5 maanden geleden

Psalm 22 (4)

Psalm 22 vers 17-22

Wij hebben in de verzen 12-16 gezien hoe de leiders van het volk Israël – voorgesteld door de machtige stieren – de Heer Jezus veel leed hebben aangedaan. Nu spreekt Hij over honden die Hem omringen. Deze onreine dieren wijzen naar de Romeinse soldaten die ook de Heiland bespotten en geslagen hebben.

Aan het kruis geslagen

“Want honden hebben mij omsingeld, een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord” (Ps. 22:17).

Deze honden die de Heer Jezus omsingelden en deze menigte kwaaddoeners die Hem omgaven, worden beschreven in Mattheüs 27 vers 27-31: “Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus mee in het pretorium1 en verzamelden tegen Hem de hele legerafdeling. En na Hem ontkleed te hebben deden zij Hem een scharlaken mantel om; en na een kroon van dorens gevlochten te hebben zetten zij die op Zijn hoofd en een rietstok in Zijn rechterhand; en zij vielen op hun knieën voor Hem en bespotten Hem aldus: Gegroet, Koning der Joden! En zij spuwden op Hem, namen de rietstok en sloegen op Zijn hoofd. En toen zij Hem hadden bespot, deden zij Hem de mantel af en deden Hem Zijn kleren aan; en zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.” Zo wreed gingen de heidense soldaten om met hun Schepper, Die als Heiland van de wereld Zijn leven moest laten aan het kruis.

“… zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.” 

Dit gaat mij aan het hart! Deze handen waarmee Hij goed had gedaan, zieken had genezen, kinderen had gezegend, werden nu in hun werk gestopt! De barmhartigheid, de liefde en de genade van Zijn handen werden stilgelegd toen de soldaten ze met spijkers doorboorden en aan het kruis sloegen.

En de voeten? Zij spreken van Zijn wandel op aarde, die wij zo indrukwekkend beschreven vinden in de evangeliën. Steeds weer zien wij mensen aan Zijn voeten, zoals Maria van Bethanië, die driemaal aan de voeten van de Heer wordt aangetroffen. Daarmee toonden zij bovenal hun eerbied voor Hem, maar ook hun grote waardering voor Hem en de indruk die zij van Zijn wandel hadden.

Petrus was ook onder de indruk van de levensweg van zijn Heer op aarde. Zo roept hij ons toe: “… omdat ook Christus voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u Zijn voetstappen navolgt” (1 Petr. 2:21). Hijzelf volgde de Heer Jezus dag na dag gedurende drie jaar en was in staat om het volmaakte gedrag van zijn Meester te observeren. Maar op de plaats van Golgotha werd aan deze wandel een einde gemaakt toen boze mannen de voeten van de Heiland doorboorden en ze aan het kruis spijkerden.

De apostel Petrus schrijft in zijn tweede brief, dat alle werken op aarde zullen worden verbrand (2 Petr. 3:10). Al het kwaad dat de mensen hier hebben gedaan en nog zullen doen, zal verdwijnen. Maar de boze daden die zij de Heer Jezus aan het kruis hebben toegebracht, zullen eeuwig zichtbaar blijven: zowel het doorboren van Zijn handen en voeten als het doorboren van Zijn zijde met een speer zullen eeuwig aan Hem te zien zijn. Deze littekens blijven voor altijd op onze Heiland, want Hij droeg ze op Zijn opstandingslichaam en wij zullen ze zien op het lichaam van Zijn heerlijkheid.

Het doorsteken van Zijn handen en voeten spreekt van het lijden van de Heer Jezus aan het kruis. De doorboorde zijde wijst op de resultaten van Zijn werk. Toen de soldaat Zijn zijde doorboorde met een speer, kwam er bloed en water uit. Johannes, die erbij stond en het zag, getuigt in zijn evangelie met grote zekerheid van dit feit (Joh. 19:34,35). In 1 Johannes 5 vers 6-12 verwijst hij ernaar en toont hij de heerlijke gevolgen die voor gelovigen voortkomen uit de dood van de Heer Jezus.

Onbeschaamd kijken

“Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij” (Ps. 22:18).

Nu spreekt de Heer opnieuw over de inwerking van het kruis op Zijn lichaam: “Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen.” Terwijl Hij vreselijk leed, keken de mensen Hem zonder schaamte aan. Dit is de betekenis van de tweede zin: ”en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.” Zelfs de heidense soldaten keken schaamteloos op naar de lijdende Heiland, Die vreselijk leed onder de kruisiging.

Zijn kleding

“Zij verdelen mijn kleding onder elkaar en werpen het lot om mijn gewaad” (Ps. 22:19).

Nadat de soldaten de Heer Jezus hadden gekruisigd, verdeelden zij Zijn kleding onder elkaar en wierpen het lot over Zijn kledingstuk. Deze handeling heeft een geestelijke betekenis. De klederen spreken van Zijn heerlijkheden die Hij als Mens in Zijn leven op aarde tentoonspreidde. Het is de moeite waard om deze morele schoonheden van onze Heer in de evangeliën te zoeken. In Zijn jeugd had Hij een diep verlangen om in de tempel te zijn, tegelijkertijd was Hij onderworpen aan Zijn ouders. Dit zijn heerlijkheden! Later zien we hoe Hij de mensen tegemoet trad in liefde en genade, hoe Hij geduldig Zijn discipelen verdroeg, hoe Hij Zich genadig wendde tot de lijdenden. Denk maar aan het verhaal van de barmhartige Samaritaan, die de Heer Jezus voorstelt! Hij kwam bij de man die gewond en halfdood aan de kant van de weg lag. Hij verbond zijn wonden, legde hem op zijn eigen dier en bracht hem naar de herberg. Deze morele heerlijkheden worden uitgebeeld door de kleren die de soldaten van Hem afnamen, waardoor Zijn heerlijkheid werd aangetast.

Het kledingstuk was naadloos, geweven van boven naar beneden. Het spreekt over Wie de Heer Jezus is als de eeuwige Zoon van de Vader. Wij weten dat de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Mens is geworden en op aarde heeft geleefd. Hij heeft vele titels die ook in het Nederlands ongeveer hetzelfde klinken: de eigen Zoon, de enige Zoon en de eniggeboren Zoon van de Vader. Deze heerlijkheden zijn afgebeeld in het gewaad waarover de soldaten het lot wierpen. Zij trokken ook dit kleed van Hem af. Het volk was niet bang om de heerlijkheid van de geliefde Zoon van de Vader aan te tasten.

Een noodkreet tot God

“Maar U, HEERE, blijf niet ver weg; mijn sterkte, kom mij spoedig te hulp” (vs. 20).

In Zijn diepe lijden aan het kruis, wendde de Heer Jezus Zich tot Zijn God. De nood in Zijn hart was zo groot dat Hij uitriep: “… kom mij spoedig te hulp.” Hierin zien we opnieuw Zijn volledig vertrouwen in Zijn God. Hoewel Hij door Hem verlaten werd in de drie uren van duisternis, wankelde Zijn vertrouwen in God geen seconde.

Het oordeel van God en de macht van Satan

“Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame ziel van het geweld van de hond” (Ps. 22:21).

Aan het kruis ontmoette de Heer Jezus enerzijds het zwaard en anderzijds de hond. Het zwaard wijst naar het Goddelijk oordeel en de hond naar de macht van Satan.

Petrus wilde de Heer Jezus vergezellen op de weg naar het kruis. Hij verklaarde: “Heer, ik ben bereid met U zelfs in [de] gevangenis en in [de] dood te gaan” (Luk. 22:33). Hij kreeg als antwoord: “Waar Ik heenga, kun je Mij nu niet volgen” (Joh.13:36). Niemand kon de Heer Jezus volgen toen Hij vanwege de zonde en voor onze zonden het Goddelijk oordeel inging. Niemand kon Hem volgen toen Hij de macht van Satan ontmoette in de dood en deze vijand versloeg. Dit zijn de twee grote feiten hier gepresenteerd door het zwaard en door de hond.

“Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame ziel van het geweld van de hond.” Dat was Zijn roep naar God! Hoe Hij de macht van Satan aan het kruis ontmoette en de vijand versloeg, wordt geïllustreerd in de strijd tussen David en Goliath. Wij lezen in 1 Samuël 17 vers 41-43: “De Filistijn kwam gaandeweg dichter bij David, en de man die zijn schild droeg, liep voor hem uit. Toen de Filistijn opkeek en David zag, verachtte hij hem; want hij was nog maar een jongen, rossig en knap van uiterlijk. De Filistijn zei tegen David: Ben ik een hond, dat je met stokken naar mij toe komt? En de Filistijn vervloekte David bij zijn goden.” Goliath noemt zichzelf een hond en de Heer Jezus zegt hier: “Red … mijn eenzame ziel van het geweld van de hond.”

In Hebreeën 2 vers 14 en 15 staat: “Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun leven door  aan slavernij onderworpen waren.” De Heer Jezus versloeg de duivel met zijn eigen wapen, namelijk door de dood. Dit is ook duidelijk in de strijd tussen David en Goliath. De reus is niet door de steen omgekomen die David weggeslingerd heeft. Geraakt in het voorhoofd door de steen, viel hij op de grond. Maar toen ging David en nam het zwaard van Goliath en hakte er zijn hoofd mee af. Hij versloeg hem met zijn eigen wapen. Het was hetzelfde aan het kruis. De Heer heeft door de dood de duivel verslagen, die de macht van de dood had.

Reeds toen de mens in zonde viel, zei God tegen de slang: “En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen” (Gen. 3:15). Dit werd vervuld aan het kruis, toen Jezus Christus de dood in moest gaan om de duivel te overwinnen.

De bedreigingen van de vijand

“Verlos mij uit de muil van de leeuw” (vs. 22).

De leeuw, net als de hond, wijst naar de duivel. Het laat zien, dat de vijand probeert te intimideren door dreigementen. We vinden dit bij Paulus toen hij zich moest verantwoorden voor Caesar. Wij lezen in 2 Timotheüs 4 vers 17: “Maar de Heer heeft mij bijgestaan en gesterkt, opdat de prediking door mij ten volle vervuld zou worden en al de volken haar zouden horen; en ik ben uit [de] leeuwenmuil gered.” De vijand stond tegenover deze trouwe dienaar en bedreigde hem met de dood. Hij wilde dat Paulus zou zwichten en zijn geloof zou herroepen. Maar hij is er niet in geslaagd. De apostel kon zeggen: “ik ben uit [de] leeuwenmuil gered.” Omdat de Heer hem bijstond, verloochende hij zijn geloof niet.

In tijden van vervolging, is dit een reële verleiding. In het naburige dorp waar ik woon, werden ten tijde van de reformatie twee mannen om hun geloof gevangen genomen en met de dood bedreigd. Als ze het herroepen hadden, zouden ze vrijgelaten zijn. Toen bezochten twee geloofsbroeders uit Zürich de gevangenen om hen aan te moedigen trouw te blijven tot in de dood. Zij bleven inderdaad standvastig – en werden gedood. Korte tijd later werden de twee gelovigen uit Zürich gevangen genomen en ook met de dood bedreigd. Toen verloochenden zij hun geloof en werden vrijgelaten. Zo is de mens!

Maar onze Heer Jezus bleef standvastig onder de dreiging van de dood. Hij was de trouwe getuige tot het einde! We lezen hierover in Openbaring 1 vers 5: “Jezus Christus, de trouwe getuige, de eerstgeborene van de doden.” Hij bleef trouw in Zijn getuigenis voor God, ondanks bedreigingen en ging daarvoor in de dood. Hij is niet de Enige die voor Zijn trouw aan God Zijn leven heeft moeten geven. Al in het Oude Testament hielden trouwe gelovigen stand en leden daarvoor de marteldood. Ook in christelijke tijden bleven velen trouw aan het geloofsgetuigenis en werden daarvoor gedood.

De Heer Jezus was niet alleen de trouwe getuige, Hij is ook de “eerstgeborene van de doden.” We hoeven nog niet aan Zijn opstanding te denken. De betekenis van deze titel van onze Heer is, dat Hij de voornaamste is van allen die de dood hebben ondergaan vanwege hun trouwe getuigenis. Hij is de eerstgeborene of de oudste van allen die stierven vanwege hun geloof in God.

 

NOTEN:
1. De residentie van de Romeinse stadhouder; mogelijk het paleis van Herodes, zoals ook in Caesarea het geval was (Hand. 23:35); in Rome de keizerlijke garde (Fil. 1:13).

 

Max Billiter; © www.haltefest.ch

Jaargang 2022, nummer 4, bladzijde 3.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW