5 maanden geleden

Prediker (11)

Inhoud

Vers 1
Vers 2
Vers 3a
Vers 3b
Vers 4-5
Vers 6
Vers 7-8
Vers 9
Vers 10

Dit hoofdstuk zet, zij het vanuit een ander gezichtspunt, de leer van het vorige hoofdstuk voort. Het toont ons hoe een kind van wijsheid zich moet gedragen met het oog op de wegen van de Goddelijke voorzienigheid die voor hem verborgen zijn. Water, wolken, wind en licht (Pred. 11:1,3,4,7), die buiten de invloed van de mens liggen, en waarvan hij de richting niet kent, illustreren deze wegen. Daarom horen wij telkens weer de woorden: “U weet (kent) het niet” (Pred. 11:2,5,6), maar dit hoofdstuk eindigt met de enige kennis die de jongeman nodig heeft (Pred. 11:9). De geest die dit hoofdstuk bezielt, is geheel in overeenstemming met de grondgedachte van dit boek: De mens, wiens zintuigen de raadselachtige verschijnselen van de natuur waarnemen, is niet in staat de oorsprong ervan te doorgronden en stuit telkens weer op geheimenissen, die zelfs voor het grootste intellect gesloten blijven, zolang God het hem niet bekend maakt.

Zoals wij in ook andere passages van dit boek hebben gezien, zo zijn ook de gezegden van dit hoofdstuk niet beperkt tot de vermelding van uiterlijke feiten, maar zij bevatten een diepe geestelijke en voor alle tijden geldende betekenis, die alleen de Geest van God ons kan openbaren. Het beperken tot de tijd en de omstandigheden van Salomo, zou een miskenning zijn van het doel en het karakter van het Woord van God.

Evenals in het begin van het 7e hoofdstuk staan hier zeven vermaningen voor de zoon van de wijsheid, een volmaakte onderwijzing over dit bijzondere onderwerp, waaraan niets toe te voegen is.

Vers 1

“Werp uw brood uit over het water, want na vele dagen zult u het vinden.”

Het kind van de wijsheid moet, zonder onderscheid en schijnbaar zonder doel, zijn eigen brood, datgene wat hem tot voedsel dient, op het wateroppervlak uitstrooien. Dit lijkt de minst geschikte plaats ervoor, en men zou kunnen denken dat de wijze man, wanneer hij zo handelt, zijn brood zou hebben verloren. Het is duidelijk, dat deze passage betrekking heeft op de verspreiding van het Woord van God. De onrustige toestand van de wereld lijkt niet geschikt om het Woord van God te ontvangen, en de absolute onzekerheid over de plaats waarheen de wateren het zullen voeren, kan ons ertoe aanzetten het niet in het wilde weg te verspreiden. Maar wat wij moeten doen, is ons toevertrouwen aan de Goddelijke voorzienigheid, een wil die zijn doel en oogmerk nastreeft zonder ernaar te vragen of wij het weten. Het wil, dat we het Woord van het leven verspreiden zonder te overleggen. Na vele dagen zullen wij beloond worden voor onze gehoorzaamheid en beseffen, hoe God het bedoeld heeft. Wij zullen dan terugkrijgen wat wij eens toevertrouwden aan Hem, die Zijn Woord op de juiste plaats zal laten landen.

Zoals altijd overschrijdt de Prediker ook hier niet een aards beperkte tijd door te zeggen: “na vele dagen.” Maar wij kunnen verder rekenen, want wij oogsten in de eeuwigheid de vrucht van het Woord dat in deze wereld op de oppervlakte van de wateren is uitgestrooid. Zo was Paulus er ook zeker van, dat hij de vruchten van zijn arbeid zou oogsten bij de komst van de Heer Jezus. Hoe het ook zij, wij hebben hier het resultaat van het vertrouwen op de voorzienigheid van God; want hoe zouden wij kunnen terugvinden, wat wij op de wateren hebben uitgestrooid, als God het niet terugbracht?

Vers 2

“Verdeel het in zevenen of zelfs in achten, want u weet niet welk kwaad er over de aarde komen zal.”

Indien wij echter zelf aan de mensen, wetende wat hun behoeften zijn, hun voedsel moeten uitdelen, moeten wij dat ruimhartig doen. Dit woord gaat zeker verder dan de materiële betekenis, zoals het in de tijd van de Heer deed bij de vermenigvuldiging van de broden. Zeven, een volmaakt getal, moeten hun deel krijgen, en er moet nog een achtste overblijven. Alleen een verborgen Goddelijke macht is in staat de scharen te verzadigen en wat overblijft te gebruiken voor de voeding van anderen. Een dergelijke dienst van onze kant is noodzakelijk, zelfs dringend, want de tijd is kort. Wij weten niet wanneer de hongersnood over de aarde zal komen; het oordeel staat voor de deur. Het kan dichterbij zijn, dan wij denken, en dan zullen zij die hun deel niet hebben ontvangen, tot omkomen veroordeeld zijn.

Wanneer, zoals wij zojuist hebben gezien, de wijze man wordt aangespoord zijn hulpmiddelen zonder onderscheid ten dienste van allen te stellen, dan leert de wijsheid hem ook, dat het werk van de genade geheel van God afhangt.

Vers 3a

“Als de wolken vol zijn geworden, gieten zij regen uit op de aarde.”

In Lukas 12 vers 54 en 55 is de wolk die regen geeft aan de aarde het beeld van de genade, zoals de zuidenwind het beeld van het oordeel is. Ondanks alle ijdelheid die deze aarde vervult, is er genade. God zelf bezit vaten die Hij vult, bronnen die zegeningen uitstorten over deze aarde. Welk instrument God ook moge gebruiken voor dit doel, en welk vat Hij ook moge kiezen voor de mensen, het blijft niet minder waar, dat het geheel en al Zijn werk is. Alle opwekkingen zijn daar het beste bewijs van.

Vers 3b

“Of een boom naar het zuiden valt of naar het noorden, op de plaats waar de boom valt, daar blijft hij liggen.”

Elk ding heeft zijn doel in de plannen van God. Het lijkt misschien louter toeval, wanneer een boom naar het zuiden of naar het noorden valt, maar een aan de mens onbekende wil heeft zijn val zijn richting gegeven. Maar deze bescherming wordt alleen genoten door hem, die weet hoe hij er voordeel uit moet halen. De boom blijft liggen waar hij gevallen is, wie kan de reden vertellen? Bij de wolken is het voordeel duidelijk, maar hier bij de boom blijft de vraag “waarom” onbeantwoord.

Vers 4-5

“Wie op de wind blijft letten, zal niet zaaien. Wie naar de wolken blijft kijken, zal niet oogsten. Evenmin als u weet wat de richting van de wind is, of hoe het gaat met de beenderen in de buik van een zwangere vrouw, evenmin kent u het werk van God, Die alles maakt”.

De mens heeft geen macht over de wind en de wolken; God doet ze ontstaan, want Hij is het die alle dingen maakt. Wij kennen de weg van de wind niet, noch kennen wij de mysteries van de geboorte. Deze waarheden volgen uit wat in het begin van dit hoofdstuk is gezegd. Alle onderzoek en observatie, om het gunstigste ogenblik voor zaaien en oogsten te onderscheiden, zou tijd verliezen van de werkzaamheid waartoe God ons vermaant. Hoe zouden wij, die slechts werktuigen in Zijn handen zijn, durven beweren, dat wij wind en wolken kunnen bevelen! “De wind waait waarheen hij wil,” zegt de Heer, “en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heengaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is” (Joh. 3:8). Wij kennen “het werk van God, Die alles maakt” niet, maar dat mag ons er niet van weerhouden te zaaien of te oogsten.

Vers 6

“Zaai uw zaad in de morgen en trek uw hand in de avond niet terug. U weet immers niet of dit zal slagen of dat, of dat het allebei goed zal zijn.”

Dit vers is nauw verbonden met het vorige. Wij moeten ’s morgens en ’s avonds, op heel verschillende tijdstippen, zonder onderscheid van uur, zaaien. Het één of het ander – wie anders dan God weet het – misschien zelfs beide, zal de verhoopte oogst voortbrengen. Men toont geen gebrek aan inzicht door zo te handelen, maar kinderlijk vertrouwen in de leiding van de Goddelijke voorzienigheid en afhankelijkheid van het werk van  de genade.

Vers 7-8

“Het licht is aangenaam, en het doet de ogen goed de zon te zien. Ja, indien de mens vele jaren leeft, laat hij zich dan al die tijd verblijden, maar laat hij ook denken aan de dagen van duisternis, want die zullen er veel zijn. Al wat nog komt, is een zucht.”

Er zijn aangename dingen in deze wereld, en de Prediker ontkent dat geenszins. Men kan zich verheugen in het licht, dat het ons doet zien en waarderen. Maar als men ouder wordt, realiseert men zich, dat het verleden ons vele “dagen van duisternis” heeft gebracht. Zo overziet men zijn leven, waarvan het laatste woord “ijdelheid” is. Dit is een nutteloze zaak, want niets houdt stand, niets gaat voorbij zonder sporen na te laten, die niet uiteindelijk aan het verleden ten prooi vallen. Deze gedachte leidt ons naar het volgende vers.

Vers 9

“Verblijd u, jongeman, in uw jeugd, en laat uw hart vrolijk zijn in de dagen van uw jeugd. Ga in de wegen van uw hart en volg wat uw ogen zien, maar weet dat God u over dit alles in het gericht zal brengen.”

Er zijn twee conclusies in het hele boek Prediker. Dit vers vormt het eerste, terwijl we het tweede vinden in het volgende hoofdstuk, in Prediker 12 vers 13 en 14. Hoe dikwijls heeft Prediker niet het beginsel herhaald, dat het genot van het stoffelijk leven, de zogenaamde “levensvreugde,” te prijzen schijnt! Zelfs voor een illusieloos, oprecht hart, dat de schoonste dingen van deze wereld bedorven, vervormd en gebrandmerkt ziet door geweld, omkoperij, het omkeren van alle morele beginselen, lichtzinnigheid, zorgeloosheid, sluwheid en dwaasheid, zijn er toch sommige goede dingen, bepaalde, ongetwijfeld tijdelijke genoegens, vreugden en genegenheden, beminnelijke dingen, die een jong mens kunnen bekoren, zoals de “de weg van een man bij een meisje” (Spr. 30:19).

De Prediker, wiens wijsheid al deze dingen heeft onderzocht, zegt tot hem: “Ga in de wegen van uw hart en volg wat uw ogen zien” (zie Pred. 2:24; 3:12; 5:18; 8:15; 9:7). Maar er is een ernstig “maar” aan het einde van deze genoegens: “Maar weet dat God u over dit alles in het gericht zal brengen.” God zal van u rekenschap vragen van elke toegeeflijkheid, en u vragen: Voor wie en waarvoor hebt u geleefd? Niet alles is tot deze aarde beperkt, want er is een God, en deze God is een Rechter. Dit is een van de fundamentele waarheden van Prediker: u zult voor uw Rechter moeten verschijnen. Hier wordt geen woord van genade genoemd, maar het is opvallend dat dit hoofdstuk, dat aanvankelijk in beeldspraak over de genade spreekt – een bijna unieke verschijning in Prediker – eindigt met het oordeel, dat hij al in Prediker 3 vers 17 noemde. Met dit vreselijke woord besluit Prediker ook zijn boek. Deze taal is zeer ernstig en veelbetekenend. De wijze man heeft zijn naam niet verdiend als hij, temidden van de ijdelheid waaraan hij alle dingen onder de zon ziet onderworpen, niet inziet, dat enerzijds de mens onder de heerschappij van het kwaad het werktuig van de genade kan zijn, maar dat anderzijds het ogenblik komt, waarop God van ieder mens rekenschap zal eisen van zijn leven en van zijn meest onbeduidende daden, ook al lijkt het misschien alsof Hij de dingen op hun beloop laat, zonder Zich daarmee bezig te houden.

Vers 10

“Weer dus de wrevel uit uw hart, en doe het kwade weg uit uw lichaam. De jeugd en jonge jaren* zijn immers een zucht.”

In vers 9 sprak de Prediker tot de jongeman over blijdschap en geluk, terwijl hij hem liet zien, dat alles eindigt met het oordeel. In vers 10, waarmee dit hoofdstuk wordt afgesloten, spoort hij hem aan de ontevredenheid uit zijn hart en het kwaad uit zijn lichaam te verwijderen. Kindertijd en jeugd zijn ijdelheid, zonder doel of duur, nutteloos en tijdelijk, zonder een spoor na te laten. Oordeel aan de ene kant, ijdelheid aan de andere kant, dat is het lot van de mens in de ogen van de wijsheid. – De dageraad! Hoe zeer vergist zich de jongeling in het begin van zijn leven! Alles is zo prachtig! Is er iets mooiers dan een zonsopgang? Belooft het niet alle vreugden van een lange dag? In het 12e hoofdstuk zullen wij echter het einde van het leven zien met al zijn vergissingen en teleurstellingen. Misschien is het leven lang geweest en zeer rijk aan inhoud, maar toch eindigt het met een doodskist. Is de Prediker, die aan het einde van zijn ervaring gekomen is, niet gerechtvaardigd te zeggen: “De dageraad is ijdelheid”?

 

* Eigenlijk ‘het zwarte haar.”

Henri Louis Rossier; © RM Hückeswagen

Online in het Duits sinds: 13.03.2006; geactualiseerd: 12.03.2018; www.soundwords.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW