2 weken geleden

Rust en stil zijn …

De rust! Niets zou haar in onze harten moeten storen. Is Christus niet onze Herder? De goede Herder, die Zijn leven gaf voor Zijn schapen en ons onder Zijn bescherming genomen heeft? Hij bewaart ons, heeft ons lief, verlicht ons pad en vertelt ons steeds weer: “Wees niet bang!” Hij draagt ons op Zijn schouders en op Zijn hart, totdat Hij ons in het huis van de Vader ingevoerd heeft.

Jesaja 26 vers 3:
“Het is Uw vaste voornemen: U zult volkomen vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd”.

Jesaja 30 vers 15:
“Want zo zegt de Heere HEERE, de Heilige van Israël: Door terugkeer en rust zou u verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn, maar u hebt niet gewild”.

Ach, onze arme harten! Hoe weinig is er nodig om deze rust weg te nemen? Er hoeft maar een kleine hindernis onze wensen in de weg te staan, en we winden ons al op en de rust is weg. De zorgen van het leven, zegt de Heer, bezwaren onze harten. Ze hinderen ons, om ons in Hem te verblijden. Daarom waarschuwt het Woord ons ook voor deze zorgen en spoort ons aan om deze van ons te werpen: “… terwijl u al uw bezorgdheid op Hem werpt, want Hij zorgt voor u” (1 Petr. 5:7). Ze zijn een last die ons geestelijk welzijn schaadt en die ons hindert direct naar het einddoel te lopen: “… laten ook wij alle last en de zonde die [ons] licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt, terwijl wij zien op Jezus …” (Hebr. 12:1). Rust kan alleen dan gedijen wanneer de eigen wil weggedaan wordt en plaats maakt voor de volledige onderwerping aan de wil van God. Voor de afhankelijke ziel is Zijn wil goed en welgevallig en volmaakt.

Vaak ontbreekt het ons aan geloof en moet de Heer ons soms niet, zoals eens Zijn discipelen, toeroepen: “u kleingelovigen”? Moeten we Hem dan niet antwoorden, zoals de vader, die Hem vroeg om de demon uit zijn zoon te verdrijven: “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”? (Mark. 9:24)

De rust van de gelovige is niet onverschillig tegenover zijn plichten, zijn werk, zijn familie, maar is het vertrouwen van het geloof, die in alle omstandigheden en beproevingen van het leven wandelt in afwachting van de Heer en niets doet zonder Hem of zonder aan Hem te denken.

Zeker, de moeilijkheden, de beproevingen, het verdriet kunnen onze harten belasten, maar we hebben die onuitputtelijke bronnen van genade: “Laten we dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd” (Hebr. 4:16). Onze Hogepriester is er om medelijden te hebben met onze zwakheden, en wanneer ons zwakke hart door de zware lasten van het leven verontrust of terneergeslagen is, kan het dit aan de voeten van de Heer leggen, Die op zijn wonden de voortreffelijke balsem van vrede gieten zal, die vrede van God die alle verstand te boven gaat.

Het Woord vermaant en moedigt ons aan met prachtige voorbeelden. Wat een stil zijn, welk een rust werd in het geloof van Abraham gevonden, toen God het offer van zijn zoon van hem verlangde, het enige voorwerp van zijn liefde en van alle beloften van God. Geen tegenwerping, geen angst, zelfs geen zucht, maar volledige rust van het geloof! Wat een verschil vormt dit met onze zorgen en onze rusteloosheid, vergelijkbaar met het gedrag van Jakob, die talloze voorzorgsmaatregelen tegen Laban en Ezau trof, in plaats van eenvoudig op God te vertrouwen, Die hem gezegd had: “Keer terug naar het land van uw vaderen en naar uw familiekring. Ik zal met u zijn” (Gen. 31:3).

Ook Maria van Bethanië kende deze rust. Zonder de zorgen van een Martha zat ze gelukkig aan de voeten van de Heer en luisterde naar Zijn Woord.

En boven allen is het voorbeeld van de Heer Jezus: “Bewaar mij, o God, want ik heb tot U de toevlucht genomen” (Ps. 16:1). Zachtmoedig, nederig en rustig in Zijn onderwerping aan de wil van God, zei Hij tegen de Zijnen: “… Mijn vrede geef Ik u” (Joh. 14:27).

“Zwijg voor de HEERE en verwacht Hem” (Ps 37:7). Vertrouw in de morgen: “… ’s morgens leg ik mijn gebed voor neer en zie ik naar u uit” (Ps 5:4). Vertrouwen overdag: “… Ik verwacht U de hele dag” (Ps 25:5). Vertrouwen in de avond: “In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen, want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen” (Ps 4:9). “Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid …” (Ps 13:6).

In het bewustzijn van Zijn goedheid, Zijn liefde, genieten we van de rust met het oog op het verleden, van de rust in het heden en van de rust voor de toekomst. Wanneer we denken aan hetgeen komt, zijn we vervuld met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde. Moge dit altijd bij ons levendig zijn.

Maurice Koechlin

© haltefest.ch, Jaargang: 1979 – bladzijde 106.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol