14 jaar geleden

Remonstranten (1)

Lessen om nooit te vergeten (1)

Door de gebeurtenissen rond de begrafenis van prinses Juliana kwamen de Remonstranten ook een beetje in de picture. De uitvaartdienst van de voormalige vorstin werd geleid door een Remonstrantse emeritus-predikante, namelijk dominee Welmet Hudig (zie ook het artikel “Bidt voor Oranje”, Frisse Wateren, nummer 16).Dit artikel is een poging iets van de geschiedenis weer te geven waarin de Remonstranten een grote rol speelden. Op deze wijze krijgt u een beeld wat er rond 1600 zich in ons land afspeelde en waar de roots liggen van de Remonstranten. De gevolgen zijn nog altijd merkbaar in onze tijd. Er is gebruik gemaakt van twee bronnen die onderaan dit artikel worden genoemd. Door gebruik van de nootcijfers 1, 2 en 3 kan men nagaan waar de informatie vandaan komt.

Frisse wateren

Arminius

Remonstranten zijn volgelingen van Arminius. Dit is een “verlatijnste” naam van Jacob Hermans van Oudewater. Hij werd geboren in 1560 te Oudewater als zoon van een messenmaker. Zijn vader stierf jong en het gezin bleef zeer afmoedig achter. Jacob moet toen nog erg jong geweest zijn. Theodorus Alminius, een ex-pastoor uit Oudewater die hervormd was geworden, ontfermde zich over de jonge knaap en onderwees hem in talen en in geestelijke dingen. Onder andere dit: “dat hij alle inzichten van aerdtse saeken ter sijde stellende en verachtende, sich selven aen Godt en sijn gemoedt sou vast houden: dat het een kleine tijdt was die men hier leefde; dat na dit leven een andre staet sou volgen”. Toen Jacob 14 jaar was, stierf ook zijn pleegvader (1574), Rudolph Snellius, hoogleraar te Marburg. Deze nam hem toen op en bracht hem naar Marburg, waar Arminius ingewijd werd in de filosofie van Petrus Ramus. In 1575 bezochten ze Oudewater om te kijken naar de verwoesting die de Spanjaarden hadden aangericht. Dit was een droevige periode voor Arminius. Het bleek dat zijn moeder, zijn broer en zuster en vele bloedverwanten waren vermoord. Nadat hij de de puinhopen van zijn geboortehuis had gezien, keerde hij weer terug naar Marburg. Toen later zijn tweede pleegvader Snellius docent werd op de pas geopende Leidse universiteit, werd hij daar student. Zijn verdere studie, onder ander in Geneve, werd betaald door het Groot-Kramersgild te Amsterdam. Na zijn studie werd hij predikant te Amsterdam. Arminius had toen al bezwaren, zij het aarzelend en onzeker, tegen de belijdenis van de kerken, waarin hij predikant was. In 1603 werd Arminius hoogleraar in Leiden. Daar werd zijn overtuiging steeds vaster, niet in het minst door de debatten met zijn ambgenoot Gomarus, die een zeer geleerd man was met een scherpe overtuiging. Het gebeurde dat beiden werden ontboden om voor de Staten van Holland in Den Haag of voor de Hoge Raad hun zienswijzen te verdedigen. Het conflict werd daardoor niet minder. Te midden van deze moeilijkheden stierf Arminius in 1609 aan de tering.

De Remonstrantie

De Remonstranten ontvingen hun naam doordat zij in 1610 een remonstrantie (= betoog tegen iets, protest) indienden bij de Staten van Holland. Hun kerkgenootschap heet tot op de dag van vandaag de “Remonstrantse Broedergemeenschap”. Dit protest bevatte de vijf voornaamste stellingen van hun geloof. Het werd in 1610 opgesteld in Gouda door aanhangers van Arminus, onder andere Episcopius en de hofprediker van Prins Maurits, Wtenbogaert.1

De vijf stellingen, die we hieronder laten volgen, weken af van de Gereformeerde leer.

  1. Verkiezing op grond van voorgezien geloof; (dus de leer van de praedestinatie)
  2. Algemeenheid der voldoening;
  3. Vrije wil of althans kracht van de verdorven wil ten goede;
  4. De Goddelijke genade niet onweerstandelijk;
  5. Afval van de gelovigen2.

De leer van de praedestinatie (= uitverkiezing) is de kern van de strijd die toen gevoerd werd en vormt het hart van het Calvinisme. Praedestinatie zegt dat het geloof een gave van God is, die Hij schenkt naar Zijn soeverein welbehagen aan wie Hij wil. De Remonstranten ontkenden niet dat het geloof een gave van God is, maar leerden dat dit afhankelijk is van de vrije beslissing van de mens, of hij dit geloof zal aanvaarden of niet. Het ging dus toen wel om heel belangrijke dingen. Onder invloed van landsadvocaat Oldenbarnevelt is het accent op het politieke deel komen liggen, namelijk dat de Staten het recht hadden niet alleen kennis te nemen van deze kerkelijke kwesties maar ook beslissingen mochten nemen in deze dingen. De overheid werd grote leidingsbevoegdheid toegekend door Wtenbogaert, de opsteller van de Remonstrantie. De Remonstranten wilden dat de Staten een Hollandse synode zou leiden, waar de belijdenis zou worden herzien en zij meer ruimte zouden krijgen voor hun visies.In 1611 hebben de Gereformeerden een Contra -Remonstrantie ingediend. Zij wilden een Nationale synode om te besluiten dat de belijdenis gehandhaafd zou worden.

Oldenbarnevelt werd ten onrechte als een erge Armeniaan (dit woord werd toen vaak als scheldwoord gebruikt) beschouwd. Hij was, net als de meeste regenten, eerder libertijn (vrijdenker) dan Remonstrant. Zij wilden eigenlijk een volkskerk met een ruime belijdenis die plaats kon bieden aan de verschillende groepen Protestanten. Tegenover de nog altijd grote macht van Rome, zij het op dat moment latent aanwezig, moest geen verdeeld Protestantisme staan. Deze eenheid kon alleen gewaarborgd worden, wanneer er een krachtige autoriteit (in hun ogen de staat dus) de verschillende groepen naast en bij elkaar wist te houden. Daarin waren zij het eens met de Remonstranten. Het had eigenlijk meer met kerkpolitiek te doen en niet met de leer van de Remonstranten1.

Wel heeft Johan van Oldenbarnevelt ronduit verklaard: “Het gezag van de Staten over kerkelijke personen en zaken heb ik altijd voorgestaan, als een principaalste en nodigste hoogheid en recht van het land”2.

De kerkenorde van 1591

Slijkgeuzen

Oldenbarnevelt was blijkbaar niet voor niets advocaat. Dit komt hierin tot uitdrukking dat hij de kerkenorde van 1591 weer te berde bracht. Deze “Hollandse kerkenorde” maakte de kerk aan de staat ondergeschikt en gaf zelfs bij het beroepen van predikanten de plaatselijke overheden een beslissende stem. Echter was deze kerkenorde nooit definitief ingevoerd1.

De openlijke verklaring van Johan van Oldenbarnevelt: “Het gezag van de Staten over kerkelijke personen en zaken heb ik altijd voorgestaan, als een principaalste en nodigste hoogheid en recht van het land”, spreekt in dit alles boekdelen2.

Oldenbarnevelt zag door de invoering van de “Hollandse kerkenorde” de mogelijkheid dat hierdoor men overal op vreedzame wijze predikanten zou kunnen worden beroepen. Daarom werd in 1612 besloten dat de regenten van elke stad de bevoegdheid hadden om zich bij het beroepen van predikanten alvast aan de kerkenorde van 1591 te houden. Zo kregen (en namen) de regenten in de steden de vrije hand om Remonstrantse predikanten de gemeenten op te dringen. Op het platteland deden ambachtsheren hetzelfde. Hiervan zijn verschillende voorbeelden bekend. Zo nam de invloed en kracht van de Remonstranten toe en ontstond er zelfs een soort vervolging van de contra-Remonstranten. In Rotterdam bijvoorbeeld werd ds. Geselius door het stadsbestuur afgezet. Toen hij daarna in de huizen predikte, werd hij door schout (= gerechtelijk ambtenaar van stad of district) en die leiders uit de stad geleid.

De regenten uit Schoonhoven maakten het wel helemaal bont. Zij keerden zich met harde hand tegen de dolerenden (dat zijn de Contra-Remonstranten) toen deze zich kerkelijk afzonderlijk gingen organiseren. Een loods waarin zij hadden vergaderd, werd op last van de stedelijke autoriteiten tot de grond toe afgebroken. Dit werd door de zakkendragers gedaan die daarvoor “eene vereeringhe van twee halve vaten biers” ontvingen. Ook werden vijf mannen die verkozen waren tot ouderlingen en diakenen van de dolerende kerk door de magistraten onder druk gezet om hun ambt op te geven. Toen zij dit weigerden werden zij “ontpoortert”, dat betekende dat zij het burgerrecht van de stad verloren. Ook mochten zij hun handel niet meer drijven en kregen een forse boete als zij zich direct of indirect tot hun kerkelijk ambt lieten gebruiken.

Wordt D.V. vervolgd

BRONNEN:
1. “Dispereert niet”, A. en H. Algra;
2. Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk.
3. Om nog meer te begrijpen van de strijd om de Nationale synode geen doorgang te laten vinden en waarom, verwijs ik u naar “Dispereert niet” (deel II), waar u mijns inziens een boeiend, duidelijk en betrouwbaar relaas hierover vindt. Hoe het verder allemaal ging kan ik u in het bestek van dit artikel niet allemaal vertellen, maar ik hoop u toch een beetje nieuwsgierig gemaakt te hebben. Ook kunt u daar lezen hoe het verder verliep met Oldenbarnevelt, zijn vonnis en terechtstelling, alsmede de rol van de geleerde Hugo de Groot. Met toestemming vermeld ik deze gegevens (en ongetwijfeld met instemming) van uitgever van Wijnen verwijs ik u naar deze geweldige historische kraker (info@uitgeverijvanwijnen.nl).

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM