14 jaar geleden

Wonder- en bijgeloof vandaag (I)

 Wonder- en bijgeloof vandaag

“Maandag is altijd een slechte dag”, dacht Sebastiaan, want maandag had hij les bij de heer Kaminski. “Zeg eens, ben je doof of zoiets?”, riep plotseling iemand. Hij draaide zich om en stelde vast, dat Tim achter hem langs liep, om – zoals iedere morgen – met hem samen naar de bushalte te gaan. Sebastiaan, helemaal in gedachten verzonken, had de stem van zijn vriend totaal niet gehoord. “Hoe kan dat nu”, dacht Tim, “dat hij vergeten heeft op mij te wachten?” Ze zaten al sinds het eerste schooljaar in dezelfde klas, hadden vanaf deze tijd vele dingen samen ondernomen en vreugde en leed samen gedeeld. Zo ook vorige zomer. Toen was Sebastiaan door Peter aangezet met zijn bromfiets door een bomkrater te rijden. Hij was daarbij gevallen en had zijn been gebroken. Tim had hem gedurende de tijd, dat hij in bed moest doorbrengen, vaak bezocht. Daarbij hebben ze ook over Daniël gesproken, wiens leven zij toen op de jeugdavond overdachten.

“Tim, klopt het eigenlijk wel, dat wat in de Bijbel staat; ik bedoel over die wonderen en zo?”

Intussen was Tim dichterbij gekomen en overstelpte Sebastiaan met vragen: “Waar was je gisteren? Wie was daar nog meer? Heb jij ook je huiswerk gemaakt?”

Sebastiaan, zoals altijd rustig en nadenkend, een betrouwbare vriend en een nauwgezette scholier, ging daarop helemaal niet in, maar vroeg terloops bezorgd: “Tim, klopt het eigenlijk wel, wat in de Bijbel staat; ik bedoel over die wonderen en zo?”

Tim was er immers ondertussen al aan gewend geraakt, dat Sebastiaan de laatste tijd bij onderlinge gesprekken nogal met de gedachten afwezig was, maar waaraan dat lag, was hem een raadsel.

Het was een reeks van gebeurtenissen geweest, die Sebastiaan in zijn huidige toestand gebracht hadden. Sebastiaan en Tim zaten sinds de zomervakantie in klas 11. In de afgelopen jaren hadden ze met mijnheer Müller tijdens hun lievelingsvak religie veel plezier gehad. Toen zij nu de mijnheer Kaminski kregen, die naast religie bij hen ook nog Duits moest geven, begonnen die moeilijkheden, welke zich dit weekeinde dramatisch toegespitst hadden. “Verlichting”, het gemeenschappelijke thema voor religie en Duits, had hij al in de eerste Duitse les genoemd en toen alles boven tafel gebracht, wat de leerlingen daarover wisten. In het schrift van Sebastiaan stond tenslotte:

Verlichting

Verlichting is een algemeen Europese beweging. Ze begon aan het eind van de 17e en het begin van de 18e eeuw, beïnvloedde alle levensterreinen en luidde het proces van de verwereldlijking van de moderne wereld in.

De Verlichting wil de mensheid van overleveringen, inrichtingen, overeenkomsten en normen, die niet verstandmatig te funderen zijn, bevrijden. Deze onafhankelijkheid heeft een basis: Het eigen verstand van de mensen.

De voorstanders van de Verlichting geloven in de onafhankelijkheid van het menselijk verstand. Zij is de enige en laatste instantie die over methoden, waarheid en dwaling van elke kennis beslist.

De uitwerking van de Verlichting is ten aanzien van de Bijbel tot op vandaag is: het conflict tussen verstand en openbaring.

De lijfspreuk van de Verlichting is: Heb moed om je eigen verstand te gebruiken.

Na deze korte inleiding hebben zich er velen voor geïnteresseerd, zijn standpunt te bepalen over de oorsprong van de denkwijze, die, zoals mijnheer Kaminski verklaarde, voor de moderne wereld van nauwelijks te overschatten betekenis is.

Naast de schriftelijke beantwoording van de vraag: “Wat is Verlichting?” (1784) van Kant, moest in Duits in het komende schooljaar Lessings “Nathan de wijze” behandeld worden. Daar in deze tijd ook het begin van de moderne Bijbelkritiek ligt, deed zich voor mijnheer Kaminski rechtstreeks de gelegenheid voor, haar ontwikkeling tot op vandaag met uitgekozen voorbeelden parallel met het vak religie te bespreken.

In verband met dit thema had hij op vrijdagmorgen bij de les religie kopieën uitgedeeld, die voor maandag gelezen moesten worden. De opgave bestond daarin, de hoofduitspraken van de tekst samen te vatten.

Nadat Sebastiaan tot de avond zijn standpunt ten aanzien van de teksten bepaald had, was in zijn overzicht het volgende te lezen:

De Bijbelkritiek

– De theoloog Gerd Lüdemann zegt dat de Bijbel noch het Woord van God noch de Heilige Schrift is, omdat zij vol met vergissingen staat. Hij “houdt niet alleen aan de inzichten en uitkomsten van de Bijbelkritiek vast, die in 200 jaar verworven werden, maar hij wil het ook onder het volk brengen”.

– De arbeid van moderne uitleggers zoals Lüdemannn funderen zich op de overtuiging, dat “geen enkel deel van het Nieuwe Testament door een ooggetuige geschreven” is.

– Vandaag hebben Bijbelkritici de meeste leerstoelen voor het Nieuwe Testament bezet, en theologiestudenten wordt al in het eerste semester bekend gemaakt, dat bij lange na niet alles zo geweest is, zoals het in de evangeliën staat.

– “Filtert men uit de boeken van het Nieuwe Testament de uitkomsten van de bijbelkritiek uit, zo leest men verreweg als een loochening de berichten in de evangeliën: Jezus heeft geen wonder volbracht en heeft noch Zijn dood en Zijn opstanding noch de verwoesting van de tempel aangekondigd, en ook andere vele dingen niet gezegd”.

Dat was Sebastiaan dan toch teveel. Hij begreep de wereld niet meer. Al op zondagsschool heeft hij altijd gehoord, dat de Bijbel het Woord van God is, door de Heilige Geest geïnspireerd. Nu echter heeft hij in beknopte vorm dat gelezen, wat mijnheer Kaminski al vanaf het begin van het schooljaar geprobeerd had over te dragen, namelijk dat men dat, wat in de Bijbel staat, eerst eens zal moeten betwijfelen. Wat men nu geloven kon en wat niet, wist hij in ieder geval niet meer. Wat moest hij toch doen?

Daar lagen dus Sebastiaans problemen. had Tim dit toch maar eerder geweten! Om dit uit te vinden had hij maandag tot en met donderdag nodig. Vrijdags op school had hij dan een idee. Hij zei tegen Sebastiaan: “Spreek toch eens met oom Hanno over deze hele kwestie. Die is toch altijd heel goed op de hoogte”.

Dat deed Sebastiaan dan ook. Hij belde zijn oom Hanno op en vroeg hem of hij zaterdagavond tijd voor hem had, en verklaarde kort zijn problemen. Omdat oom Hanno zich al langere tijd met soortgelijke vragen bezig gehouden had, was hij blij zijn neef te kunnen helpen, en stemde graag toe.

De volgende dag belde Sebastiaan precies om zeven uur bij zijn oom aan de deur. Zijn vroeuw, tante Sonja, opende, begroette hem vriendelijk en vroeg hem of zij met Anne en Wolf bij het gesprek aanwezig mochten zijn. Omdat Sebastiaan tante Sonja als een begripsvolle gesprekspartner inschatte en ook met de neef en nicht al vaak goede gesprekken gevoerd had, verklaarde hij zich er van harte mee eens.

Nadat ze het zich in de woonkamer gemakkelijk gemaakt hadden en ook oom Hanno binnengekomen was, schilderde Sebastiaan zijn aan de telefoon al aangeduide moeilijkheden in zijn verband. Toen zei zijn oom, dat hij na Sebastiaans telefoontje van gisteren allerlei materiaal over dit thema had nagekeken en voor zichzelf enkele notities daarover gemaakt had. Daarom stelde hij voor eerst het begin van de moderne bijbelkritiek in haar ontwikkeling tot op vandaag kort te verklaren. De anderen stemden ermee in.

“Al in de vroege kerk”, begon hij, “waren er steeds weer groepen die het geopenbaarde Woord van God gedeeltelijk afwezen of zelfs verregaand loochenden. Daartoe behoorden de zogenaamde Doketisten, die bestreden dat Christus een werkelijk lichaam of een nauwkeurig te bepalen historisch bestaan gehad heeft. Voor de moderne wetenschappelijk wereld die voor onze overdenkingen bijzonder belangrijk zijn, geldt echter, dat aan de betrouwbaarheid van de Heilige Schrift tot aan de 18e eeuw in het algemeen niet getwijfeld werd. Sinds deze tijd verbreidde zich het gedachtegoed van de Verlichting in het denken van de hele maatschappij steeds meer en zegevierde tenslotte. Daarin voortgaand nam men zienderogen afstand van het geloof in de inspiratie van de Bijbel. Hermann Samuel Reimarus (1694-1768), Johann David Michaelis (1717-1791) en David Friedrich Strauß (1808-1874) gelden als de belangrijkste vertegenwoordigers van de bijbelkritiek sinds de Verlichting. Zij betwijfelden bijvoorbeeld de Godheid van Christus of stelden de in het evangelie beschreven bovennatuurlijke gebeurtenissen als “mythen” voor. Dit weerspiegelt zich ook in de houding van de moderne bijbelkritici. Hun bekendste vertegenwoordiger Rudolf Bultmann (1884-1976) was de invloedrijkste theoloog uit de 20e eeuw en de beroemdste van alle bijbelcritici. Naar zijn mening kan men praktisch helemaal niets over de persoon en het leven van Jezus weten. De evangeliën zijn allesbehalve te zien als zekere hulpbronnen.

Open mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet

Psalm 119:18

Wanneer we nu deze ontwikkeling goed begrepen hebben, kunnen we het kort over de huidige bijbelkritiek hebben. In sommige tijdschriftartikelen, maar ook in vele boeken die vandaag het Christendom thematiseren, worden bijvoorbeeld de vier evangeliën min of meer van verraad beschuldigd, omdat ze naar het heet de ware Jezus verbergen en diegenen misleiden, die meer over Hem gewaar willen worden. Daarbij wordt zelfs beweerd, dat de eigen fantasie een betere wegwijzer op zoek naar de historische Jezus zou zijn, dan de evangeliën. Deze tendensen moeten als een van de noodlottigste ontwikkelingen in de geestelijke geschiedenis van West-Europa aangezien worden. De Bijbel was lange tijd de basis voor onze cultuur. Op haar berusten de morele begrippen van de Westelijke wereld zowel haar maatschappelijke orde en wezenlijke delen van haar beschaving. Toen de papyroloog Carsten Peter Thiede onlangs in een geschrift beweerde, dat het Mattheüs-evangelie voor het keerpunt van het jaar 70 geschreven zou zijn, riep dat een storm van protest van wetenschappers op die in de traditie van de bijbelkritiek staan, want als dit klopte, zou dit consequenties hebben: de geschriften zouden door ooggetuigen gelezen kunnen zijn. Een vervalsing van feiten zou dan dus nagenoeg onmogelijk geweest zijn, omdat dit direct opgevallen zou zijn. Verder zouden de profetische woorden van Jezus betreffende de verwoesting van de tempel, dat in het jaar 70 voorviel, niet naderhand toegevoegd, maar werkelijk profetie zijn. Thiede is van mening, dat 200 jaar bijbelkritiek als een van de grootste dwalingen van de kerkgeschiedenis opgeheven zou moeten worden.

Zo, nu heb ik werkelijk genoeg gesproken. Hebben jullie alles begrepen, of moet ik nog ergens verder over uitweiden?”

“U hebt Reimarus genoemd”, zei Sebastiaan. “Weet u misschien wat deze met Lessung te maken had? Wij behandelen met Duits namelijk juist het stuk “Nathan de Wijze”. Ik meen dat ik in dit verband de naam al eens gehoord heb”.

Lessing en Goethe

“Tja, het verband met “Nathan de Wijze” weet ik helaas niet meer zo precies”, antwoordde oom Hanno, “maar Anne – als ik me niet vergis, heb jij in het laatste semester een seminar over Lessings drama. Misschien schiet je daarover nog iets te binnen”.
“Wacht alstublieft een ogenblik”, antwoordde deze, “ik moet boven in mijn ordner nog een stellingoverzicht over dit thema hebben”.

Na een poosje kwam zij met een papier in de hand terug en begon voor te lezen:

“Toen Lessing bibliothecaris in Wolfenbüttel was, had hij van de kinderen van de gestorven Hamburger oosterling Reimarus delen van diens geschriften ontvangen, die hij onder de titel ‘Fragmente eines Ungenannten’ publiceerde en met eigen commentaar aanvulde. De laatste fragmenten hebben de titel ‘Ein Mehreres aus den Papieren des Ungenannten, die Offenbarung betreffend’. Dit ontketende een theologische strijd, waarin de Hamburger hoofdpastor Johann Melchior Goeze de felste tegenstander van Lessing bleek. Het manuscript van Reimarus weerspiegelt de kern van de theologische controverse (= twistpunt) van de 18e eeuw: Het is de tegenstelling van geëmancipeerd verstand en geloof, die zich in de absolute waarheidsaanspraak van de Christelijke openbaring manifesteert. De protestantse theologen die zich aan de tijdsgeest aanpasten, probeerden verstand en geloof door het prijsgeven van dogmatische posities te verzoenen. Daartegenover verdedigde de orthodoxe theologie het geopenbaarde woord van de Heilige Schrift zonder compromis. Reimarus hoofdkritiek betrof zowel het openbaringskarakter van de Bijbel alsook de geloofwaardigheid van de evangeliën. Zo beweerde hij bijvoorbeeld, dat de discipelen het lichaam van Jezus gestolen zouden hebben. De uit de publicaties ontstane ‘fragmentenstrijd’ tussen Lessing en Goeze eindigde daarmee, dat Lessing in juli 1778 door een kabinetsbevel verboden werd, verder fragmenten te publiceren. Om dit verbod te omzeilen, schreef hij het toneelspel “Nathan de Wijze”, dat al in 1779 in druk verscheen.

Tot zover dit. Hier staan echter nog enkele informaties, die Lessings wereldbeschouwing verduidelijken:
“Lessings publiceerde al in 1753 een geschrift, waarin iemand de rede van de Islam prijst en in het Christendom onder andere het wondergeloof bekritiseert. De Islam komt volgens Lessing daarentegen met de ‘meest strengste rede’ overeen, wat tot gevolg heeft, dat de mens als verstandig wezen niets anders zou kunnen, dan de Islam als gezonde verstandige religie te erkennen.

Wat Lessings zoeken naar de waarheid betreft, zo was hij meer in de (vermeende) weg er naar toe geïnteresseerd, dan in de waarheid zelf. Goethe vergelijkt Lessings waarheidszoektocht met de methode van de moslims, die naar de bewering teruggaat dat er meer dan één waarheid bestaat. Dit is onder andere ook de boodschap van de drama ‘Nathan de Wijze’. Daarnaast levert het feit, dat Lessing de Christen in het stuk zeer slecht laat wegkomen, een verdere indicatie daarvoor, dat ‘Nathan de Wijze’ een pro-Islamitisch stuk is”.

“Dank je wel”, zei oom Hanno. “Omdat je zojuist Goethe genoemd hebt, wil ik er nog op wijzen, dat hij wegens zijn benadering van westelijk en oosterlijk denken als één van de invloedrijkste voorlopers van het New-Age denken geldt. Zijn voorliefde voor oosterse religiositeit wordt hoofdzakelijk duidelijk in zijn werk ‘West-Oostelijke diva’, maar ook in zijn gesprekken met Eckermann. Daar beweert hij, dat er in ons allen iets van het Moslimgeloof is, zelfs wanneer er ons niets van geleerd is. Ook prijst hij aan, dat de Moslims eerst maar eens tot twijfelen gebracht zouden moeten worden. Daardoor zou de geest tot verder onderzoek aangedreven worden. Wanneer dit op een volkomen wijze gebeurt, komt daaruit de zekerheid voort. Dit zou dan het doel zijn, waarin de mens zijn volledige bevrediging vindt.

Dat was misschien een beetje ingewikkeld. Daarom probeer ik nog eens de belangrijkste gedachten van zoëven samen te vatten: Lessing probeert in het stuk ‘Nathan de Wijze’ over te dragen, dat niet de Openbaring van Jezus van God in Christus de waarheid is, maar het resultaat van ‘eigen’ inspanningen de waarheid van verschillende godsdiensten bewijst. Goethe meent door twijfel tot zekerheid te komen en daarna innerlijke rust te vinden.

Ik zou jullie uitdrukkelijk willen verzoeken, wanneer jullie geschriften van deze auteurs lezen, op te passen, dat jullie niet door hun visie op de wereld beïnvloed worden! De Bijbel zegt duidelijk, dat de waarheid niet bij ‘vele’ religies en bij ‘eigen’, op menselijk verstand gefundeerde activiteiten te vinden is, maar alleen in de persoon van de Heer Jezus. Dit kunnen we echter niet door twijfel begrijpen, maar “door het geloof verstaan wij”, zoals het in Hebreeën 11:3 staat. Lessings grootste probleem met betrekking op de Bijbel was dus, dat hij probeerde de wonderen met ‘eigen’ verstand te begrijpen. Daar strandde hij tenslotte op, en met hem vele schrijvers en filosofen.

Opdat geen misverstanden ontstaan, wil ik nog verduidelijken, dat verstand maar ook intelligentie eigenschappen zijn, die wij van God ontvangen hebben. Zonder dat zouden we noch denken noch handelen kunnen. Waar deze hun oorsprong hebben, wordt in Job 32:8 duidelijk. Daar staat: “Voorzeker de geest, die in de mens is, en de inblazing van de Almachtige, maakt hen verstandig”. We moeten ook denken aan Spreuken 9:10: “De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand”.

De Heer Jezus zegt in Johannes 14:26: “Maar de Voorspraak, de Heilige Geest, die de Vader zal zenden in Mijn naam, Die zal u alles leren en u in herinnering brengen alles wat Ik u heb gezegd”. Dit is bijgevolg de basis daarvoor, dat wij, de gelovigen, in overeenstemming met God kunnen begrijpen en dat de ongelovigen daartoe niet in staat zijn.

De Geest is het die levend maakt; het vlees heeft geen enkel nut

Johannes 6:63

Ik ben er nu voor, dat we ons de wezenlijke informaties uit onze beide korte referaten nog eens voor de geest halen”.

Daar hielden zich allen toen mee bezig. Ze kwamen tot de slotsom, dat de hele problematiek zich tot de volgende enkele grondgedachten herleiden laat:

De Verlichting heeft tot gevolg, dat het eigen verstand als maatstaf voor de beoordeling van de Bijbel zich een plaats verschaft. Sinds deze tijd zijn de mensen, die zich met de Bijbel bezig houden, ruwweg in drie groepen te verdelen:

1. Diegenen, die de Bijbel als het Woord van God beschouwen en alles voor waar houden, wat erin staat;

2. Diegenen, die door de Bijbelkritiek onzeker zijn en niet weten, wat zij geloven kunnen en wat niet;

3. Diegenen, die (zoals Lüdemann) fundamentele waarheden van de Bijbel loochenen, en het eigen verstand tot rechter daarover verheffen, wat juist en wat onjuist is.

De duivel

‘Waar komt deze houding dan eigenlijk vandaan, dat mensen rechter over de Bijbel willen zijn?’, vroeg Wolf, zodra het laatste punt besproken was.

‘Daar schiet mij iets te binnen’, zei Sebastian, die langzamerhand ontdooide omdat hij geleidelijk aan de verbanden begon te begrijpen. ‘Toen wij tijdens de jeugd over Daniël spraken, vroegen we ons af, vanwaar eigenlijk het boze kwam, dat de joden aanleiding gaf van hun God af te vallen, zodat zij tenslotte in de Babylonische gevangenschap moesten gaan, en waarom Babylonië van afgodendienst doordrenkt was’.

‘Kun jij ons niet eens kort vertellen, wat jullie ontdekt hebben?’, verzocht tante Sonja hem.

‘Dat gaat niet, het meeste ben ik vergeten’.

‘Lieve help’, meende Wolf, ‘dat geeft toch niet. Wanneer je niets meer te binnen schiet, kan immers ieder dat zeggen, wat hij daarover weet’.

Sebastian vond dit een goed idee, en begon:

“Voorzover ik mij nog herinneren kan, zei iemand, dat de oorspronkelijke betekenis van ‘duivel’ lasteraar, verderver is. ‘Satan’ betekent veeleer kortweg de duivel als vijand van God en de mensen. De duivel wordt in Openbaring ‘de grote draak’ en ‘de oude slang’ genoemd. Op andere plaatsen wordt van hem gezegd, dat enerzijds de gestalte van een engel van het licht aannemen kan, en anderzijds als een brullende leeuw rondgaat. Dat betekent concreet: Verleiding door list, zoals bijvoorbeeld in de hof van Eden als slang, of de poging mensen door geweld en andere dingen direct te schaden, zoals bijvoorbeeld bij Job. Daar zien we echter ook, dat satan alleen zo ver gaan kan als God – die ieder afzonderlijk kent – het toelaat”.

“Stop eens even”, zei Wolf. “Ik wil graag twee bijbelverzen voorlezen die tonen, hoe het eigenlijk daartoe kwam, dat de duivel de vijand van God en boos werd. Ten eerste Jesaja 14:13-14: “En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren van God verhogen; en ik zal mij zetten op de berg van de samenkomst aan de zijden van het noorden. Ik zal boven de hoogten van de wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden”. Zijn verderf was dus, dat hij zich zelf in het middelpunt stelde en zich een positie wilde aanmatigen die hen niet toekwam, namelijk te zijn als God. Het oordeel van God daarover vinden we in Ezechiël 28:17-18. Daar vinden we: “Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde weggeworpen, Ik heb u voor het aangezicht van de koningen gesteld, om op u te zien. Vanwege de veelhied van uw ongerechtigheden, door het onrecht van uw koophandel, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit uw midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd …”.

“Goed”, zei daarop oom Hanno, “wij kunnen dus vasthouden, dat satan, toen hij geschapen werd, zondeloos was. Hij bevond zich in de nabijheid van God. Vanwege zijn hoogmoed en zijn opstand tegen God, werd hij verstoten.

Ik zou nu ter verduidelijking van zijn werken in de huidige tijd iets voorlezen, wat een Berlijnse socioloog aan het einde van 1993 over de terugkeer van het boze vandaag gezegd heeft: “De waarheid is: Er is niet alleen een ontwrichting van het boze, maar ook van de totale maatschappij. En het boze is daarmee letterlijk – u mag zeggen wat u wilt – ‘ontketend’, is overal en nergens meer te lokaliseren en met verlichtingsmodellen, of het nu psychisch, sociaal of politiek bedoeld is, niet meer te grijpen. Het goede is beschadigd. De prikkeling goed te zijn, is verdwenen”.

De uitspraak, dat het boze niet meer te lokaliseren is, is misschien een beetje onbegrijpelijk. Om het verband te verklaren, moet ik een beetje uitweiden.

Wordt D.V. vervolgd.

Jochen Klein, Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM