7 maanden geleden

Prediker (10)

Inhoud

Vers 1
Vers 2-3
Vers 4
Vers 5-7
Vers 8-9
Vers 10
Vers 11
Vers 12-15
Vers 16-17
Vers 18-19
Vers 20

Er moet opgemerkt worden, dat het eigenlijke onderwerp van Prediker eindigt met het 9e hoofdstuk en pas weer aan de orde komt bij de conclusies aan het einde van het 12e hoofdstuk. De slotverklaring van het negende hoofdstuk was, dat de arme wijze, die een grote verlossing tot stand had gebracht, verworpen werd en dat niemand zich hem meer herinnerde. Hoe volkomen stemt dit overeen met de sombere ervaringen van de Prediker, en met de grondgedachte van het boek, dat ons niet toelaat de toekomst binnen te dringen! De gevolgen van de verwerping van de “Arme”, die voor ons christenen de resultaten zijn van het werk van Christus, worden hier in stilte overgeslagen.

De hoofdstukken 10 en 11 krijgen weer op een heel bijzondere manier het spreekwoordelijke karakter dat van hoofdstuk 4:5 tot hoofdstuk 7 al prominent aanwezig was. Dit karakter overheerst hier, om ons opnieuw te doen komen tot het oordeel in hoofdstuk 11 vers 8 en vers 10, dat “al wat nog komt is een zucht”. Het bijzondere onderricht van deze twee hoofdstukken is, dat men het onderwijs van de wijsheid niet zonder ernstig gevaar negeren kan.

Het tiende hoofdstuk behandelt in het bijzonder de positie van koningen en van hen die met hoogwaardigheid bekleed zijn. De wijsheid stelt de norm voor hun morele waarde, maar laat iedereen op zijn plaats in relatie tot dit gezag.

 

Vers 1

“Een dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten. Zo doet ook een kleine dwaasheid met kostbare wijsheid en eer.”

Een kleine dwaasheid, een schijnbaar onbeduidend gebrek aan wijsheid, is voldoende om de positie aan te tasten van hem die tot dan toe erkend was in de leiding van de mensen vanwege zijn wijsheid. Deze constatering geldt voor alle leeftijden. De wens om een overhaast besluit te nemen, dat niet in overeenstemming is met de gebruikelijke wijsheid en de vroegere reputatie, doet de loopbaan van iemand die aan de macht is gekomen ineenstorten. Een heel glorieus leven wordt zo vernietigd en blijkt nutteloos.

Vers 2-3

2. “Het hart van een wijze is tot zijn rechterhand, maar het hart van een dwaas is tot zijn linkerhand.
3. Ook wanneer de dwaas op de weg loopt, ontbreekt zijn verstand: hij zegt tegen iedereen dat hij een dwaas is.”

De wijze heeft zijn hart waar het gewoonlijk niet is, namelijk aan zijn rechterkant, opdat de voornemens van zijn hart onmiddellijk door daden kunnen worden gevolgd. De dwaas echter, die het aan wijsheid ontbreekt, heeft zijn hart op zijn natuurlijke plaats; maar hij maakt het niet tot de drijfveer van zijn handelingen, en geeft geen nuttig doel aan zijn handelingen. Zelfs zijn gewone gedrag, dat voor ieder mens natuurlijk is, verraadt dezelfde onstandvastigheid en bewijst openlijk zijn dwaasheid.

Vers 4

“Als de geest van de heerser zich tegen u keert, verlaat dan uw plaats niet, want het is een medicijn, het voorkomt grote zonden.”

Nu wendt de wijsheid zich tot haar kind en schrijft hem het gedrag voor, dat hem past tegenover de overheid. Hier, zoals in het hele hoofdstuk, gaat de heerser in de fout. De oorzaak van zijn boosheid wordt niet genoemd, maar zijn onrust wordt voorgesteld als iets heel slechts, waartegenover het kind van de wijsheid zich kalm toont. Zal hij ontstemd zijn over onrechtvaardigheid, of zijn rechten doen gelden tegenover hem, die ze met voeten treedt? Integendeel, zij heeft slechts twee dingen te doen:

  1. Haar plaats van eerbiedige onderwerping aan een autoriteit te behouden, wiens daden “grote zonden” worden genoemd;
  2. zachtmoedigheid te tonen, de staat van de ziel, die niet op haar rechten staat, maar ze over laat in de handen van hem die ons onrecht aandoet.

Niets doet meer om de uitbarstingen van de kwade natuur te stoppen, dan zulk gedrag. Zo verzamelt de christen zelf vurige kolen op het hoofd van hen die hem kwaad toewensen.

Vers 5-7

5. “Er is een kwaad dat ik gezien heb onder de zon, een soort dwaling die van de machthebber afkomstig is:
6. de dwaas wordt op grote hoogten geplaatst, maar de rijken zitten in de laagte.
7. Ik heb dienaren te paard gezien en vorsten die als dienaren te voet over de aarde gingen.”

Nogmaals, het kwaad zit aan de kant van de heerser. Hij weet niet hoe hij de hoogwaardigheidsbekleders moet uitkiezen die, volgens een Engels spreekwoord, “de juiste man op de juiste plaats” moeten zijn. Hoge posities worden toevertrouwd aan onbekwamen, omdat de heerser handelt zoals hij wil, hetzij uit gebrek aan kennis van de menselijke natuur, hetzij uit begeerte zijn gunstelingen te bevoordelen, hetzij om een andere reden. Het gevolg daarvan is, dat zij die vanwege hun fortuin in het uitvoeren van zaken veel meer geneigd zouden zijn tot belangeloosheid, “in de laagte” zitten. De rollen zijn dus omgedraaid: dienaren pronken met hun arrogantie en macht, en vorsten hebben hun positie verloren, waarin zij nuttig konden zijn en anderen konden leiden.

In de verzen van Prediker 10 vers 8-15 verlaat Prediker het onderwerp koningen en heersers, om te laten zien waar de bedoelingen en wegen van de mens toe leiden in tegenstelling met de door God gegeven wijsheid.

Vers 8-9

8. “Wie een kuil graaft, zal erin vallen. Wie een gat slaat in een muur, een slang zal hem bijten.
9. Wie stenen lostrekt, zal daardoor bezeerd worden. Wie hout klooft, zal daardoor gevaar lopen.”

Ten eerste handelen deze verzen over slechte en goede bedoelingen in onze handelingen jegens onze naaste. Een kuil graven betekent een val zetten. Hoe vaak ben je zelf al in een val gelopen, waarvan je wilde dat anderen erin trapten! (verg. Spr. 26:27.) Het afbreken van een muur is het wegnemen van grenzen, een verraderlijke daad die op een dag de boze in staat zal stellen in te breken in het eigendom van zijn naaste. De duivel gebruikt deze dingen om hem te gronde te richten, die zichzelf wil verrijken ten koste van anderen. – Anderzijds kunnen de bedoelingen prijzenswaardig zijn, maar de gebeurtenissen hangen af van de middelen die men gebruikt. Zulke inspanningen zijn niet nuttig voor anderen en brengen onszelf in gevaar.

Vers 10

“Als het ijzer bot wordt en iemand slijpt de snede niet, dan moet hij meer kracht zetten. Het voornaamste om te slagen is wijsheid.”

Men kan een stomp stuk gereedschap in handen hebben om er gebruik van te maken; het is echter pas echt bruikbaar en vergt geen inspanning in het gebruik wanneer men de snijrand heeft geslepen. Kan dit woord niet worden toegepast op de wijze, waarop men het woord van God gebruikt? Het verstand en het begrip van de mens maken de rand alleen maar stomp. Het is de wijsheid, de gave van de Geest van God, die haar scherpt, haar nut verleent, en haar in het geweten doet doordringen.

Het kan niet vaak genoeg herhaald worden, dat al deze gezegden een morele en een geestelijke kant hebben, en dat de verklaring ervan alleen aan de wijsheid toekomt. De wijsheid van boven heeft ze ons door de mensen gegeven, en dezelfde wijsheid legt ze ook uit. We hebben hier een voorbeeld van.

Vers 11

“Als de slang vóór de bezwering bijt, heeft de meesterbezweerder geen nut.”

Dit woord zinspeelt op de tong van de mens. Het is een slang die alleen door de kracht van de bezweerder, de geest die hem in toom houdt, kan worden verhinderd te bijten (Jak. 3:8).

Vers 12-15

12. “Woorden uit de mond van een wijze zijn aangenaam, maar de lippen van een dwaas verslinden hemzelf.
13. Het begin van de woorden uit zijn mond is dwaasheid en het laatste uit zijn mond boosaardige zotternij.
14. De dwaas gebruikt veel woorden, maar de mens weet niet wat er gebeuren zal. Wat er na hem zal gebeuren, wie zal het hem bekendmaken?
15. Het zwoegen van de dwazen maakt hen moe, omdat zij niet weten hoe zij naar de stad moeten gaan.”

Hier worden de gedachten voortgezet waarmee we sinds het 10e vers bezig zijn. Wij vinden hier opnieuw hoe heilzaam de woorden van de wijze zijn, in tegenstelling tot die van de dwaas, die hem tot verderf brengen, want zij beginnen met dwaasheid en eindigen met onzin. De dwaas gebruikt veel woorden, voorziet de gebeurtenissen niet, kent de toekomst niet en weet zelf de weg niet die hem zou leiden naar de plaats waar hij de nodige kennis zou kunnen verkrijgen. Er naar informeren is te veel moeite voor hem.

Vers 16-17

16. “Wee u, land, als uw koning een kind is, als uw vorsten ’s morgens maaltijd houden.
17. Gelukkig bent u, land, als uw koning een zoon van edelen is en uw vorsten op de juiste tijd maaltijd houden, tot versterking en niet om zich te bedrinken.”

Deze verzen leiden ons terug naar het hoofdonderwerp van dit hoofdstuk. Zij spreken over de tegenslagen die volgen op de heerschappij van een onervaren koning, wiens prinsen hun hoge positie gebruiken om hun eigen lusten te bevredigen. Vervolgens stellen zij ons het geluk voor van een land, dat geregeerd wordt door een edele koning, waarvan de vorsten er alleen op uit zijn om hun macht te behouden, om die te gebruiken voor het welzijn van de staat.

Vers 18-19

18. “Door grote luiheid zakt het gebinte ineen. Door slapheid van handen gaat het huis lekken.
19. Men richt maaltijden aan om te lachen, wijn verblijdt de levenden, en het geld verantwoordt alles.

Aan de andere kant leidt de luiheid van de heerser spoedig tot de ondergang van het huis. Hun verslaving aan materiële genoegens maakt hen hebzuchtig naar het geld, waarmee ze kunnen worden verkregen.

Vers 20

“Vervloek zelfs in uw gedachten een koning niet en vervloek een rijke niet in uw slaapkamer, want de vogels in de lucht zouden het geluid mee kunnen voeren: wat vleugels bezit, zou het woord bekend kunnen maken.

Het kind van de wijsheid zal nooit het gebod van gehoorzaamheid aan den koning overtreden, noch degenen die het voorrecht van rijkdom bezitten, de verschuldigde eer ontzeggen. Hij zal noch de een noch de ander vervloeken, want het gerucht zou zich snel verspreiden en spoedig de oren van de machthebbers bereiken.

 

Henri Louis Rossier; © RM Hückeswagen

Online in het Duits sinds: 13.03.2006; geactualiseerd: 22.02.2018;
www.soundwords.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW