8 maanden geleden

Tegenstellingen – Eens en nu (10)

“God … heeft ons … toen ook wij dood waren in de overtredingen, levend gemaakt met Christus” (Ef. 2:5).

Dood en levend

Toen God Adam en Eva het verbod gaf om van die ene boom te eten, verbond Hij dit met een dreiging van de gevolgen: “… want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven” (Gen. 2:17). Ten eerste kwam de dood in deze wereld door de zondeval – vanaf dat moment waren Adam en Eva sterfelijke mensen, net als alle anderen na hen (Rom. 5:12). Maar daarin ligt een andere betekenis: door tegen God te zondigen, stierf de mens geestelijk. Sindsdien is “geestelijk dood” de toestand van ieder mens.

Wat deze nodig hebben is nieuw leven, dat ons alleen in staat stelt een geheel nieuwe relatie met God op te bouwen. In dit proces “repareert” God niet simpelweg het oude, dode leven, maar schept Hij iets totaal nieuws. Hij wil de mens levend maken door hem dit nieuwe leven te geven. Dit is de grote belofte die Jezus Christus doet. Hij zegt van Zichzelf: “Ik ben het leven” (Joh. 14:6) en belooft dat geloof in Hem “eeuwig leven” geeft (Joh. 3:16). Dit betekent echter iets anders dan eeuwig te leven. Het gaat veeleer om de kwaliteit van het leven. Met de bekering ontvangt ieder mens nieuw, eeuwig, goddelijk leven – en daardoor wordt hij deel van de goddelijke familie, een kind van God. Het maakt hem geen beter mens, maar een compleet nieuw mens.

Tegelijkertijd is het geschenk van het nieuwe leven verbonden met een voorwaarde: Geloof in de Heer Jezus. Hij zegt Zelf: “Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is1, zal [het] leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (Joh. 3:36). Ik wens, dat ook u overgaat van de dood in het leven.

 

NOOT:
1. Of ‘wie niet gelooft in de Zoon.’

 

Alexander Schneider; www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 18.04.2022.

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, FW