3 weken geleden

Psalm 46 vers 2 en 3

“God is ons een toevlucht en kracht; Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden. [1] Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van plaats en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.”

 

Grote feiten moeten grote gevolgen hebben. Als God onze toevlucht en kracht is en een alom aanwezige hulp in moeilijkheden, dan moeten wij niet vrezen al zou de aarde worden weggenomen en de bergen in het midden van de zee worden verplaatst. Waar geloof stelt ons in staat Hem te zien die onzichtbaar is. Als wij geloven in de grote feiten waarover wij spreken, dan zullen de grote gevolgen plaatsvinden. 

“Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet. Daarom is mijn hart verblijd” (Ps. 16:8-9). Als we Hem voor ons stellen, zullen we ons verheugen. “De HEERE is mijn kracht en mijn schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd en ik ben geholpen. Daarom springt mijn hart op van vreugde en zal ik Hem met mijn lied loven” (Ps. 28:7).

Evenzo is de zekerheid van onze behoudenis te danken aan de zekerheid van grote feiten. Christus is om onze overtredingen overgegeven en tot onze rechtvaardiging opgewekt. “Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus” (Rom. 4:25; 5:1). Niets kan verandering brengen in het feit dat Christus onze grote Hogepriester is, die de geheiligden voor eeuwig heeft volmaakt. Daarom, zegt de apostel, hebben wij “vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus” (Hebr. 10:14, 19).

Laten we niet op een automatische manier over grote bijbelse waarheden spreken zonder ze te waarderen, ons toe te eigenen en in het goede ervan te leven – anders worden we “klinkend koper of een schelle cimbaal” (1 Kor. 13:1). Zulke feiten moeten we op onze knieën lezen, in ons hart koesteren en in ons leven tot uitdrukking brengen. Zo niet, dan worden ze het soort kennis dat ons opblaast. Mogen wij met de psalmist zeggen: “Uw getuigenissen zijn wonderen, daarom zal mijn ziel die in acht nemen” (Ps. 119:129).

 

NOOT:
1. De Staten Vertaling (SV) leest hier: “Hij is krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheden.” Eén van de critici maakt bezwaar omdat “bevinding” een woord is dat een belangrijke plaats inneemt in de geschriften van Reformatie en Nadere Reformatie. Dat is juist, maar dan gaat het specifiek om het zelfstandig naamwoord, en niet om het werkwoord, laat staan om het voltooid deelwoord daarvan. “Bevonden” in de zin van “gebleken” is in deze constructie weinig gebruikelijk meer. Het komt wel voor met een bijvoeglijk naamwoord als bepaling van gesteldheid erbij, zoals in de uitdrukking “te licht bevonden”, maar nauwelijks meer in de constructie die we in dit vers aantreffen. En zelfs al had de HSV voor “bevonden” gekozen, dan had men alsnog om grammaticale redenen de woorden “te zijn” moeten toevoegen. Het gebruik van het woord “blijken” maakt de zin een stuk minder omslachtig.

 

A. M Behnam

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW