14 jaar geleden

Jonge mensen in de Bijbel (24)

Voordracht 9a

Saulus ontmoet de Heer Jezus

Handelingen 7:54-8:1: “Toen zij nu dit hoorden, barstten zij uit in woede en zij knarsten de tanden tegen hem. Hij echter, vol van [de] Heilige Geest, staarde naar de hemel en zag [de] heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan Gods rechterhand, en zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan Gods rechterhand. Zij echter schreeuwden met luider stem, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af, en zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem. En de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, Saulus geheten. En zij stenigden Stéfanus, die [de Heer] aanriep en zei: Heer Jezus, ontvang mijn geest. En terwijl hij neerknielde, riep hij met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. En toen hij dit had gezegd, ontsliep hij. Saulus nu stemde ermee in, dat hij werd gedood”.

Handelingen 9:1-30: “Terwijl nu Saulus nog steeds dreiging en moord blies tegen de discipelen van de Heer, ging hij naar de hogepriester en vroeg hem om brieven naar Damaskus, voor de synagogen, om, als hij er vond die van de Weg waren, zowel mannen als vrouwen geboeid naar Jeruzalem te brengen. Terwijl hij echter reisde, gebeurde het dat hij Damaskus naderde; en plotseling omstraalde hem een licht uit de hemel; en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij? En hij zei: Wie bent U, Heer? En Hij zei: Ik ben Jezus die jij vervolgt. Maar sta op en ga de stad binnen en er zal tot je gesproken worden wat je moet doen. De mannen nu die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen. Saulus nu stond op van de grond; en hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem in Damaskus. En hij kon drie dagen niet zien, en hij at niet en dronk niet. Nu was er een discipel in Damaskus, genaamd Ananias; en de Heer zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, [hier] ben ik, Heer. En de Heer zei tot hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt. En hij heeft gezien dat een man, genaamd Ananias, binnenkwam en hem handen oplegde, opdat hij weer kon zien. Ananias echter antwoordde: Heer, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan; en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen die uw naam aanroepen te boeien. De Heer zei echter tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren vat om mijn naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël; want Ik zal hem tonen hoeveel hij moet lijden voor mijn naam. Ananias nu ging en kwam het huis binnen; en hij legde hem de handen op en zei: Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, die u verschenen is op de weg waarlangs u kwam, opdat u weer kunt zien en met [de] Heilige Geest vervuld wordt. En terstond vielen hem als het ware schubben van de ogen en hij kon weer zien; en hij stond op en werd gedoopt. En toen hij voedsel had genomen, werd hij versterkt”.

De prediking van Saulus en zijn ontsnapping

Hij nu was enige dagen bij de discipelen in Damaskus. En terstond predikte hij in de synagogen Jezus, dat Deze de Zoon van God is. En allen die het hoorden, raakten buiten zichzelf en zeiden: Is deze niet degene die in Jeruzalem hen verdelgde die deze naam aanroepen, en die daarom hier gekomen is om hen geboeid naar de overpriesters te brengen? Saulus echter werd steeds krachtiger en bracht Joden die in Damaskus woonden in verwarring door te bewijzen dat Deze de Christus is. Toen er nu vele dagen verlopen waren, beraadslaagden de Joden samen om hem te doden. Hun aanslag werd Saulus echter bekend. En ook bewaakten zij dag en nacht de poorten om hem te kunnen doden. Zijn discipelen echter namen hem des nachts mee en lieten hem door de muur in een mand naar beneden zakken.

Saulus in Jeruzalem

Toen hij nu in Jeruzalem aankwam, probeerde hij zich bij de discipelen te voegen; en zij waren allen bang voor hem, daar zij niet geloofden dat hij een discipel was. Barnabas echter nam hem mee en bracht hem bij de apostelen en vertelde hun, hoe hij onderweg de Heer had gezien, en dat Deze tot hem had gesproken en hoe hij in Damaskus vrijmoedig had gesproken in de naam van Jezus. En hij ging met hen in en uit in Jeruzalem, terwijl hij vrijmoedig sprak in de naam. van de Heer. En hij sprak en redetwistte met de Griekssprekenden, maar dezen trachtten hem te doden. Toen de broeders dit echter vernamen, brachten zij hem af naar Caesaréa en zonden hem weg naar Tarsus.

De bekering van Saulus

We hebben hier het historische bericht van de bekering van deze buitengewone man. Ik geloof dat we geen merkwaardiger bekering vinden, want op het ogenblik dat hij al het mogelijke deed om de naam van de Heer Jezus van de aarde uit te roeien, kwam hij in aanraking met de genade van God. Dat is de reden waarom hij zegt, en in waarheid zegt: “Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben” (1 Timotheüs 1:15). Welnu, was hij dan een schandalige zondaar? Nee! leefde hij openlijk immoreel? Nee! Was hij een grote levensgenieter? Nee! Was hij een mens die zich verzette tegen de wetten van de mensen en van God? Nee! En toch zegt hij dat hij devoornaamste is van de zondaars. Nu is het erg belangrijk dit vast te houden, want Paulus was in werkelijkheid een een uiterst religieuze man; maar het was religie zonder Christus, ja zelfs een religie tegen Christus. Natuurlijk, hij was een jood. Hij was geboren, opgevoed en onderwezen in het geloof van de joden in een enige Jehovah-God. Op grond hiervan ontkende hij de Godheid van Jezus, toen deze als Zoon van God op aarde kwam.

Voor de joden was Jezus een Godslasteraar en bedrieger, die claimde aan God gelijk te zijn. Daarom verwierpen zij Hem, kroonden Hem met doornen en doodden Hem; maar God wekte Hem op uit de doden. Daarna werd Hij veertig dagen lang gezien door vele getuigen, en voer Hij op om als Mens in de heerlijkheid van God in te gaan. Nadat de Heer Jezus Zijn plaats aan de rechterhand van God had ingenomen, daalde de Heilige Geest af. Daarmee begon op aarde het getuigenis van een verheerlijkte Christus, en dit getuigenis werd van het tweede tot het zevende hoofdstuk van de Handelingen, waaruit we iets gelezen hebben, verder gedragen. Daar gaf Stéfanus – een opmerkelijk stille, toegewijde en ernstige man vol van geloof en [de] Heilige Geest (Handelingen 6:5) – een heerlijk getuigenis over Christus aan het joodse volk, dat zijn hoogtepunt bereikt in de woorden: “U weerstaat altijd de Heilige Geest, zoals uw vaderen, zo ook u” (Handelingen 7:51). De schuld van het volk was compleet. Zij hadden de wet gebroken, de profeten vervolgd, de Voorloper Jezus gedood, Hemzelf verraden en vermoord en nu de Heilige Geest weerstaan. Toen zij (de joden) dit hoorden, knarsten zij met hun tanden; Stéfanus echter, “vol van [de] Heilige Geest, staarde naar de hemel en zag [de] heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan Gods rechterhand, en zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan Gods rechterhand”. Hoe wonderbaar, dat een mens op aarde dat zeggen kon!

Op dit punt gekomen, stopten zij hun oren toe, stormden als één man op hem af en wierpen hem uit de stad om hem te doden. Zij stenigden hem en de getuigen die zeiden dat hij lasterde, trokken hun overkleding uit om hun armen vrij te hebben om de stenen beter op Stéfanus te kunnen werpen. Om geen last te hebben van hun kleding, legden zij deze neer “aan de voeten van een jongeman, Saulus geheten”. Hij stortte zich niet tussen de menigte om ook met stenen te gooien, maar hij gaf wel zijn toestemming aan hun daad. Hij zei stilzwijgend: “Laat die man maar sterven, want hij heeft gezegd dat hij Jezus zag staan aan de rechterhand van God, wat volkomen onmogelijk is; ik stem met zijn dood in”. Stéfanus die brutaal gestenigd werd, stierf als zijn meester, en bad voor zijn moordenaars. Zijn meester had gezegd: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lukas 23:34). En de dienaar, in zijn stervensuur, bad: “Heer, reken hun deze zonde niet toe”. Hij kon er niet aan toevoegen: “… want zij weten niet wat zij doen”, omdat in die tijd al teveel bekend over Christus geworden was.

Op deze gruweldaad volgde een verschrikkelijke vervolging tegen de gemeente, waarbij Saulus niet alleen toestemde maar vanaf dat moment de actieve belichaming wordt van de joodse haat en de beslistheid om de naam van de Jezus uit te roeien. Als hij bij een latere gelegenheid Agrippa de geschiedenis van zijn bekering vertelt, zegt hij: “Ik meende dan bij mijzelf, dat ik tegen de naam van Jezus de Nazoreeër veel vijandigs moest doen” (Handelingen 26:9). Dit deed hij zonder twijfel met een goed geweten. Maar let op! Het geweten is geen goede gids voor een mens [tenminste als het zich niet oriënteert op het Woord van God – vertaler]. Het geweten lijkt op het stuurrad van een schip. Wanneer je een goede kaart en een goede stuurman hebt, zijn zij zeer nuttig voor de koers van een schip. Maar als je het stuurrad verlaat omdat de wind en golven je heen en weer slingert, zal het schip op de rotsen slaan. We horen tegenwoordig dat wanneer een mens zijn geweten volgt, zal voor tijd en eeuwigheid alles in orde komen. Deze opvatting is onbijbels en werkt absoluut niet. Ik herhaal: het geweten alleen is geen goede gids. Saulus handelde met “een goed geweten” en deed alles wat hij kon tegen de naam van Jezus. Hij werd de zendeling van de haat van de joden tegen de naam van Jezus; en niet daarmee tevreden de vergadering te Jeruzalem te verwoesten, vervolgde hij de Christenen ook nog tot in de buitenlandse steden.

In Handelingen 9 zien we hem naar Damascus opbreken. Hij heeft gehoord, dat er daar enkel Christenen zouden zijn – enkele die in de Heer Jezus geloofden en hun hemelse Redder liefhadden. We zien dat deze jonge man, vervuld met joodse vurige ijver, “dreiging en moord blies tegen de discipelen van de Heer”. Voordat hij aan deze eigenaardige missie begon, ging hij naar de hogepriester en vroeg om brieven [eigenlijk volmachten – vertaler]. Hij “vroeg hem om brieven naar Damaskus, voor de synagogen, om, als hij er vond die van de Weg waren, zowel mannen als vrouwen geboeid naar Jeruzalem te brengen” (vers 2). Wat een onderneming! Mannen en vrouwen die de Heer Jezus liefhadden, gebonden naar Jeruzalem te brengen en hen te dwingen de naam van hun Heer te lasteren of te sterven (Handelingen 26:9-11)!

Ik zou wel willen weten wat wij allen zouden zeggen, wanneer vanavond iemand die de Heer Jezus haat, hier met volmacht zou verschijnen om allen die in Edinburgh1 de Heer Jezus liefhebben gevangen te nemen en aan de gevangenis zou overleveren. Zouden jullie de Heer Jezus belijden of zouden jullie Zijn Naam verloochenen? Zouden jullie zeggen: “Ik heb die wonderbare Redder lief, ik heb Zijn Naam lief?” Wanneer je nog niet aan Zijn kant staat, dan smeek ik je: Geef Hem jouw hart. Ik zeg niet dat je dezelfde verkeerde weg moet gaan, die de ijverige Saulus destijds ingeslagen had. Je heb gezien wat hij deed. Hij ondernam een “zendingsreis” om mensen in de gevangenis te brengen en te doden die de Naam van de Heer Jezus liefhebben. Daarom spreekt hij van zichzelf als de “voornaamste van de zondaars” (1 Timotheüs 1:15). Hij wist dat hij Christus vervolgde, toen hij hen die tot de gemeente behoorden, vervolgde. Dit maakte hem tot de “voornaamste van de zondaars”, maar het was dezelfde daad die hem ook tot de voornaamste wetsijveraar maakte, want hij schrijft in een van zijn andere brieven: “Als iemand anders meent op vlees te [kunnen] vertrouwen, ik nog meer: … wat [de] wet betreft een farizeeër; wat [de] ijver betreft een vervolger van de gemeente; wat [de] gerechtigheid betreft een die in [de] wet is, onberispelijk” (Filippi 3:4-6). Paulus beroert daarmee, als ik het zo zeggen mag, twee polen van de menselijke ervaring. Hij beklom de hoogste hoogte van de menselijke gerechtigheid en daalde af in de diepste van de menselijke schuld, en dat met een en dezelfde handeling – het vervolgen van de heiligen. Wat was het hoogste punt van zijn menselijke gerechtigheid? Dat hij meende als jood God een dienst te bewijzen door het doden van hen die de Heer Jezus liefhadden. Voor hem was het de hoogste trap van menselijke gerechtigheid, wanneer hij de discipelen van Jezus vervolgde En waardoor werd hij “de voornaamste van de zondaars”? Door de vervolging van de gemeente! Zie je, zo heeft hij de top van menselijke gerechtigheid en de laagste drempel van menselijke rechtvaardigheid bereikt. Hij kan daarom tegen iedere wetsfanaat zeggen: “Ik kan grotere voortreffelijke eigenschappen aanwijzen dan jij, maar ik heb alles opgegeven en mijn plaats als verloren zondaar ingenomen en ben door de Heer Jezus gered”. Maar tegen de mens die onder de last van zijn zonde en schuld zucht, kan hij zeggen: “Ik was een groter zondaar dan jij, en toch heeft de Heer Jezus mij gered”.

Saulus ontmoet de Heer Jezus

Laten we nu eens zien op welke wonderbare wijze de Heer Jezus hem ontmoet. Het is werkelijk een fascinerende geschiedenis. Saulus is op weg naar Damascus en geheel onverwachts, toen hij dicht bij de stad kwam, werd hij opgehouden. “… en plotseling omstraalde hem een licht uit de hemel” (vers 3), “sterker dan de glans van de zon” (Handelingen 26:13). Wat was dat voor een licht? Het was een lichtstraal van het aangezicht van de Zoon des mensen in de heerlijkheid. Inderdaad, het was een wonderbaar licht, heller dan de zon op de middag. Stel je dat eens voor! Je weet hoe fel de zon rond het middaguur schijnt, hoeveel heller echter de zon in het oosten. Dit gebeurde op een middag toen de zon in haar sterkste gloed scheen, dat haar licht door een nog heller licht overtroffen werd. Erg mooi en treffend beschrijft de apostel Paulus dit licht in 2 Korinthe 4:6: “Want de God die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van Christus”. Het was de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus dat hem omstraalde; en wat was het resultaat? Dit wonderbare licht verblindde hem en “hij viel op de grond”. De Heer had hem ontmoet! Zijn leven in eigenwil, in zonde en boosheid onder de dekmantel van de religie, was ten einde.

Welk een genade dat Christus juist deze man, die zijn meest verbitterde vijand op aarde was, uitkoos en hem tot een vat van genade voor anderen maakte. Hoe wonderbaarlijk is het ook dat de genade van Christus mensen zoals jij en ik, die bittere vijanden van Hem waren, uitkoos om zo uit slaven van de zonde en de duivel dienaars van Hem te maken. Die genade ervoer Saulus. Ook ik heb dit meegemaakt; misschien mag jij het vanavond meemaken. Wanneer je nog niet gered bent, nog niet bekeerd bent, moge de genade die Saulus redde en ook mij redde, ook jullie vanavond redden.

Overweldigd door het licht “viel hij op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” (vers 4) Wat een ogenblik was dat in zijn leven toen hij deze geweldige stem hoorde – een stem die beslist menselijk, maar vol Goddelijke majesteit was; de stem van een mens waarvan hij voelde, dat het de stem van God was. Een menselijke stem die in het Hebreeuws, zijn moedertaal, uit de heerlijkheid tot hem sprak. En toch was het de stem van de eeuwige God, die zicht tot de ziel en het geweten van deze mens richtte. Het was de Heer Jezus die tot hem sprak. De verhoogde Mens was de eeuwige Zoon van God, die Zijn wezenlijke heerlijkheid, Zijn Goddelijke heerlijkheid, in een menselijke kleed gehuld had. Maar Hij spreekt nu vanuit de hemel tot Saulus en ook tot ons en het is van levensbelang Zijn Woord niet te geringschatten. “Kijkt u uit dat u Hem die spreekt, niet afwijst. Want als zij niet ontkomen zijn, die Hem afwezen die op aarde Goddelijke aanwijzingen gaf, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem die van [de] hemelen [spreekt]” (Hebreeën 12:25).

Van waar uit sprak de Heer Jezus tegen Saulus? Vanuit de hemel! Jij, jongere, die op weg bent naar de hel, vanavond [maar ook nu – vertaler] spreekt vanuit de hemel een stem en vraagt jou: Heb jij deze stem gehoord en wil je die gehoorzamen? “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” Ongetwijfld was Saulus geschrokken. Hoe kon hij de gestorven Jezus vervolgen? Het was een wonderlijke vraag. Kun jij Jezus vervolgen? Jazeker, ik geloof dat je dat kunt. Misschien heb jij dat al gedaan. Wanneer jouw levensgeschiedenis aan het licht komt zou het zeker uitkomen hoe vaak jij Jezus hebt vervolgd. Hen jij die man, die met jou in hetzelfde gebouw werkt, niet uitgelachen omdat hij bekeerd is. Heb jij niet je eigen broer, die zich bekeerde en die de Heer dienen wil, bespot? Heb jij niet die zuster belachelijk gemaakt, die van Jezus getuigde en voor Hem leven wilde? “Waarom vervolg je Mij?”, vroeg de Heer Jezus. Op dat ogenblik leerde Saulus dat de heiligen op aarde en hun Heer in heerlijkheid één zijn. Hij, het hoofd van het lichaam, in hemelse heerlijkheid, en zij, Zijn leden, hier op aarde. Hij leerde de eenheid van het volk van de Heer op aarde met hun wonderbare Redder in de hemel kennen. Wat een omkeer vond er in hem plaats! De tijd van eigenwil was nu voor altijd voorbij; de mens wordt vernederd tot in het stof; en hij valt niet alleen letterlijk in het stof, maar ook moreel daalt hij af – zoals eens Job – in stof en as. “Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:5-6). Ja, deze man lag voor God in stof en as. Hij heeft Christus gezien. Hij heeft de hemelse Heiland gezien. Heb jij Hem al gezien? Zo niet, o richt dan je geloofsoog nu op de Heiland in heerlijkheid!

Wordt D.V. vervolgd.

NOOT:
1. Dit boekje is samengesteld uit een reeks van voordrachten die in de schouwburg van Edinburgh voor studenten en andere jonge mensen gehouden werd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM