaleb het land “bijzonder goed” (Num. 14:7).

Tenslotte leidt het gemopper van de kinderen Israëls ertoe, dat zij 40 jaar door de woestijn moeten zwerven (Num. 14:34) en van de generatie die op dat moment leeft, mogen alleen Jozua en Kaleb het beloofde land binnengaan. Jozua en Kaleb hadden het land dus met eigen ogen gezien en waardeerden het zeer. Hoewel zij vervolgens 40 jaar lang met het volk door de barre woestijn moeten trekken, ligt het land altijd voor hen. In Jozua 14 horen we uit de mond van Kaleb geen klachten over de kwellingen en ontberingen van de woestijn, maar zodra hij over het land kan spreken, doet hij dat wel. Hij wordt gekenmerkt door een hart, dat begaan is met de belangen van God en met het land.

Een ander kenmerk van Kaleb is dat hij vertrouwt op de beloften van God. Het woord uit Numeri 14 vers 24 leefde in Kalebs hart: “Maar Mijn dienaar Kaleb, omdat in hem een andere geest was en hij erin volhard heeft Mij na te volgen, hem zal Ik brengen in het land waar hij geweest is, en zijn nageslacht zal het in bezit nemen.” In Jozua 14 zien we, hoe Kaleb de vervulling van dit woord voor ogen heeft en bereid is zijn weg te vervolgen in vertrouwen op God om tegen de vijanden te strijden (Joz. 14:9-15; 15:13-19). Maar zoals hierboven vermeld, had Kaleb reeds vóór deze persoonlijke belofte aan hem op Gods getuigenissen vertrouwd, dat zij het land in bezit zouden nemen (Num. 13:30), want God had hun vast beloofd het land te geven (verg. Ex. 23:27-28; Deut. 7; 11:23).

De Thessalonicenzen overschrijden ook de norm die in Leviticus 27 wordt gesteld. Eigenlijk behoren zij, naar hun geestelijke leeftijd, tot de categorie van 1 maand tot 5 jaar oude leden van Gods volk, aangezien er waarschijnlijk slechts enkele maanden liggen tussen hun bekering en de 1e brief van de apostel Paulus aan hen. Op zijn tweede zendingsreis had de apostel hen ongeveer 3 weken bezocht en het goede nieuws gebracht van Christus die geleden had en opgestaan was uit de dood (Hand. 17:1-4). Vandaar reisde hij verder via Beréa en Athene naar Korinthe, waar hij 1,5 jaar verbleef (Hand. 18:11) en de brieven aan de Thessalonicenzen schreef, nadat hij door Timotheüs van hun geloof en liefde had gehoord (1 Thess. 3:5-6). In de dagelijkse verwachting van de komst van de Heer leefden zij hun geloof in alle frisheid en eenvoud uit, waardoor zij een voorbeeld werden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje en hun getuigenis in het hele gebied werd gehoord (1 Thess. 1:6-10).

In zijn eerste brief spoort de apostel hen nu aan om nuchter te zijn en bekleed met verschillende wapenuitrustingen (1 Thess. 5:8), waarmee hij duidelijk maakt dat hij hen op dit punt al tot het leger van God rekende! Vertaald in oudtestamentische taal, plaatste dit hen bij degenen die 20 jaar of ouder waren (verg. Num. 1:3,18). Hoewel hun bekering nog maar kort geleden was, was hun praktische geloofsleven en hun eerste liefde voor God zo waardevol, dat het figuurlijk overeenkwam met het maximumbedrag van 50 sikkels zilver.

In Ottawa is er een museum met een hangar waarin een klein sportvliegtuig wordt tentoongesteld. Maar het vliegtuig is in tweeën gebroken door een grote steen in het midden, waarmee de kunstenaar wilde uitdrukken, dat iets zeer ingewikkelds en complex kan worden vernietigd door iets zeer eenvoudigs. Misschien kunnen we tegen deze achtergrond denken aan de bolwerken, overleggingen en hoogten van 2 Korinthe 10 vers 4-5 die oprijzen tegen de kennis van God in de vorm van theologen, wetenschappers, enzovoorts, maar die geen weerstand kunnen bieden aan een eenvoudig woord van geloof, misschien gesproken of gezongen door een kind, en breken (vergl. ook het verhaal van Naaman, die op het eenvoudige woord van een meisje afging en zich ten slotte voor God boog, 2 Kon. 5).

De soevereine genade van God

Het kan zijn dat wij, wat onze verantwoordelijkheid betreft, het doel van God met ons leven hebben gemist. Onze praktijk heeft misschien nooit gelijke tred gehouden met onze theoretische kennis (hoeveel jeugdbijeenkomsten, woordverkondigingen, conferenties, Bijbelstudies, enzovoort, hebben wij niet misschien al mogen bijwonen) en wij behoren volgens de beoordeling tot de categorie “vrouwelijk.”

Niettemin, als wij ons tot Hem bekeren, onze fouten belijden en dan consequent het pad met Hem bewandelen, kan God het zo sturen dat Hij ons naar het volgende niveau leidt. Het is dan in zekere zin als een ontijdige geboorte (1 Kor. 15:8), maar als God in Joël 2 vers 25 spreekt over het terugbetalen aan Israël van de jaren die zij verloren hadden door hun ongeloof en ongehoorzaamheid, moet er dan in ons leven geen gelegenheid zijn voor Hem om met ons het doel te bereiken? Bereikte Hij het doel niet met Jakob aan het eind van zijn leven, ook al had hij het grootste deel van zijn 147 jaar in eigen kracht geworsteld (Gen. 47:28) om zijn ideeën te verwezenlijken? Hoe lang heeft het niet geduurd voordat Jakob God aanbad leunend op het uiteinde van zijn staf (Hebr. 11:21)!

In vers 8 van Leviticus 27 komen we tot een heerlijke uitzondering, waarin de genade van God schittert. Het zou kunnen dat de aanbidder te arm was voor Mozes’ inschatting. Was er dan geen mogelijkheid voor hem om zich geheel aan de Heer te geven? Moest hij zijn talent begraven en nutteloos blijven, hoewel in zijn hart het verlangen leefde om zich geheel aan God toe te wijden? Misschien was hij door eigen schuld zijn bezittingen kwijtgeraakt, had hij zijn erfenis verwaarloosd. Maar hij was er zich plotseling van bewust geworden, dat God een ander doel had met zijn leven.

Wat hier van belang is, is dat degene die de vrijwillige gelofte had afgelegd, zich niet tot slaaf zou maken! Hij moet niet in slavernij vallen omdat hij zichzelf wilde geven. God wilde niet dat er sprake zou zijn van gedwongen overgave, van onvrijwillige dienstbaarheid (verg. Lev. 25:39-46; Ex. 21:1-6; enz.). Het hele karakter van dit hoofdstuk is, dat iemand vrijwillig komt en iets aan God wil offeren.

Mensen op wie Leviticus 27 nog helemaal niet kan worden toegepast

Het is goed om ons af te vragen hoe wij ons leven aan de Heer kunnen geven om geestelijk vooruit te komen en nuttiger te worden voor God, die ons nuttig wil maken voor onze medebroeders en -zusters (Fil. :20). De eerste stap om vrucht te kunnen dragen voor God en te kunnen groeien is echter allereerst bekering, anders blijven wij ongeschikt voor God (Rom. 3:12). In Daniël 5 zien we een geval waarin een ongelovige (Belsazar) door de goddelijke weegschaal wordt gewogen met als resultaat dat hij “te licht” blijkt te zijn (Dan. 5:27). Het enige middel om de mensen van de wereld tot een welgevallig offer voor God te maken, is het evangelie om hen tot bekering te leiden (Rom. 15:16).

Figuurlijk wordt ons dit voorgesteld in Exodus 30 vers 11-16, waar bij het opnemen van de som van de kinderen Israëls, ieder die “door de telling ging” een halve sikkel zilver moest geven volgens de sikkel van het heiligdom, of hij nu man, vrouw, oud, jong, arm of rijk was. Door deze instelling erkennen wij, dat wij vóór onze bekering allen in de positie van zondaars tegenover God verkeerden en verlossing nodig hadden door het ene offer van onze Heer (zilver werd vroeger gebruikt als betaalmiddel en geeft de prijs aan die voor onze verlossing moest worden betaald).

Slot.

 

Stephan Keune; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 06.05.2014.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW