15 jaar geleden

Ruth (9)

Deze doorlopende overdenking is ontstaan uit voordrachten en zijn voor de praktijk bedoeld. Moge de Heer ons door deze eenvoudige overdenking rijkelijk zegenen! – Het ligt mij op het hart daarop te wijzen, dat men uitleg over het Woord van God alleen met de Bijbel en onder gebed leest.

Naömi en haar schoondochter

Naómi keerde niet alleen terug. Haar beide schoondochters gingen met haar mee. Wat moet er toch een goede verhouding tussen Naómi en haar schoondochters zijn geweest! Schoonmoeders zijn in de wereld vaak niet erg geliefd. Er zijn zelfs spotliederen van “de boze schoonmoeder”. In menig huis van kinderen van God is de verhouding tussen schoonouders en schoondochters of schoonzoons vaak ook niet zo, als wel wenselijk zou zijn. Hoe is het bij u? Hoe staat u tegenover uw schoonmoeder, of tegenover uw schoonvader? Als wij ons zelf vanwege deze betrekkingen in het licht van God onderzoeken, moet dan niet menigeen van ons het hoofd beschaamd buigen? De Heer ziet en weet alles. De mede-brusters kan men iets voorspiegelen maar de Heer nooit. Hoe vaak is er iets niet in orde in onze huizen en gaat men in deze toestand – met niet geoordeelde dingen in het hart – naar de samenkomst! Moet men zich dan nog verwonderen dat de aanbidding zwak en de Heilige Geest in Zijn werking wordt gehinderd? Kleine dingen, zoals wij gemakkelijk zeggen, worden op de weegschaal van het heiligdom gewogen, vaak zwaarwegend. De profeet Ezechiël moest de haren van zijn hoofd scheren (Ezechiël 5:1). Zij stellen de uitwassen van het vlees, de boze, oude natuur voor (Numeri 8:7). In de ogen van de heilige en rechtvaardige God leggen alle uitwassen van het vlees, groot of klein, gewicht in de schaal. Wij mogen over “kleinigheden” heen zien, bij God is vlees altijd vlees, of het nu opvallend of gering schijnt, de scherpte van het scheermes – het Woord van God – moet in zelfoordeel daarop toegepast worden.

Orpa en Ruth sloten zich bij hun schoonmoeder aan. Bij een gespannen verhouding hadden zij waarschijnlijk gezegd: “Laat haar gaan – wij zijn Moabieten en ons vaderland is hier – laat zij haar vroegere vaderland opzoeken!” Zij gingen beiden met hun schoonmoeder mee om naar het land Juda terug te keren. Dat was helemaal niet zo eenvoudig! Wie een toren bouwen wil, moet tevoren de kosten berekenen, of hij het wel kan voleindigen. Het voornemen van Orpa en Ruth om met Naómi naar een vreemd land, naar een vreemd volk met andere leefgewoonten en vooral met een andere godsdienst te trekken, vereist beslistheid. Of elk van hen tegen dit voornemen was opgewassen, was al spoedig te merken. Beiden hebben het goed gemeend. Beiden sloten zij zich bij Naómi aan om met haar naar het land Juda terug te keren!

In het verdere gedrag van Naómi wordt duidelijk dat, wanneer men langere tijd in “Moab” was het geestelijk licht verdwijnt. Men verliest het inzicht in Goddelijke beginselen. Hoe kon ze anders proberen om haar schoondochters te overreden naar het afgodische Moab terug te keren? Zou zij zich niet veel meer verheugd moeten hebben dat zij bereid waren haar te volgen naar Israël om de God van Israël te leren kennen? Zonder twijfel heeft het getuigenis van Naómi, hoe zwak het ook geweest mag zijn, indruk gemaakt op de harten van de schoondochters. Des te onbegrijpelijker zijn Naómi “s woorden: “Gaat heen, keert weer, een ieder tot het huis van haar moeder; de Heere doe bij u weldadigheid!” Zij zelf moest erkennen dat de Heere tegen haar had getuigd maar haar schoondochters wilde zij tot terugkeer naar Moab bewegen. “De HEERE geve u, dat gij rust vindt, een ieder in het huis van haar man! … de HEERE doe bij u weldadigheid!”

Naómi had moeten weten dat een hart in Moab geen rust kan vinden en dat God Zijn weldadigheid niet in verbinding met “Moab” kan bewijzen. De Heer Jezus zegt: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven” (Mattheüs 11:28). In Moab is er geen rust, noch “in het huis van haar moeder” noch “in het huis van haar man”. Alles wat in deze wereld het toonbeeld van alle bevrediging is, kan niet de ware rust geven. Al zou een mens zich in deze wereld alles kunnen veroorloven en mag hij verzadigd zijn en voor zijn welvaart niet weten wat hij zich nog zou kunnen aanschaffen, toch ontbreekt hem de rust van het geweten die alleen de Heer Jezus geven kan. Alleen Hij is het en de gemeenschap met Hem waarin onze harten volle bevrediging en ware rust vinden.

Ruste vond hier mijn geweten;
want Zijn bloed – o heilfontein –
heeft van alle mijne zonden
mij gewassen blank en rein.

Ook de rust van onze zielen vinden wij alleen in Hem. “Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen” (Mattheüs 11:29). De rust van het geweten bezit iedere verloste. Maar de rust van de ziel fundeert zich op de gemeenschap met de Heer Jezus en op de gehoorzaamheid in het navolgen van Hem. Ach, het genot van deze rust is bij ons helaas zo vaak verstoord. Het was echter het voortdurend deel van de Heer Jezus terwijl Hij als Mens over deze aarde ging. Niet een seconde heeft Hij het ontbeerd. Hij was als de enige volkomen gehoorzame Mens altijd in ongestoorde gemeenschap met Zijn God en Vader. Laten wij van Hem leren!

Er zijn mensen die eenmaal hebben beleden gered te zijn en die de rust van het geweten bezaten, bij tijden ook de rust van de ziel genoten maar van de Heer afraakten en in de wereld teruggingen. De vijand ontnam hun het licht en menigeen zelfs de zekerheid van hun bekering.

Toch hoeft men niet onvoorwaardelijk in de “wereld” (1 Johannes 2:15-17) te gaan om in “Moab” het licht over Goddelijke waarheden te verliezen.In de Christenheid is het ook donker geworden doordat men zich steeds meer van het ware Licht, de Heer Jezus en Zijn Woord, heeft verwijderd.

Dit wordt ons in ’t bijzonder in de zeven zendbrieven (Openbaring 2-3) voorgesteld. Deze brieven aan toenmaals bestaande vergaderingen (gemeenten) in Klein-Azië hebben ook een profetisch karakter. Zij tonen ons de geschiedenis van het Christelijk getuigenis vanaf de Pinksterdag tot de opname.

In de eerste zendbrief aan Efeze kan de Heer zelfs veel goeds naar voren brengen maar moet het ernstige verwijt maken: “Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verlaten hebt”. Daarmee begon het verval. Nadat op de Pinksterdag de gemeente was gevormd en alles onder de leiding van de Heilige Geest en naar Gods gedachten verliep, werd het spoedig anders. Want wanneer de Heer Jezus niet meer het enige Middelpunt (Mattheüs 18:20), de enige autoriteit en de enige toereikende bron van zegen voor Zijn vergadering (gemeente) is, treedt de mens op de voorgrond. Spoedig ontstaan scheuringen en valse leraars bedrijven hun verwoestend werk. Wereldgelijkvormigheid en eigenwil grijpen steeds meer om zich heen en richten grote schade in de gemeente aan. Hoe ziet het vandaag, na bijna tweeduizend jaar, eruit? Is niet, naast de zendbrief aan Thyatira, Sardes, Filadelfia, bijzonder dat aan Laodicéa kenmerkend voor de toestand van de Christenheid? De Heer Jezus moet zeggen: “Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet … Zo dan, omdat gij lauw zijt zal Ik u uit Mijn mond spuwen. Omdat gij zegt: ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet dat gij zijt de ellendige en jammerlijke, en arm en blind en naakt” (Openb. 3:15-17).

Zo beoordeelt de Heer Laodicéa dat een beeld is van de eindtijd waarin wij leven. Lijkt zij niet op een “Christelijk Moab”? De Heer zegt: “Gij zijt blind” – men ziet niets meer, het licht is verdwenen. Toch is er nog gelegenheid tot terugkeer. Hij staat aan de deur en klopt aan. Of de Christusloze Christenheid Hem wil openen? Daarvan lezen wij in Gods Woord niets maar wel dat zij door God wordt geoordeeld. Het wordt aan de afzonderlijke persoon overgelaten voor Hem de deur van het hart te openen. “Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij”.

Mochten nog velen aan deze oproep gehoor geven en de Heer, de enige Redder, in het hart en in het leven binnenlaten. Er is een “te laat!”

Wordt D.V. vervolgd.

De Schriftplaatsen van deze overdenkingen zijn aangehaald uit de Statenvertaling 1991 (Oude Testament) en uit de z.g. Voorhoevevertaling 4e druk (Nieuwe Testament), tenzij anders vermeld.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW