14 jaar geleden

Ruth (7)

Deze doorlopende overdenking is ontstaan uit voordrachten en zijn voor de praktijk bedoeld. Moge de Heer ons door deze eenvoudige overdenking rijkelijk zegenen! – Het ligt mij op het hart daarop te wijzen, dat men uitleg over het Woord van God alleen met de Bijbel en onder gebed leest. De gevol…

De gevolgen van een eigen weg zijn vaak verstrekkend

Machlon en Chiljon behoorden tot een bevoorrechte stam in Israël; de stam waarop het koningschap rustte. Het zou hun normale wens moeten zijn om een plaats in het geslachtsregister van de komende koning te hebben. Maar deze ereplaats zijn ze door hun persoonlijke ontrouw kwijt geraakt. Hoe vele jonge broeders die tot een goede verwachting aanleiding gaven en getrouw hun weg gingen, zijn door een “Moabitisch meisje” voor het volk van God verloren gegaan en in “Moab” gestorven. Hoe treurig wanneer gelovigen ophouden met het afleggen van het getuigenis te behoren bij het volk van God.

De gevolgen volgens Gods regering op de weg van de eigen wil zijn altijd smartelijk en bestaan zeer vaak voor het hele leven. De grootste smarten brengen we ons meestal zelf toe omdat eigen wil en ongehoorzaamheid de oorzaak zijn. Het raakt het hart van de Heer Jezus én van Zijn geliefden in verbinding te zien met met zulken die het hart van Hem aftrekken. Doe als Petrus en ontwijk de liefhebbende en genadige blik van de Heer niet. Ga in de stilte om met Hem alleen te zijn. Moge daar ook bittere tranen vloeien. Het is een heilig en gezegend uur wanneer een blik van de Heiland je hart tot inkeer en omkeer brengt.

Na de dood van haar beide zonen staat er van Naómi: “Alzo werd deze vrouw overgelaten na haar twee zonen en na haar man” (Ruth 1:5). Daarmee komt haar hele armoede en eenzaamheid tot uitdrukking. Alles wat zij tot dusver bezat, was haar afgenomen: haar erfdeel in Bethlehem-Juda, haar man en haar zonen. Zij was “alleen overgebleven”. Zonder twijfel heeft Naómi het verootmoedigende van haar positie ondervonden. Is iemand op dit punt aangekomen dan grijpt God in. Hij wil graag een verandering ten goede aanbrengen. Daartoe gebruikt Hij de omstandigheden en spreekt tot de harten van gebogen zielen. Hij wil in orde brengen en herstellen. Ach, wie kan helpen en helen buiten Hem? Hoe gezegend is het toch wanneer in een afgedwaald hart gevoelens wakker geroepen worden over dat wat men verloren heeft. Dan is God in overweldigende goedheid bereid te vergeven en op de plaats van zegening terug te brengen. Kinderen van God kunnen vallen maar de Heer laat hen niet liggen. Maar laten wij angst hebben om een eigenwillige weg te gaan. Moge het onze wens zijn in trouw en gehoorzaamheid de Heer Jezus te volgen en Hem daardoor te verheerlijken. Hij heeft ons liefgehad en Zichzelf voor ons overgegeven. Wij zijn “uit de tegenwoordige boze eeuw” getrokken (Galaten 1:4). Wij genieten nu waar geluk door de gemeenschap met Hem en de Vader. Alleen een ongedeeld hart voor de Heer Jezus geniet vrede en vreugde in de Heilige Geest.

Wij allen hebben de opvoeding van de kant van God nodig. Hij gebruikt daarvoor in Zijn liefde en wijsheid – die in Zijn wegen met ons altijd samen gaan – vaak methoden die ons niet bevallen en die wij ook niet verstaan. Kinderen van God weten, en houden daaraan vast, dat Gods doen altijd gezegend is. Alles moet dienen tot ons nut opdat wij “aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen” en opdat de “vreedzame vrucht van gerechtigheid” tevoorschijn komt. Alles zal “blijken te zijn tot lof en heerlijkheid en eer in de openbaring van Jezus Christus” (1 Petrus 1:7).

De regeringswegen van God als Vader van Zijn kinderen dragen niet altijd hetzelfde karakter. Wij kunnen aan de hand van de Schrift duidelijk tucht en loutering onderscheiden. Tucht wendt de Vader in Zijn liefde aan opdat wij als kinderen overeenstemmen met Hem (Hebreeën 12:4-11). Loutering reinigt ons van slakken, die ons geloofsleven belemmeren (1 Petrus 1:7). Ook kunnen de wegen van God met ons het karakter van oordeel dragen wanneer wij boosheid bij onszelf niet oordelen (1 Petrus 1:17; 4:17). Met het oog op anderen moeten wij toch uiterst voorzichtig zijn opdat wij niet tucht voor oordeel aanzien. De ongelovige verstaat niets van dat alles. Hij neigt ertoe God aan te klagen in plaats van eens ernstig over zijn leven na te denken en te erkennen dat de goedheid van God op deze wijze hem misschien tot bekering wil leiden. Kinderen van God weten dat alle bemoeienissen van hun Vader liefde tot beweeggrond hebben. Wij moeten dat ook in de smartelijkste omstandigheden vasthouden. Het is eenvoudig om te zeggen: “Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gericht” (Deuteronomium 32:4), maar zwaar is het in onverstoorbaar vertrouwen ook dan hieraan vast te houden wanneer de dood met koude hand naar het kostbaarste en liefst grijpt.

Wij moeten hier nog een ander karakter van de wegen van God met Zijn kinderen noemen die wij misschien wel het minst begrijpen kunnen maar die op een bijzondere wijze een uitdrukking van de gunst en toegenegenheid van God tot Zijn kinderen is. Dit zien wij zeer duidelijk bij de apostel Paulus. De Heer heeft hem een doorn voor het vlees gegeven als middel tot bewaring voor aanmatiging wegens de hem gegeven openbaringen. Paulus begreep dat aanvankelijk niet en bad om wegname van de doorn. Hoe vaak hebben wij ook al niet de Heer in onze onwetendheid gebeden ons deze of gene klacht weg te nemen! De Heer heeft in Zijn goedheid en wijsheid onze gebeden tot op vandaag niet verhoord om ons voor één of ander gevaar dat wij niet zien, te bewaren.

Op welke manier de Heer Zich ook met ons mag bezighouden, wij moeten er altijd aan denken dat Hij nooit een fout maakt. Wanneer de vijand dat ons ook zou willen wijsmaken en aan ongelovigen God iets ongerijmds wil toeschrijven, kinderen van God moeten niet vragen: “Waarom?”, maar “Waartoe?”. Het is het Zich moeite geven van de Heer om ons door Zijn Geest en door Zijn Woord van de boze neigingen van de oude natuur of van verkeerde opvattingen of zelfs van de boze wegen van eigen wil te overtuigen, om ons tot bekering te brengen.

Zo gebeurde het bij David doordat de Heere hem door Nathan liet zeggen: “Gij zijt die man!” (2 Samuël 12:7). Toen stortte hij in het licht van God in en boog en verootmoedigde zich voor zijn God. Zijn belijdenis: “Ik heb gezondigd tegen de Heere”, was oprecht en diepgaand en God vergaf hem in Zijn genade. Een andere keer gaf God David zelfs gelegenheid te kiezen welk oordeel God moest zenden omdat David zeer gezondigd had (2 Samuël 24:10). In diep bewustzijn van zijn schuld zei hij: “Het is mij zeer bang; laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen” (2 Samuël 24:14). Wie het hart van onze God werkelijk kent, weet, dat Hij “gedenkt in de toorn aan het ontfermen” (Hábakuk 3:2).

Wordt D.V. vervolgd.

De Schriftplaatsen van deze overdenkingen zijn aangehaald uit de Statenvertaling 1991 (Oude Testament) en uit de z.g. Voorhoevevertaling 4e druk (Nieuwe Testament), tenzij anders vermeld.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW