1 jaar geleden

Psalm 23: Verleden tijd, tegenwoordige tijd en toekomst

Psalm 23

1. Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets.
2. Hij doet mij neerliggen in grazige weiden, Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3. Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam.
4. Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
5. U maakt voor mij de tafel gereed voor de ogen van mijn tegenstanders; U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.
6. Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven. Ik zal in het huis van de HEERE blijven tot in lengte van dagen.

Psalm 22 toont ons een volbracht werk. De Goede Herder heeft zijn leven voor Zijn schapen overgegeven. Tijdens de drie uren van verzoening, toen de verschrikkingen van het oordeel van God over Hem komen moesten, heeft Hij niet de troost gehad die in Psalm 23 het deel van de Zijnen is. “U bent met mij”, getuigt de verloste, die door het dal van de schaduw van de dood gaat (vs. 4). De Heiland daarentegen moest het uitroepen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten”. Net als zo veel van de antwoorden op dit “waarom”, zo herinnert ook het einde van Psalm 22, waar de meeste werkwoorden in de toekomstige tijd staan, aan de veelvuldige gevolgen van het werk van het kruis. Deze gevolgen begroet hier de Verlosser, die vooraf in de verschillende klassen van de geredde personen reeds de rijke en volstandige vrucht van de verschrikkelijke arbeid van Zijn ziel ziet.

Psalm 23 spreekt over het heden. “De HEERE is mijn Herder”. Aldus wordt de nabije aanwezigheid en de duurzaamheid van de betrekking vastgesteld, dat is gebaseerd op het lijden van Psalm 22. Het resultaat van deze relatie is: Ik ben er zeker van dat het mij aan niets ontbreekt. Hij, Die in Psalm 22 de macht van Zijn liefde toonde, die gisteren alles gedaan heeft tot redding van mijn ziel, kan daarom nu alles doen om aan mijn huidige behoeften te voldoen, op grond van dezelfde macht en dezelfde liefde. Maar, hoewel het waar is, dat het mij aan niets ontbreekt, is de tijdsvorm van het werkwoord “ontbreken” hier niet de tegenwoordige tijd, als een eenvoudige conclusie die ik trekken kan. Het is ook niet in de verleden. De passende dankbaarheid die de Heer voor Zijn trouwe zorg in het verleden toekomt, laat mij echter, als ik terugkijk, vaak zeggen dat het mij aan niets ontbrak. Maar daar spreekt niet de dankbaarheid, echter het geloof, en daarom hebben we hier de toekomstige tijdsvorm. “… mij ontbreekt niets”, getuigt de verloste die zijn Heer goed kent. En hoe gelukkig is de Goede Herder, daarop te kunnen antwoorden: “… en de mijnen kennen Mij” (Joh. 10:14).

De verzen 2 en 3 bevatten vier werkwoorden in de tegenwoordige tijd. Het huidige moment is die, waarin ik nodig heb om gevoed, verfrist, verkwikt en geleid te worden. Wat ik gisteren ontvangen heb, voldeed aan mijn behoeften van gisteren. Voor het huidige heb ik nieuwe steun nodig, omdat de Heer weet, dat, wanneer ik voorraden kon verzamelen, ik hierop vertrouwen zou en niet meer op Hem. Om deze reden moest het manna wel in de woestijn elke ochtend opnieuw door het volk verzameld worden. En zo is het ook met het spoor van de gerechtigheid, waarin de Heer mij leidt. Het is niet genoeg dat ik gisteren oprecht gewandeld heb, noch dat ik van plan ben het morgen te doen. De Heer heeft vandaag Zijn weg voor mij, een weg die ik misschien alleen moet inslaan, maar waarop Hij mij veilig leiden zal, doordat Hij mij Zelf daarin is voorgegaan. En laten we opmerken, dat het “omwille van Zijn Naam” is, dat Hij mij op dit “spoor van de gerechtigheid” wandelen laat, die temidden van een wereld vol van ongerechtigheid gebaand is. Het belangrijkste motief om onszelf voor de mensen goed te gedragen, is niet onze reputatie, ook niet het welzijn van anderen, maar de vrees van de Naam die wij dragen mogen, die mooie naam van Christus, die over de christenen uitgeroepen is. Wij zijn geroepen om Hem waardig voor de wereld te vertegenwoordigen. En dit getuigenis hebben we nu af te leggen.

Alle activiteiten van de herder, opgesomd in de verzen 2 en 3, zijn nodig, opdat mij daadwerkelijk niets ontbreekt. Maar in vers 4 wordt een omstandigheid genoemd, waardoor ik misschien niet te gaan heb: de wandeling door “het dal vol schaduw van de dood”, en daarom is het werkwoord wandelen hier in de voorwaardelijke wijs: “Al ging ik” – met andere woorden, als ik moet wandelen. De vallei van de dood kan in algemene zin worden begrepen als beeld voor een beproeving, die men door moet gaan, en 1 Petrus 1 vers 6 voegt er een beperking in: “zo nodig”. Want de Heer heeft ons zo zeer lief, dat Hij ons niet zou willen laten lijden als het niet absoluut nodig was. En als we deze vallei van de dood in letterlijke zin verstaan, dan herinneren we ons, dat hij overwonnen is. De gelovige die er door moet gaan, ervaart alleen nog de schaduw ervan, in afwachting van de opstanding. Maar zelfs deze dood van het lichaam, deze “weg van heel de aarde” (Joz. 23:14) zal uitzonderingen hebben. Een hele generatie van gelovigen – misschien van ons – zal in het ogenblik waarop de Heer Zijn gemeente halen zal, levend zijn. Ja, de voorwaardelijke wijs is hier in dubbel opzicht op haar plaats.

“Ik vrees geen kwaad”1 [eigenlijk: “Ik zal geen kwaad vrezen”]: een nieuw getuigenis van het geloof, en daarom is het werkwoord in de oorspronkelijke tekst in de toekomstige tijd! Hetgeen alle angst verre van ons houdt, zelfs in de nabijheid van de dood, is de kennis van de nabijheid van de Heer, als antwoord op de belofte in Jesaja 43 vers 2: “Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn”. Hier in Psalm 23 zou men verwachten “want U zult met mij zijn wanneer dit gebeurt”. Maar dit is niet zo: “U bent met mij”, verklaart de verloste. De nabijheid van Zijn Verlosser is een ervaring elk moment, in goede en in slechte tijden, voor, na en tijdens de beproeving. Merk op dat de belofte van de Heer Jezus waarmee het evangelie van Mattheüs afsluit, ook in de tegenwoordige tijd staat: “Zie, Ik ben met u alle dagen …”. De Ik ben, de Immanuël (God met ons) is er voor mij in de dagen dat alles eenvoudig is, alsook op de momenten van beproeving, indien het nodig is, dat ik hier doorheen moet gaan. Men heeft wel eens gezegd, dat dit “U bent met mij” het hart van Psalm 23 is.

De stok en de staf van de herder, of met andere woorden: de preventieve zorg en Zijn bescherming zijn eveneens tegenwoordige noodzakelijkheden. Nu heb ik nodig om tegen de vijanden van buitenaf, satan en de wereld, beschermd te worden; maar ook tegen de vijanden van binnenuit; het natuurlijke hart, dat naar het boze trekt. En mijn Herder kent, beter dan ik, de gevaren waaraan ik blootgesteld ben. Om te weten dat ik het voorwerp van deze aandacht en deze preventieve tuchtiging ben, is een tegenwoordige troost, een bewijs van mijn relatie als zoon en van de trouwe liefde, waarvan ik voortdurend  het voorwerp  ben (Hebr. 12:7).

In de woestijn heeft mijn God een tafel gereed gemaakt. We wachten niet tot we in de hemel zijn, om van de hemel te genieten! De vijand wil ons dat verhinderen, en we moeten niet vergeten, dat hij er is, naar ons kijkt en ons probeert te vangen. Maar om die vijanden bekommert God Zich, zolang we met “Zijn tafel”, met de zegeningen van boven bezig zijn. Wat deden Jozua en gans Israël als eerste in de vlakte van Jericho, onder de ogen van hun vijanden? Zij aanbaden en namen voedsel tot zich, met het oog op de komende strijd. Zij vierden het Pascha en aten van de opbrengst van het land (Joz. 5:10 en 12).

“U hebt mijn hoofd met olie gezalfd”2, gaat de psalmist verder, in deze psalm het enige woord in de voltooid verleden tijd. Deze zalving is een beeld van de Heilige Geest, dat eens voor altijd aan ons gebeurd is. We hebben niet, zoals bepaalde mensen beweren, een bijbehorende vernieuwing, een nieuwe uitstorting te verwachten. Het is de toestand van een tevreden hart: “Mijn beker vloeit over”, dat het gevolg is van deze zalving en staat in de tegenwoordige tijd. Dit omdat dit op elk moment mijn ervaring zijn kan: “Mijn beker”, dat is mijn tegenwoordige deel wat God mij geeft; ik ben geroepen om daarover helemaal tevreden te zijn, omdat het God is die het mij geeft. Hebreeën 13 vers 5 nodigt ons uit tevreden te zijn met wat er beschikbaar is, wat we op dit moment hebben. En als ik met de man van geloof uit Psalm 16 zeggen kan: “De Heere is mijn enig deel en mijn beker …” (Ps. 16:5), dan kan mijn beker zeker niet anders dan altijd vol zijn, en mijn vreugde is dan volkomen.

De toekomstige vorm van het geloof in het laatste vers herinnert me nog eens eraan, dat wanneer de Herder elke dag met mij is, mij dat, wat Hem kenmerkt – goedheid en goedertierenheid – mij op geen enkele dag van mijn leven ontbreken kan. Bij deze zekerheid in mijn pelgrimstocht komt, opnieuw in de toekomende tijd, mijn zekerheid met betrekking tot het einde van mijn levensloop erbij: “Ik zal in het huis van de HEERE blijven, tot in lengte van dagen”. Daar heb ik mijn huis. Hij die mij gered heeft, is met mij vandaag in de vallei waardoor ik wandel; morgen zal ik daar boven bij Hem zijn, in de rust van het Vaderhuis.

NOTEN:
1. Er zijn vertalingen die dit zo vertaald hebben, o.a. NBG. De HSV – die op deze site veelal gebruikt wordt, heeft: “Ik zal geen kwaad vrezen”.
2. “U zalft mijn hoofd met olie” staat er in HSV. Dit zou volgens de oorspronkelijke tekst moeten zijn – “U hebt mijn hoofd met olie gezalfd” (zie o.a.: Elberfelder Bibel; Franse Darby Vertaling).

Jules Kiehm, © Haltefest.ch, jaargang: 1978 – bladz. 57

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol