2 maanden geleden

Overdenking over 2 Thessalonika (9)

Aantekeningen bij de overdenking van de 2e brief aan de Thessalonikers

Hoofdstuk 3 (vervolg)

Inleidende opmerkingen over de verzen 6-15

In het gedeelte van hoofdstuk 2 vers 13 tot hoofdstuk 3 vers 5 wilde de apostel eerst de belangstelling van de Thessalonikers voor de inzettingen, het Woord van God, opwekken en versterken (hfdst. 2:15). Vervolgens tracht hij hun belangstelling op te wekken voor het werk van de Heer en de dienaren van de Heer (hfdst. 3:1). En hoofdstuk 3 vers 5 richt de belangstelling op God Zelf, op Zijn liefde en op de volharding van de Christus. Heeft de overdenking van deze verzen ook in ons opnieuw belangstelling voor deze dingen kunnen wekken? Als ons hart werkelijk op deze dingen is gericht en alle hindernissen zijn weggenomen, dan zal ongeregelde wandel nooit het resultaat zijn.

Vanaf dit vers 6 behandelt Paulus het echte probleem van de Thessalonikers, de ongeregelde wandel van sommigen van hen. In verband met 1 Thessalonika kunnen wij dit duidelijk opvatten als een verwijzing naar de gelovigen die niet met eigen handen werkten, maar op iemands zak leefden (1 Thess. 4:10-12). Alleen met grote voorzichtigheid kunnen deze verzen worden toegepast op andere zaken in de gemeente, als er eenstemmigheid is in het oordeel dat het ook om een ongeregelde wandel gaat. In de context van deze twee brieven gaat het echter duidelijk om het niet willen werken. Luiheid is een kwaad dat zowel in het OT als in het NT als zodanig wordt veroordeeld (bijv. Spr. 6:6). God gaf de mens vanaf het begin taken; al in de hof van Eden moest hij de tuin bewerken en onderhouden (Gen. 2:15). Dit was een duidelijk bevel om te werken, zelfs voordat de zonde in de wereld kwam.

Het is de vervulling van het menselijk leven om te werken (Spr. 12:27). Werk is een geschenk van God en daarom ook een zegen waarvoor we dankbaar moeten zijn. Maar elke gave van God komt ook met een verantwoordelijkheid, en bij werk is dat niet anders. Zelfs de laagste dienst van een gelovige slaaf heeft het niveau van dienst voor de Heer Christus (Kol. 3:24). Er zijn echter twee probleemgebieden met betrekking tot onze verantwoordelijkheid voor het werk:

  1. We zouden werk als gave van God kunnen verwaarlozen; dit was het probleem van sommige gelovigen in Thessalonika en wordt in deze verzen behandeld; laks zijn, lui zijn, niet willen werken;
  2. we zouden kunnen overdrijven met werk; dat is ook een zwaarwegend probleem van onze dagen. De werkdruk is voor velen van ons zeer hoog. Als men zijn verantwoordelijkheden op het werk wil vervullen, bestaat snel het gevaar, dat men volledig opgaat in het werk.

De duivel gebruikt zowel het een als het ander om ons op de een of andere manier van het rechte pad af te brengen en tot een wanordelijke wandel te verleiden. Het is een moeilijke evenwichtsoefening voor ons; waar vind je de tijd om je bezig te houden met het Woord, met het werk van de Heer, met wat je voor de Heer wilt doen? De werkende broeders in Korinthe werd verteld, dat zij altijd overvloedig moesten zijn in het werk van de Heer (1 Kor. 15:58).

In de ogen van God is het verwerpelijk om lui te zijn met betrekking tot het dagelijkse werk voor het eigen levensonderhoud of dat van het gezin! De eerste taak van ieder mens in zijn aardse leven is te werken voor zijn eigen behoeften, zijn brood te verdienen door zijn eigen werk. De pogingen van de mens om zijn werk door machines te laten doen om zelf meer vrije tijd te winnen, leiden er bijna altijd toe, dat deze gewonnen tijd wordt opgevuld met vreemde dingen. En dit gevolg is een van de grootste gruwelen in de ogen van God. Als zoiets dan ook bij christenen gevonden wordt, is dat een ontkenning van alles wat God hem gegeven heeft om hier op aarde als een hemelse getuige voor Hem te zijn. En omdat dit zo beschamend is voor een christen, gebruikt de apostel in dit hoofdstuk vier keer de uitdrukking, dat hij iets iets beveelt met betrekking tot zulke wanordelijke mensen (vs. 4, 6, 10 en 12). Het gaat daarbij helemaal niet om een geestelijke zaak, maar om de geestelijke behandeling van een zeer trieste ontwikkeling op aards terrein. Daarom moeten we deze kwestie zeer serieus nemen! Een ander gezichtspunt is, dat wij door ons eigen werk ook in staat worden gesteld iets te geven aan de behoeftigen (Ef. 4:28). Paulus schrijft dit aan de Efeziërs, en hij had deze kant ook bij hen laten zien toen hij in Efeze met zijn handen werkte voor de noden van degenen die bij hem waren (Hand. 20:34,35). Dit is ook een aansporing om onze dagelijkse taken met ijver te vervullen.

De apostel schijnt reeds tijdens zijn verblijf in Thessalonika iets van deze neiging onder de broeders en zusters te hebben gezien, want tijdens zijn verblijf van niet meer dan vier weken had hij hun reeds in dit opzicht bevolen hoe zij zich moesten gedragen. De oorzaak van dit gedrag was echter zeker niet de verwachting van de komst van de Heer Jezus. Maar door het feit, dat hun was verteld dat de dag van de Heer reeds was aangebroken, dachten zij dat het dagelijkse werk niet meer nodig was; zij lieten zich verleiden om niet meer te werken en hebben dan kennelijk ten koste van anderen geleefd. Dit is een slechte toestand, en daarom volgt, praktisch als een herhaling van deze mondelinge bevelen in zijn 1e brief aan de Thessalonikers, een schriftelijke herhaling van deze instructies (1 Thess. 4:10-12; 5:14). Dan wordt de trouwe gelovigen van Thessalonika hier in 2 Thessalonika 3 vers 6 verteld zich te onttrekken aan hen die ongeregeld wandelden. Daarbij gaat het om een zeer persoonlijke reactie, wat betekent dat er naast het gemeenschappelijk breken van het brood er geen broederlijke, persoonlijke omgang meer met zulken kon zijn. Maar dan, in vers 12, worden de betrokkenen rechtstreeks aangesproken en ernstig vermaand. En pas daarna, toen zelfs deze gebiedende vermaning geen effect had, moesten deze wanordelijken in het openbaar voor de gemeente worden aangeklaagd (vs. 14+15).

“Maar wij bevelen u, broeders, in [de] naam van <onze> Heer Jezus Christus, dat u zich onttrekt aan iedere broeder die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting die zij van ons ontvangen hebben” (vs. 6).

Het punt van deze verzen is dus wanordelijk wandelen, waarbij iemand niet wil werken en zich ten koste van anderen bedruipt. Dat is niet wat God wil. En we moeten in gedachten houden, dat de gemeente van God geen kwaad kan dulden, omdat de Heer Jezus in hun midden is. We moeten niet alleen de grove vormen van het kwaad aanpakken, maar ook de subtiele. Wat de kwestie van tucht betreft, zijn er twee gevaren onder ons:

  1. Ten eerste bestaat het gevaar, dat we voor al het wangedrag dat in de gemeenten naar voren komt, niets anders weten dan uitsluiting. In de praktijk passen we vaak geen mildere vormen van tucht toe.
  2. Het andere probleem is, dat wanneer er echte redenen zijn voor uitsluiting, we het niet doen, omdat we denken dat we er de kracht niet voor hebben of omdat we gewoon bang om zijn deze stap te zetten.

In ieder geval hebben we wijsheid en afhankelijkheid nodig om tot het juiste oordeel te komen – en dat is niet altijd gemakkelijk. Er is veel gebed nodig en ook een nederig wachten tot de Heer duidelijkheid geeft.

Hoe ga je nu om met zulk wangedrag? Het bevel van de apostel Paulus dat de Thessalonikers zich moesten terugtrekken van de ongeregelden onder hen werd gedaan in het volle gezag van de persoon van de Heer, Hij wordt hier bij Zijn volledige titel genoemd. Dit is het begin van de tuchtmaatregelen tegen dergelijke ongeregelden. Ook het onttrekken is al tucht, maar het is nog niet de handeling van de aanduiding uit de verzen 14 en 15. Hier gaat het erom, dat men met zulke mensen geen praktische christelijke gemeenschap meer kan onderhouden, met uitzondering van de gemeenschap aan de tafel van de Heer; een eenvoudige groet bij de samenkomsten is echter nog wel mogelijk. Dit moet twee gevolgen hebben: de betrokkenen moeten beseffen, dat zij zich op een verkeerd pad bevinden, en de overigen mogen zich niet door dit ongeregeld gedrag laten beïnvloeden, want “verkeerde omgang bederft goede zeden” (1 Kor. 15:33).

Wat is het verschil tussen onttrekken in vers 6 en tekenen in vers 14? We moeten daarbij zien tot wie de Heer de betreffende woorden spreekt. In vers 6 spreekt Hij tot de gemeente als zodanig, tot de broeders en zusters in het algemeen met betrekking tot iemand die ongeregeld wandelt. Dan is het de taak van de broeders en zusters – zeer zeker na het aan de betrokkene te hebben voorgelegd – zich van zulken te onttrekken. Dat is de persoonlijke consequentie voor de individuele broeders en zusters in de plaats. Wanneer ik mij persoonlijk terugtrek van een ‘ongeregeld’ persoon, bevindt die persoon zich nog te midden van de voorrechten van de broederlijke gemeenschap. We laten de persoon persoonlijk weten, dat we het niet eens zijn met zijn gedrag, dat we het veroordelen en ons daarom persoonlijk van de persoon terugtrekken. In het geval van persoonlijke terugtrekking is er geen mededeling aan de gemeente tot vers 14. Deze terugtrekking is een beroep op ons geestelijk onderscheidingsvermogen en vervolgens ook vastberadenheid om dit te erkennen en door het vermijden van elk persoonlijk contact – behalve aan de tafel van de Heer – hen geen ruimte te geven om te doen alsof dit normaal is en dat men zo te midden van gelovigen zijn leven kan leiden.

In vers 12 richt de Heer zich dan rechtstreeks tot hen die niet willen werken en zich op hulp van anderen willen verlaten; hen wordt bevolen hun eigen brood te eten. Pas dan komt vers 14, waar de Heer zich opnieuw tot de gemeente richt en, voor het geval deze ongeregelden zich niet aan de wil van God onderwerpen, de gemeente oproept zo iemand te tekenen. Dan was tucht noodzakelijk. Tucht heeft overigens altijd als doel, naast het handhaven van de eer van de Heer, dat iemand gewonnen wordt, dat er herstel komt. Vers 6 kan in die zin een tussenfase zijn vóór vers 14. Paulus schreef deze brief nu ook aan hen in de hoop dat door hoofdstuk 3 vers 12 de ongeregelden tot inzicht zouden komen. Maar zo niet, dan moesten de Thessalonikers een stap verder gaan en de betrokkene ook openlijk brandmerken door hem te tekenen.

Paulus heeft het hier over een inzetting. Dit was geen oude traditie, maar een waarheid die de apostel door de Heer was toevertrouwd en die hij aan de Thessalonikers had doorgegeven. En er hoeft nu niets te worden overgeleverd, want we hebben het volledige Woord van God; maar het is aan ons om deze inzettingen vast te houden.

Praktische vraag: Zijn wij ook onderworpen aan het oordeel van onze omgeving als het gaat om ongeregelde wandel? Wij moeten betamelijk en in wijsheid wandelen voor hen die buiten zijn (1 Thess. 4:12; Kol 4:5). De mensen van deze wereld om ons heen hebben een heel andere maatstaf dan wij. Maar ook al leven ze zelf niet meer volgens onze beginselen, toch valt het hen steeds weer op wanneer een christen volgens hun zienswijze handelen zou, en veroordelen ze dit als niet in orde. Er is daarom veel wijsheid nodig om deze kwestie te beoordelen, maar er zijn gevallen waarin we het oordeel van de wereld niet zomaar terzijde kunnen schuiven. Bijvoorbeeld wanneer een slechte zaak onder ons, die alleen in de wereld bekend en zichtbaar is, alleen aan het licht wordt gebracht door de wereldse mensen om ons heen. Maar als het slechts om geruchten en van horen zeggen gaat, moeten we er heel voorzichtig mee zijn. Het gaat bij deze vraag ook om de principiële overweging hoe voorzichtig we moeten zijn wanneer we van de uitlegging van een passage overgaan op de toepassing van die passage. Sommige toepassingen van een bijbelpassage hebben niets meer te maken met de passage zelf.

“Want u weet zelf hoe men ons moet navolgen omdat wij ons onder u niet ongeregeld gedragen hebben; wij hebben bij niemand brood voor niets gegeten, maar met arbeid en moeite werkten wij nacht en dag om niemand van u een last op te leggen” (vs. 7+8).

De Thessalonikers wisten precies hoe zij zich in het dagelijks leven moesten gedragen, omdat Paulus hen deze dingen niet alleen had voorgehouden, maar ze ook had voorgeleefd. Hij kon zichzelf zeker presenteren als een voorbeeld van een eervolle wandel. Hij had niet ongeregeld onder hen gewandeld; integendeel, hij had zelfs gewerkt voor zijn eigen levensonderhoud, hoewel hij het recht zou hebben gehad om van het evangelie te leven (1 Kor. 11:11-15). Hij had nacht en dag gewerkt om niemand van de Thessalonikers een last op te leggen (1 Thess. 2:9). In zijn beroep als tentenmaker (wie rabbi wilde worden onder de Joden moest vooraf een vak geleerd hebben. Daarom was Paulus tentenmaker geworden en kon hij met zijn eigen handen werken voor zijn levensonderhoud) moet hij in de nacht bij lamplicht zijn tenten hebben gemaakt, en dat deed hij niet alleen voor zichzelf maar ook voor de broeders die met hem in het werk van de Heer werkten. Prachtig getuigenis van een dienaar van de Heer!

Voor onordelijk ‘leven’ staat in dit vers een andere uitdrukking in het Grieks dan voor onordelijk ‘wandelen’ in de verzen 6 en 11. In dit vers betekent het eigenlijk onordelijk ‘zijn’. In alle drie de verzen is het onordelijke element aanwezig, maar wanneer Paulus spreekt over de onordelijken onder de Thessalonikers, schrijft hij over een onordelijke wandel, en wanneer hij hier over zichzelf spreekt heeft hij het niet over een wandel, maar over dat hij niet onordelijk geweest is, niet onordelijk geleefd heeft. Hier is het een meer algemene uitdrukking.

Thessalonika behoorde tot de gemeenten in Macedonië (Filippi, Thessalonika, Beréa) waarvan Paulus in 2 Korinthe 8 vers 1 en 2 aanwijzingen geeft over hun diepe armoede. De Thessalonikers waren dus duidelijk geen welvarende mensen, ze hadden een laag financieel niveau. Maar zelfs in slechte omstandigheden kan er een onordelijke verandering plaatsvinden door hen die in deze armoede nu ook nog traag waren. Dit is niet alleen een gevaar voor de rijke broeders en zusters. Niet voor niets zegt Agur: “Geef mij geen armoede of rijkdom; voorzie mij van het toegewezen deel aan brood” (Spr. 30:8).

“Niet dat wij er geen recht toe hebben, maar om onszelf aan u tot voorbeeld te stellen, opdat u ons navolgt” (vs. 9).

Het recht van de dienaar om van het evangelie of het geestelijk werk te leven bestaat overigens in principe ook vandaag nog. Maar tact, wijsheid en liefde kunnen ervoor zorgen, dat men deze dingen niet opeist. De Heer Jezus zelf had hierover gesproken toen hij de 12 en later ook de 70 discipelen uitzond, en maakte het tot een beginsel van God, dat zij niets mochten meenemen voor hun eigen levensonderhoud, want de arbeider is zijn voedsel respectievelijk zijn loon waardig (Matth. 10:10; Luk. 10,7). En het heeft zijn diepe betekenis, dat Paulus hier in Thessalonika er geen gebruik van had gemaakt. Hij kan de moeilijkheden die daar bestonden al hebben aangevoeld, en hij was wijs genoeg om onafhankelijk te blijven van elke zijde door met zijn eigen handen te werken.

“Immers, toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen: Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten” (vs. 10).

Een schijnbaar nogal hardvochtig woord. Maar het gaat niet om degenen die niet kunnen werken, maar om degenen die niet willen werken. Natuurlijk is luiheid een slechte zaak, maar meer nog moet een christen, zelfs in de eenvoudigste betrekkingen, Christus laten zien. Niet alleen de machtigste en grootste dingen zijn het bespreken of overdenken waard. Nee, het christendom begint heel eenvoudig, met de eenvoudigste dingen van het leven! Hoe de Heer Jezus dit aan ons dat voorgeleefd, die niet kwam om gediend te worden maar om te dienen (Matth. 20:28; Mark. 10:45). Natuurlijk gaat Zijn dienst oneindig veel verder dan de onze, Zijn overgave aan de dood was de hoogste daad van Zijn dienstbaarheid, maar de Heer Jezus was een Dienstknecht! Dat moest de houding van de Thessalonikers toen en moet ook van ons vandaag zijn.

Als zo’n ongeregeld persoon niet mag eten, dan betekent dit heel praktisch, dat wij hem niet mogen uitnodigen om te eten, noch hem voedsel mogen geven. Zo iemand mag niet eten, hij moet zich inspannen om weer door zijn eigen handen te kunnen eten. Als een heel gezin hierdoor getroffen zou worden, dan kunnen we natuurlijk niet het gezin in ons midden laten verhongeren, alleen omdat de vader en kostwinner zijn verantwoordelijkheid niet nakomt, maar moeten we dit gezin onderhouden.

“Want wij horen dat sommigen van u ongeregeld wandelen door niet te werken, maar zich met andere zaken te bemoeien1” (vs. 11).

Iemand uit Thessalonika moet naar Paulus zijn gekomen en hem deze dingen hebben bericht. In 1 Korinthe 1 vers 11 had hij iets gehoord van de huisgenoten van Chloë, ook dat er verdeeldheid onder hen was (1 Kor. 11:18). Is dit klikken? Nee, het gaat om de gemeente. Dit ging hier ook niet om een gerucht, maar om meerdere bevestigde getuigenissen, waarvan Paulus zeker kon zijn, dat ze waar waren. We moeten uiterst voorzichtig zijn met geruchten, we zijn te snel geneigd om geruchten als feit aan te nemen. Als een gemeente moet handelen, kan zij dat alleen doen op basis van getuigenissen en niet op basis van geruchten. Het ging bij deze berichten aan de apostel om enkele van de Thessalonikers, dus het was geen algemeen probleem daar, het waren er een paar, lang niet allemaal.

In het Grieks gebruikt Paulus hier een zekere woordspeling, waarbij hij eigenlijk zegt, dat deze onordelijken niets nuttigs doen, maar nutteloze dingen. Als men zich niet aan de ordening van God houdt en niet doet wat men behoort te doen, zal het resultaat altijd zijn, dat men zich met andere zaken bemoeit – met alle kwalijke gevolgen van dien, wat over het algemeen het gevolg is. In hun eigen zaken waren zij achteloos, maar als het ging om andere zaken – die hun echter niet aangingen – waren zij zeer ijverig en bedrijvig. Wie niet werkt en dus niets te doen heeft, loopt altijd het gevaar zich zorgen te maken over de dingen van anderen en zijn neus te steken in zaken, die hem eenvoudigweg niet aangaan. Als een kleine liefdevolle hint kan dit ook tegen onze gepensioneerden worden gezegd. Sommige gepensioneerden hebben meer te doen dan in hun beroepsleven, maar sommige gepensioneerden zijn ook daadwerkelijk lui. En laten we voor hen bidden, dat ze nuchter worden en zich niet met andermans zaken bemoeien.

“Zulke [mensen] nu bevelen en vermanen wij in [de] Heer Jezus Christus, dat zij rustig werkend hun eigen brood eten” (vs. 12).

Voor de vierde keer in dit hoofdstuk is er sprake van een bevelen van de apostel, maar in dit vers worden deze ongeregelden voor het eerst rechtstreeks aangesproken. De voorgaande bevelen waren steeds gericht tot de gemeente van de Thessalonikers in het algemeen. Voor de ongeregelden volgt nu een bevel van de apostel Paulus en een vermaning of aansporing in de naam van de Heer Jezus Christus hoe er gewerkt moet worden: namelijk in rust, dat wil zeggen gestaag en regelmatig. In vers 8 hadden we ijver gezien in verband met ons werk, hier wordt aangetoond dat werken iets is wat we gestaag en regelmatig moeten doen. Het is het Goddelijke principe, het normale geval, dat iemand die werkt zijn eigen brood eet, en anderen niet tot last is.

“Maar u, broeders, moet niet moedeloos worden in goeddoen” (vs. 13).

Deze zin, die eigenlijk zo abrupt voor ons staat, is een prachtig intermezzo tussen alle duistere gebeurtenissen die zich in ons leven kunnen voordoen. Men krijgt de indruk dat de gemeente in Thessaloniki onder deze toestand leed. Met dit vers wordt het gevaar van een te heftige reactie tegengegaan. Ze moeten het nu niet zover laten komen, dat ze moedeloos worden in het goeddoen. Ze waren al goed bezig met het goeddoen, en ze moesten het nu niet opgeven vanwege wat er in hun midden gebeurde. De mogelijkheid bestaat, dat wij teleurgesteld zijn in zo’n ongeregeld persoon en misschien in een zekere bitterheid jegens hem denken, dat hij zijn eigen situatie heeft veroorzaakt en dat hij er nu ook mee klaar moet komen. We moeten niet de oude natuur laten reageren, maar de nieuwe natuur.

In het Grieks betekent goed hier niet de uitdrukking voor de liefdadige werken die goed zijn voor anderen (agathos), maar kalos, dat goed in zichzelf betekent.

“Maar als iemand ons woord door de brief niet gehoorzaamt, tekent hem en gaat niet met hem om, opdat hij beschaamd wordt; beschouwt hem echter niet als een vijand, maar wijst hem terecht als een broeder” (vs. 14+15).

Ongehoorzaam zijn is opstandigheid, altijd het tegenovergestelde van wat zegen brengt. Gehoorzamen is altijd de bron van zegen, en ongehoorzaamheid leidt altijd tot rampspoed! Met zo iemand kunnen we geen christelijke omgang hebben. De christelijke gemeenschap kan daarom niet langer worden genoten met zulk een wanordelijk persoon. En dit moet dienen om hem te beschamen. Het moet bitter zijn wanneer men merkt, dat men niet meer welkom is in deze christelijke kring. Een eenvoudige groet is nog steeds mogelijk, maar meer ook niet.

Praktische vragen over tekenen:

• Wie tekent? Eén broeder alleen kan niet tekenen. Eenstemmigheid van de broeders die deze geestelijke beoordeling maken en vervolgens aan de hele gemeente voorleggen, is een belangrijke voorwaarde. Het tekenen wordt gedaan door broeders die de problematiek kennen en zich met de persoon bezig hebben gehouden; en deze broeders leggen het ook voor aan de gemeente. Dit zullen oudere, ervaren broeders zijn met een zeker moreel gewicht en geestelijke bekwaamheid. Door zo’n broeder wordt het aan de gemeente voorgelegd. En zodra dat gebeurt, zal de gemeente zich eraan houden en zich erachter scharen en die tuchtmaatregel erkennen en er kennis van nemen.

• Moet de gemeente ermee instemmen? Even belangrijk is echter ook de eenstemmigheid van alle broeders en zusters en de aanvaarding van dit oordeel en de instemming ermee; het moet door de hele gemeente gedragen worden. Als geestelijke broeders iets voorleggen aan de gemeente, dan zal de gemeente dat aanvaarden, dat is de normale gang van zaken. Het is in ieder geval niet zo, dat iemand, die moet worden getekend eerst moet worden voorgesteld en dat dit tekenen pas na een bepaalde tijd kan worden uitgevoerd. Moeilijkheden in de praktijk ontstaan wanneer een gemeente niet in een geestelijke staat verkeert en een dergelijk oordeel door sommigen wordt ondermijnd. Zouden wij in onze plaats in zo’n toestand verkeren om dat te doen wat de Heer van ons verwacht?

• Hoe zit het bij het tekenen met het boven plaatselijke aspect? Kan een aanbevelingsbrief nog worden afgegeven aan iemand die is getekend? Moet er in de aanbevelingsbrief naar de het getekend zijn worden verwezen? Helaas is het niet onmogelijk, dat iemand die in een plaatselijke gemeente is getekend, naar naburige gemeenten gaat en daar misschien zelfs steun probeert te krijgen. Dat is op zich al een aanwijzing, dat de betrokkene in zijn hart niet echt verbroken is. Als men wegloopt voor kastijding, zal men nooit slagen, dan zal die persoon ergens later toch slecht blijken te zijn.
Het is een moeilijke vraag, want als de persoon in onze plaats nog steeds in gemeenschap is aan de tafel van de Heer, dan is hij dat op elke andere plaats, en hoe zouden we hem dat kunnen ontzeggen door hem geen aanbevelingsbrief te geven? Het zou echter niet echt een aanbevelingsbrief zijn als we er in die brief op moeten wijzen dat de persoon een ongeregeld persoon is. Een aanbevelingsbrief is niet zomaar een certificaat of een identiteitsbewijs, dat je in gemeenschap bent en dat je later misschien zelfs moet inleveren als je het vergeten bent. We vertellen een andere gemeente niet alleen dat de persoon aan de tafel van de Heer plaats neemt, maar ook dat onbelemmerde gemeenschap met hem mogelijk is.
Het zou dus beter zijn de persoon in de plaats sterk aan te raden eerst plaatselijk orde op zaken te stellen, voordat hij naar andere plaatsen reist. Als men met ongeordende dingen reist en op andere plaatsen vriendelijk wordt ontvangen, kan dat snel tot verdeeldheid leiden. Wij moeten zo iemand door geestelijk onderricht duidelijk maken, dat hij nu niet vrij is om overal heen te reizen. Ook dit kan ertoe leiden dat die persoon tot inzicht komt.
Het is eigenlijk een zekere moeilijkheid en tegenstrijdigheid, dat iemand in zo’n staat nog brood mag breken. Want het breken van het brood is de uitdrukking van eenheid. En juist met deze uitdrukking van eenheid kan deze persoon niet echt tevreden zijn. Maar de genade van God laat de weg open voor zo iemand ter plaatse.

Dat we na het tekenen geen omgang hebben met die persoon zal in de praktijk niet veel anders zijn dan de persoonlijke onttrekking van vers 6. Onttrekken en geen omgang hebben zijn in de praktijk nauwelijks te onderscheiden. De persoon wordt nog steeds behandeld als een broeder, maar hij kan in deze toestand niet de voorrechten van de christelijke gemeenschap genieten. De enige omgang die nog mogelijk is, is die van terechtwijzing en deelname aan het avondmaal. Wij moeten ook niet nalatig zijn in deze vermanende terechtwijzing en ook zo’n onordelijke persoon opzoeken om hem te vermanen. Onze taak is hem terecht te wijzen; als hij het aanneemt, is het goed. Zij die het niet aannemen moeten in de plaatselijke gemeente worden aangemerkt als degenen die de Heer op dit punt niet welgevallig zijn.

Zo iemand is geen vijand van ons, noch een vijand van het kruis van Christus (Fil. 3:18), hoewel zijn gedrag wel al in die richting gaat. In ieder geval openbaart hij zich als een vijand van een waar getuigenis voor de Heer. Maar we moeten hem niet als vijand beschouwen, dat wil zeggen niet met menselijke haatgevoelens. De terechtwijzing die aan zo iemand moet worden gegeven, is werkelijke herderdienst door broeders, die daartoe in staat zijn. Ook hier wordt een verschil met uitsluiting duidelijk, waarbij we de persoon niet meer kunnen groeten of terechtwijzen. Hier is het nog steeds een broeder. In zo’n geval moeten we geen gevoelens van afkeer en vijandigheid in ons hart koesteren. De zaak zelf wekt zeker onze afkeer op, maar we mogen deze gevoelens niet overbrengen op de betrokkene en een broeder misschien helemaal niet meer als broeder zien. Het moet echte liefde zijn die ons doet gaan om nog eens met hem te spreken, want liefde is een sterke kracht, en soms heeft een woord van liefde ijzeren ketenen gebroken.

De getekende persoon blijft dus een broeder in gemeenschap aan de tafel van de Heer, maar er is sprake van afzijdigheid van de broeders en zusters met als doel herstel binnen de gemeente te bereiken. De persoon is niet uitgestoten, maar staat wel onder tucht.

Verschil tussen uitsluiting en tekenen: Uitsluiting is een handeling van de gemeente. Daarom wordt de persoon voorgesteld aan de gemeente en wordt, indien mogelijk, twee weken de tijd gegeven, zodat de gemeente zich kan verenigen met het oordeel van degenen die zich met de ziel hebben beziggehouden …

 

NOOT:
1. Eigenlijk een woordspeling: ‘door niet bezig te zijn maar te beuzelen.’

 

Achim Zöfelt; www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 10.10.2013.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW