3 maanden geleden

Overdenking over 2 Thessalonika (3)

Aantekeningen bij de overdenking van de 2e brief aan de Thessalonikers

Vervolg hoofdstuk 1

“… zodat wij zelf in u roemen in de gemeenten van God over uw volharding en geloof onder al uw vervolgingen en verdrukkingen die u verdraagt” (vs. 4).

Een andere kwalificatie ten opzichte van de eerste brief; daar kon Paulus zeggen dat de omringende volken hadden gesproken over de ingang die zij onder hen hadden gevonden; hier beroemt hij zich op de Thessalonikers in de gemeenten van God. Althans in de gemeente te Korinthe, van waaruit deze Thessalonische brieven werden geschreven, had Paulus op deze positieve ontwikkelingen bij de Thessalonikers geprezen. Ook heel verstandig van hem, dat hij blijkbaar niet over de zorgwekkende ontwikkeling en het negatieve onder hen had gesproken tegenover de broeders en zusters van Korinthe.

Tegen de achtergrond van vervolgingen en beproevingen groeide het geloof van de Thessalonikers, zij leefden in heel andere omstandigheden dan wij vandaag. Vanaf het begin hadden zij vervolgingen te verduren gehad (Hand. 17:1-9; 1 Thess. 1:6; 3:3), en de tweede brief geeft de indruk, dat deze beproevingen nog heviger waren geworden. En in deze vervolgingen hadden zij volharding en geloof getoond. Volharding betekent, dat zij het niet opgaven, dat zij er niet tegen in opstand kwamen; en geloof betekent, dat zij ook trouw bleven en stil bleven in deze moeilijkheden. Hun probleem was alleen, dat zij deze moeilijkheden verkeerd interpreteerden, dat zij er verkeerde conclusies uit trokken vanwege de verkeerde leer van de misleiders; namelijk dat zij geloofden, dat deze beproevingen reeds een zeker begin van de dag van de Heer zou zijn.

Twee passages in het Nieuwe Testament tonen twee totaal tegenovergestelde beoordelingen van gelovigen, die hier lijden en vervolging ondergaan vanwege hun trouwe getuigenis: Handelingen 22 vers 22 toont het oordeel van de mensen over zulke trouwe gelovigen: in hun ogen hebben deze gelovigen niet de waarde om hier op aarde in leven te mogen blijven. Hebreeën 11 vers 37 en 38 laat daarentegen zien, dat volgens Gods oordeel de wereld niet waardig is voor zulke trouwe gelovigen om erop te leven. Hij acht hen als het ware waardig om deel te nemen aan een andere wereld.

“… een bewijs van het rechtvaardig oordeel van God, dat u het koninkrijk van God waard geacht wordt, waarvoor u ook lijdt” (vers 5).

Het feit dat de Thessalonicenzen nu vervolgingen en beproevingen ondergingen, was het bewijs (het duidelijke teken) dat de dag van de Heer nog niet was gekomen. Want wanneer deze dag zou komen, zouden de rollen worden omgedraaid (vs. 6-8). Want dan zouden de huidige vervolgers de dan onderdrukten worden, en de huidige vervolgden zouden dan gaan heersen. Dat is de blik in de toekomst. De huidige beproevingen waren dus een duidelijk teken van Gods rechtvaardig oordeel, dat de gelovige Thessalonikers – en ook wij – het koninkrijk van God waard zouden zijn. Het oordeel op de dag van de Heer zal alleen ongelovigen treffen; dus als gelovigen nu vervolgingen en verdrukkingen moeten doorstaan, is dat een duidelijk bewijs, dat dit niet de dag van de Heer kan zijn. Wanneer de Thessalonikers dit nu moesten ondergaan, was dat een teken, dat dit nog niet het oordeel van de dag van de Heer kon zijn. Nu hielden ze stand in de kracht van de Heer omwille van het koninkrijk, en later zou er een verandering komen. Zo kon de apostel ook schrijven aan de Filippenzen, die ook niet bang waren voor hun tegenstanders, wat voor hen – de tegenstanders – een bewijs was van hun verderf (Fil. 1:28).

De discipelen in Handelingen 5 vers 41 verblijdden zich erover, dat zij waardig werden geacht smaad te dragen voor de Naam van de Heer. Dit zijn dezelfde mensen die door God voor het koninkrijk van God waardig worden geacht. In 1 Thessalonika 2 vers 12 wordt van God gezegd, dat Hij ons roept tot Zijn eigen koninkrijk en heerlijkheid; in Lukas 20 vers 35 wordt van de zonen van God gezegd, dat zij waard geacht zijn deel te hebben aan die wereld en aan de opstanding uit de doden. In Handelingen 14 vers 22 lezen we, dat wij door vele verdrukkingen het koninkrijk van God moeten binnengaan. Nu is het de tijd, dat wij de schande van de Heer Jezus en de verachting met Hem delen, maar God acht ons Zijn koninkrijk waard – niet van de hemel, maar van Zijn koninkrijk op deze aarde (1 Thess. 2:12). Zo zijn er voor ons verleende waardigheden; er is er maar Eén die waardig is in Zichzelf!

Het ondergaan van beproevingen en lijden is echter geen noodzakelijke voorwaarde waaraan wij moeten voldoen om deel te krijgen aan het koninkrijk van God, maar als zij ons overkomen, is dat naar Gods gedachten (2 Tim. 3:12). Ook hoeven we niet alleen aan vervolging te denken in termen van directe beproevingen; vervolging kan ook een ander karakter hebben. In Galaten 4 vers 29 wordt van Ismaël gezegd, dat hij Isaak vervolgde, en uit het historische verslag in Genesis 21 vers 9 leren we, dat Ismaël Izak bespotte. Bespotting is dus ook een vorm van vervolging. Hoe consequenter wij nu de kant van de verworpen Heer kiezen, hoe meer wij de spot zullen ervaren; dit geldt voor kinderen op scholen, voor jongeren op universiteiten, en ook voor hen in het beroepsleven. We moeten ons dus afvragen, of we zo weinig lijden te verdragen hebben omdat we ons te weinig direct aan de kant van de Heer Jezus plaatsen? Als we werkelijk de Heer willen volgen, zijn er ook in ons land gevallen, waarin gelovigen zware beproevingen moeten doorstaan. In Oost-Westfalen (Duitsland) lieten ouders hun kinderen uit geloofsovertuiging niet deelnemen aan lessen van seksuele voorlichting en moesten daarvoor de gevangenis in. Wij willen niet overhaast oordelen over zulke gelovigen die uit hun innerlijke overtuiging zulke wegen gaan. Waar wij tegenwoordig niet in de politieke correctheid passen en waar daardoor vijandigheid en verzet ontstaat, worden wij al snel fundamentalisten genoemd. Zijn we daar bang voor? Of zeggen we snel, dat men onderdanig moet zijn aan de overheid?

Het onderwijs van dit vers heeft absoluut niets veranderd in de concrete beproevingen van de Thessalonikers, de vervolgingen bleven hetzelfde. Maar ze beseften nu, dat hun lijden een heel ander karakter had dan ze ten onrechte hadden gedacht, en daarom konden ze dit nu beter begrijpen.

“… daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden” (vs. 6).

De wereld die vandaag deze verdrukking uitoefent, zal door het oordeel getroffen worden, wanneer de Heer Jezus verschijnt. God zal niet toestaan, dat Zijn Zoon hier op aarde alleen maar verachting ondergaat – op een dag zal Hij volledige erkenning krijgen. Dit hoofdstuk gaat helemaal niet over de hemel, alles zal op aarde plaatsvinden. De rollen tussen verdrukkers en verdrukten zullen dan inderdaad volledig omgedraaid zijn. Maar we zullen niet vergenoegd zijn over deze rolwisseling.

De uitdrukking ‘daar’ betekent zoveel als dat het zeker is, dat … Het is rechtvaardig van God, dat zij die nu de gelovigen kwellen, op een dag vergelding van Hem zullen ontvangen. Ook in Openbaring 16 vers 5 en 6 wordt Zijn oordeel als rechtvaardig genoemd; en zij die het bloed van de heiligen hebben vergoten, zijn waard dat oordeel te ontvangen. De rechtvaardige God ziet geen enkel onrecht over het hoofd, dat de Zijnen vandaag wordt aangedaan, maar bij ons zou daarbij geen gevoel van voldoening in moeten zitten, maar we zouden moeten bidden voor hen die ons vervolgen (Matth. 5:44). Als we zo zouden denken, zouden we weer verkeerd bezig zijn. Wij laten de vergelding over aan Hem aan wie de wraak toekomt (Rom. 12:19; Hebr. 10:30).

Dan is er overigens vergelding in twee opzichten: vergelding voor de onrechtvaardigen door oordeel (vs. 6) en vergelding voor de gelovigen door rust (vs. 7). Wat betreft de beproevingen van de Thessalonikers gebruikt de apostel in vers 5 een andere uitdrukking dan hier voor de beproevingen van hun onderdrukkers. De Thessalonikers hebben verdrukkingen verdragen, hun onderdrukkers zullen de verdrukkingen vergolden worden; bij de Thessalonikers waren de verdrukkingen geen vergelding, geen straf. Wat wij nu doorstaan is voor onze tuchtiging of opvoeding (Hebr. 12:7); maar wat de ongelovigen betreft, de God van vergeldingen (Jer. 51:56) zal hen vergelden voor wat zij hier aan schuld hebben opgestapeld. “Ja, er is loon voor de rechtvaardige! Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!” (Ps. 58:12). Hij zal dan een duidelijk onderscheid maken tussen de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen (Gen. 18:25; Jer. 46:28; Mal. 3:17,18).

Wordt DV vervolgd.

 

Achim Zöfelt; www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 08.10.2013.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW