13 jaar geleden

Openbaring 1:17

God zei eens tot Mozes: “Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven” (Ex. 33:20). Johannes zegt twee keer: “Niemand heeft ooit God gezien” (Johannes 1:18 en 1 Joh. 4:12). Paulus spreekt van Hem als de “onzichtbare God” (Kol. 1:15). En toch heeft deze grote en onzichtbare God Zich geopenbaard in Zijn Zoon.
In het Oude Testament liet God Zich al zien in de “Engel des HEEREN”. Wonderbaar geheim! Welk een heerlijkheid omgeeft de Zoon, zoals God Hem aan ons heeft geopenbaard, onze Heer en Heiland! Met Hem mogen we vertrouwelijke omgang hebben. Laten we alleen nooit vergeten met Wie we te maken hebben.
De discipelen op de berg zagen Hem in Zijn toekomstige heerlijkheid, toen Hij van gedaante werd veranderd en Zijn aangezicht straalde als de zon. Johannes zag Hem Wiens eigendom hij was en aan Wiens borst hij had gelegen, in Zijn rechterlijke gedaante voor zich staan. Ook Daniël, deze zeer ‘gewenste’ man, die trouwe getuige van God, verging het zo. Toen Jesaja deze HEERE zag op een hoge en verheven troon, riep hij uit: “Wee mij, want ik verga” (Jes. 6:5). Laten we bedenken dat deze mannen gelovigen waren. Toch waren zij zich bewust van hun onvolkomenheid en onvermogen om in de tegenwoordigheid van deze heerlijkheid en heiligheid te komen. Hoe zal dan de wetteloze en zondaar bestaan voor deze heerlijkheid? Hoe vreselijk zal het voor zo iemand zijn om voor Hem, de Rechter, te moeten verschijnen, “voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten; en geen plaats werd voor hen gevonden” (Openb. 20:11)!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM