5 jaar geleden

Opdat allen één zijn … (2 – slot)

In dit vrij uitgebreide artikel gaat het om een gescand boek, dat in 1903 door R. Brockhaus Verlag werd gepubliceerd (“Auf daß sie alle eins seien”). Dit meer dan honderd jaar oude boek is een zeldzaamheid. De boodschap van deze uitgave is desalniettemin nog steeds actueel1.

Groei van het lichaam

Omdat we verder allen leden van één lichaam zijn, en daarom allen een persoonlijke verantwoordelijkheid dragen met betrekking tot de groei van het hele lichaam, die “samengevoegd en verbonden door elk gewricht dat de ondersteuning verleent” (Ef. 4:16; verg. ook Kol. 2:19), zo wordt ons ook gezegd: “Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is, hetzij profetie, [laat het zijn] naar gelang van het geloof; hetzij dienst in het dienen; hetzij wie leert, in het leren; hetzij wie vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid” (Rom. 12:6-8). En in 1 Petrus 4:10 lezen we: “Naarmate ieder een genadegave heeft ontvangen, dient elkaar daarmee als goede rentmeesters van [de] veelvoudige genade van God”. Als iedereen naar deze woorden zich zou beijveren met de hem verleende gave te dienen, dan zouden we zeker een bediening hebben, die niet eenvoudiger en tegelijk omvangrijker en uitgebreider zou kunnen zijn.

Geestelijken en leken – orde in de gemeente

Maar er zou tegengeworpen kunnen worden, als er geen specifiek predikambt volgens het Woord van God bestaat, die alleen door bepaalde personen uitgeoefend kan worden, dan moet er toch in ieder geval bij de viering van het avondmaal van de Heer iemand zijn, die de plaats van zegenende of dankende inneemt en door deze het avondmaal wordt doorgegeven. Zeker, aan de tafel van de Heer zal iemand een dankgebed uitspreken over brood en wijn, maar deze ene doet het in gemeenschap met de gemeente, als het ware als de mond van haar. Van een uitdelen van het avondmaal is in de Schrift geen spoor te vinden, en nog minder van een bepaalde klasse van personen, die voor deze uitdeling alleen in aanmerking komen zou. De Schrift kent hiervan noch de namen noch de essentie van zoiets. Ze spreekt alleen maar van een gemeenschappelijke viering van het avondmaal, van een gemeenschappelijk breken van het brood. Iedere gelovige is in de positie van een priester gebracht en kan als zodanig in de gemeente de Naam van Jezus belijden, bidden, dankzeggen, of, wanneer hij de gave daartoe ontvangen heeft, het Woord van God uitleggen, vermanen, onderwijzen, opbouwen. We lezen in 1 Korinthe 14:26: “Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samen komt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een taal, heeft een openbaring, heeft een uitlegging: laat alles gebeuren tot opbouwing”.

Dat was, en is, voor zover wij kunnen beoordelen, het uitgangspunt van alle ordening in de gemeentelijke betrekkingen, welke problemen er zich dan ook vandaag de dag voordoen bij de toepassing van de aangevoerde beginselen. Wil men in het algemeen terug naar dit uitgangspunt, dan zouden veel dingen zichzelf regelen. De bestaande genadegaven zouden gelegenheid hebben om zichzelf te openbaren en te ontvouwen, en een echte, God welgevallige dienst zou ten behoeve van allen worden uitgeoefend. Het hele lichaam door de gewrichten en banden ondersteuning ontvangend en daardoor verbonden, zou de groei van God laten toenemen (Kol. 2:19). Naar de werking dat aan elk afzonderlijk deel is toegemeten, zou deze groei van het lichaam bewerkt worden tot opbouwing van zichzelf in de liefde (Ef. 4:16). Maar zal het vlees het niet snel verstoren, zal eigenliefde en eerzucht zich niet spoedig manifesteren? Ja, het vlees kan en zal zich openbaren, zoals het dat altijd doet. Maar het Woord heeft voor dergelijke gevallen voorzieningen getroffen: “Want God is niet [een] God van verwarring maar van vrede” (1 Kor. 14:33).

Daar waar bovenstaande ontvouwde beginselen algemeen aanvaard en in de ontvangen kracht verwerkelijkt worden, daar zie ik een gemeente in overeenstemming het woord van God, “een gemeente van heiligen”; daar zie ik zie een plaatselijke vertegenwoordiging, ongetwijfeld erg zwak en onaanzienlijk, maar niettemin een illustratie van het huis van God, de gemeente van de levende God, gebouwd uit levende stenen, van ware en levende leden; daar zie ik een heilig priesterdom, geroepen om geestelijke offers te brengen die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus (1 Petr. 2:5). Velen noemen dit wanorde en berispen de gelovigen, die zo aan de gedachten van God over Zijn huis zoeken te voldoen, nieuwlichterij, sektarisme, enzovoorts. Maar ze vergeten helemaal dat juist de zo volprezen kerkelijke verordeningen en instellingen slechts menselijke uitvindingen zijn, en dat Paulus alleen op die plaats God een God van orde en vrede noemt, waar hij de gelovigen vermaant zich op deze wijze, in afhankelijkheid van de leiding van de Heilige Geest, te vergaderen. Ze bewijzen, dat ze zich van de ordening van de gemeente van God een heel andere voorstelling maken dan de apostel Paulus, zodat ze zich met hem in directe tegenspraak bevinden. Voor hem is de ware ordening welke door de Geest, door middel van Zijn onderwijs en leiding, bewerkt wordt; maar voor hen is de ware ordening datgene, wat uit menselijke instituties en regelingen voortkomt en opbouwt door de leiding van de mens.

Oefening en strijd – menselijke ordening

Ongetwijfeld vooronderstelt een samenkomen op een dergelijke grondslag de voortdurende oefening en de openbaarmaking van het geloof, dat de moeilijkheden door een voortdurende blik op de Heer overwint. Tegelijkertijd vereist het zonder enig voorbehoud een erkenning van de persoonlijke aanwezigheid van de Heilige Geest en een onvoorwaardelijke onderwerping aan Zijn werkzaamheid en leiding; want Hij alleen kan orde, eenheid en vrede bewaren. Zodra deze afhankelijkheid begint te verdwijnen, komen er problemen en dit is juist wat het invoeren van menselijke verordeningen en instellingen heeft veroorzaakt. Hier beneden bevindt de gemeente zich als het ware in haar kindertijd. Gezien de vijandige invloeden en de weerstand van buitenaf, zowel de problemen van binnenuit, kan de handhaving van de orde en het behoud van hun toestand slechts als een wonder van de Geest van het leven, Die in hun woont, worden beschouwd. Maar dit wonder heeft eens voor de ogen van de ongelovigen plaatsgevonden, en het vindt vandaag nog plaats, hoewel vanwege de algemene lage toestand van de gelovigen en het bedroeven van de Heilige Geest in veel mindere mate dan in het verleden. Tracht men deze – door de krachtige werking van de Heilige Geest bewerkte wonderen – te vervangen door schrandere regelingen, door het invoeren van allerlei vormen en de statuten, dan zal men in plaats van een inderdaad lijdend maar levend lichaam, een misschien mooi maar dood-koud standbeeld krijgen.

Geeft de Heer predikers van het evangelie – en we moeten Hem oprecht en aanhoudend daarom vragen – dan kunnen ze blijmoedig en vol vertrouwen hun handen aan het werk slaan, door uitsluitend op Hem te steunen, en niets aannemen van hen die buiten zijn. Het is het voorrecht van hun broeders om hen in hun werk te helpen en op deze wijze “medearbeiders van de waarheid” te zijn (3 Joh. vers 6-8). Dit betekent natuurlijk niet, dat allen, afhankelijk van de omstandigheden en de hen verleende mogelijkheden, geen getuigenis van de genade van God behoeven af te leggen. Deze verantwoordelijkheid berust op elke gelovige. Zo gingen ook eens de eerste christenen, toen ze door vervolging uit Jeruzalem werden verdreven en overal verstrooid werden, overal rond om het Woord te prediken (Hand. 8:4).

Openbaring van eenheid

Zo zal men aan de ene kant een openbaring van de eenheid van het lichaam hebben door de discipelen, die rondom het avondmaal of het gemeenschappelijke gebed of tot wederzijdse opbouw vergaderd zijn. Aan de andere kant is er voor de afzonderlijke werkzaamheid van een ieder ruim baan gelaten, zowel in de gemeente ten nutte van de heiligen, alsook buiten in het werk van het evangelie om aan een verloren wereld het goede nieuws van de liefde van God te verkondigen en zielen voor Christus te winnen. Deze twee dingen zijn zo verschillend als mogelijk is, en worden toch zo vaak in de huidige wanorde van het Christendom door elkaar gehaald.

Verwarring en vermenging

Wat zijn bijvoorbeeld die talrijke bijeenkomsten, die meestal “predikatie”, of “godsdienst” of ook “kerkdienst” genoemd worden? Aan de ene kant zijn het evangelische bijeenkomsten, doordat de menigte die elkaar vindt, de zogenaamde “gemeente”, bekering en geloof predikt, tenminste wanneer de predikant een gelovige is. Aan de andere kant zijn het godsdienstige bijeenkomsten waarin men het avondmaal viert, en men met deze menigte, bekeerd of onbekeerd dankt, zoals met broeders, zoals met leden van de gemeente van God. Wat heeft dit tot gevolg? Ten eerste gaat het verschil tussen de verkondiging van het evangelie en de uitoefening van de godsdienst, de aanbidding, volledig verloren. Het resultaat is een vermenging van twee dingen die gescheiden moeten blijven, een vermenging die voor beide een zeer groot nadeel is. Want als we tegen de verzamelde menigte zeggen: “Bekeert u en geloof!” en tegelijk met haar dankt en de maaltijd met haar viert, die alleen aan gelovigen toebehoort, dan wordt het effect van de prediking krachtig verzwakt. De nog niet bekeerde zielen worden in een toestand van valse zekerheid gebracht doordat hen de uiterlijke tekenen van de doop en het avondmaal als een middel van genade worden gepresenteerd, en zij door het gebruik ervan iets ontvangen. En zelfs daar, waar dit niet het geval is, brengt de toelating van onbekeerden tot het avondmaal onwillekeurig verwarring en onduidelijkheid. Zo heeft de verkondiging van het evangelie sterk te lijden onder die vermenging. Maar niet alleen zij, ook de dienst lijdt doordat men enerzijds niet wedergeboren, geestelijk dode zielen in de kring van gelovigen brengt, en aan de andere kant in deze ook onzekerheid over hun redding veroorzaakt door de constante oproep: “Bekeert u en geloof!”, en hen vervolgens hindert in de genade van God bevestigd te worden. Dat was niet de manier waarop de apostelen werkzaam waren. Zij predikten het evangelie aan de ongelovige menigte in de straten, op de markten, in de synagogen, en overal, waar zich een geschikte gelegenheid voordeed. Maar wanneer het ging om het breken van het brood, gezamenlijk in aanbidding en gebed en voorbede tot God te naderen, om elkaar op te bouwen en te vermanen, dan verenigden zij zich in stilte met alleen de discipelen, met de “hunnen”, alleen met degenen die geloofden.

De menigte riepen zij toe: “Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen”; of: “En Hij heeft ons bevolen aan het volk te prediken en te getuigen dat Deze het is die door God is aangesteld als Rechter van levenden en doden. Van hem getuigen alle profeten dat ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door Zijn naam”; of: “U zij dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving van zonden wordt verkondigd …” (Hand 2:38; 10:42-43; 13:38).

Tegen de gelovigen echter zeiden ze: “… in Wie ook u, toen u het woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte”; of: “Want zelf vertellen zij ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om [de] levende en waarachtige God te dienen en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten …”; of tot slot: “Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent? Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam” (zie Ef 1:13; 1 Thess. 1:9-10; 1 Kor. 6:19-20 en vele andere tekstplaatsen).

Zou er een groter contrast kunnen zijn, dat in deze tekstplaatsen te vinden is? Bijna moet men het voor onmogelijk achten dat een vermenging of verkeerde toepassing ervan kan plaatsvinden. De ontrouw van de mensen had als gevolg vermenging van het goede met het kwade, vermenging van de kinderen van God met de kinderen van de wereld. Hieraan had men zich eeuwenlang niet alleen gewend, maar wordt zelfs door gelovigen gerechtvaardigd en verdedigd. In het christendom is daardoor in het algemeen het verstaan van de waarheid volledig verloren gegaan, zodanig dat zelfs gelovige predikers in hun toespraken nauwelijks verschil maken tussen hun luisteraars. Tegelijkertijd is het bewustzijn van wat ware aanbidding is, volledig verloren gegaan. Een deel van het christendom heeft de viering van het avondmaal gemaakt tot een ​​zogenaamde bloedeloze herhaling van het bloedige offer van het kruis van Christus en de hele handeling omgeven met prachtige ceremonies en gebruiken. Een ander deel, hoewel zij zich beslist verzet tegen deze ontheiliging van het offer van Christus, heeft toch de betekenis van het avondmaal geheel vergeten en heeft het in een sacrament tot vergeving van zonden, of tenminste in een middel van genade, veranderd. Het begrip van aanbidding van de zijde van de om de Heer vergaderde gelovigen is volledig verdwenen, en wanneer men spreekt van godsdienst, dan bedoelt men over het algemeen daarmee het houden van een preek verbonden met bepaalde gebeden, liederen en dergelijke. Dit zijn de trieste maar noodzakelijke gevolgen van het afwijken van de eenvoudige grond van de waarheid. De christenen hebben opgehouden zich om hun Heer te vergaderen in het bewustzijn van hun afhankelijkheid van de leiding van de Heilige Geest, en van Hem, het hoofd van Zijn lichaam, al het nodige te verwachten.

Hoe eenvoudig en kostbaar, en toch tegelijk hoe ernstig is daar tegenover het woord van de Heer Jezus tot de arme vrouw bij de bron van Jakob: “Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u2 noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. … Maar er komt een ure, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden. God is een Geest3, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid” (Joh. 4:21-24).

Wie zou zo kunnen aanbidden, wie lofliederen zingen tot eer van God en van het Lam, wie danken en de Vader verheerlijken, dan alleen zij die, nadat zij het woord van de waarheid geloofd hebben, verzegeld werden met de Heilige Geest? Dan alleen zij, die van harte in kinderlijk geloofsvertrouwen zeggen kunnen: “Abba, Vader!”? Alle overigen, hoe grondig zij ook onderwezen kunnen zijn in de waarheden van het christendom, zijn slechts belijders; hun harten zijn duister, hun lampen zonder olie, ze zijn volledig onbekwaam om ware aanbidding te brengen. In sommige gemeenschappen in onze dagen heeft men deze verwarring gevoeld en eraan gewerkt om het te verhelpen. Maar het zal nooit tot een goed einde gebracht kunnen worden, zolang men met het verkeerde en menselijke in enige verbinding blijft, en niet de enige mogelijke bodem betreedt, de eenheid van de kinderen van God, zoals zij door de Heilige Geest bewerkt is.

De eenheid van Gods kinderen

Men spreekt tegenwoordig veel over een fusie van alle ware gelovigen met het doel om samen te werken op het gebied van evangelisatie en men staat te popelen om een ​​dergelijke vereniging tot stand te brengen, waarbij ieder afzonderlijk in zijn eigen plaats, op zijn onderscheiden partijstandpunt blijven kan. Deze inspanningen kunnen door velen goed en oprecht bedoeld zijn; maar zal de praktische vereniging van Gods kinderen op deze manier bereikt worden? Zeker, iedere christen behoort, voor zover hij zich daartoe geroepen en bekwaam voelt, zowel alleen als in gemeenschap met zijn broeders, het evangelie te verkondigen. Ja, een gemeenschappelijk, trouw werk op dit gebied kan vaak zeer zegenrijk zijn en tot bekering van velen leiden. Maar ik vraag nogmaals: Is dat de eenheid van Gods kinderen naar Gods gedachten? Vindt men in de leer van de apostelen of hun handelingen één indicatie, dat de verkondiging van het evangelie in de wereld als middelpunt van de vereniging van de gelovigen zou kunnen, of moeten dienen? Nee, voor dit doel is ons de tafel van de Heer gegeven. Hier zijn allen één: één brood, één lichaam. “De drinkbeker der dankzegging die wij zegenen4, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus? Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood” (1 Kor. 10:16-17). Verder lezen we in Handelingen: “Toen wij nu op de eerste [dag] van de week, vergaderd waren om brood te breken” (Hand. 20:7). Dat was het doel van het samenkomen van de gelovigen; de tafel van de Heer was hun middelpunt en verzamelpunt.

Evangelisatie-samenkomst

Het kan goed zijn om op deze plaats een woord te zeggen over het karakter van een samenkomst om het evangelie te verkondigen. Hierop kan nooit het woord van de Heer toegepast worden: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam (eigenlijk: tot Mijn naam heen), daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18:20). Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat de Heer niet altijd en overal met de Zijnen is (Matth. 28:20), dat Hij niet op een bijzondere wijze met hen is, die van Zijn genade getuigenis af willen leggen; of dat Hij dit getuigenis niet zou zegenen. De Heer blijft trouw aan Zijn belofte, dat Hij alle dagen, zelfs tot aan de voleinding van de eeuw, met ons wil zijn. Hij zal zeker elk werk van liefde voor verlorenen, voor zielen die behoudenis nodig hebben, met Zijn zegen bekronen. Maar niettemin is een bijeenkomst om het evangelie te verkondigen, hoe klein of groot het ook mag zijn, niet een samenkomst, zoals in Mattheüs 18 beschreven wordt. Want zou men het durven wagen om op een ​​dergelijke samenkomst, die toch grotendeels uit onbekeerden bestaat, het woord toe te passen dat de Heer in hetzelfde hoofdstuk, ja, in verband met hetzelfde onderwerp, uitspreekt: “Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in [de] hemel; en alles wat u zult ontbinden op de aarde, zal in [de] hemel ontbonden zijn”? (vs. 18). Zeker niet; want iedereen voelt dat degenen die geen deel aan de Geest van God hebben, ook de dingen van God niet weten te onderscheiden. Men zal om soortgelijke redenen aanvoelen, dat een bijeenkomst om het evangelie te verkondigen ook op geen enkele wijze met de bijeenkomsten van de eerste christenen overeenstemt, waarvan Paulus spreekt in 1 Korinthe 12 en 14. Ook kan men onmogelijk denken aan een bijeenkomst om het evangelie te verkondigen, wanneer de apostel de gelovige Hebreeën vermaant: “… laten we op elkaar acht geven tot aanvuring van liefde en goede werken; en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn” (Hebr. 10:24-25). Een bijeenkomst die wordt gehouden om onbekeerden de behoudenis in Christus te verkondigen, en waarin één of meerdere mensen de leiding hebben, is dus in feite geen samenkomen in de naam van Jezus volgens Mattheüs 18. En helemaal niet een samenkomen van christenen die als zulken, bij wie hun eenheid en hun afzondering voor hun Heer op een of andere manier tot uitdrukking zou komen. Daarom wordt er aan gelovigen ook op geen enkele wijze bevolen, om een dergelijke bijeenkomst bij te wonen. Ik ben als christen geheel vrij om een evangelisatie-bijeenkomst bij te wonen of niet, of het is dat ik daar spreek of niet spreek. Het Woord van God laat dit helemaal aan mijn goeddunken over. Het zou kunnen zijn dat in een stad op twintig plaatsen op één en dezelfde avond het evangelie verkondigd wordt, en als God het zou willen, waren er nog meer! Maar welke zou ik in dit geval dan schuldig zijn te bezoeken? Op welke liet zich de vermaning van de apostel in Hebreeën 10 vers 25 toepassen? Maar wanneer het om de samenkomsten van de verlosten gaat, zij het om het avondmaal te vieren, of om te bidden, of om wederzijdse opbouw en bemoediging in het geloof en in de kennis, dan we hebben het specifieke gebod, om onze samenkomst niet te verzuimen.

In één woord, de verkondiging van het evangelie is een voortreffelijke zaak, of het nu individueel of in samenwerking met anderen gebeurt. Nooit wordt ze echter in het Woord als het middelpunt gepresenteerd, om welke de christenen zich verenigen en zij de wereld hun eenheid openbaren moesten. Wie dergelijke uitspraken doet, helpt mee om de verwarring te vergroten, en in plaats van de vereniging van de kinderen van God te bevorderen, houdt hij de gelovigen ervan af om de ware aard daarvan te herkennen en te verwerkelijken.

Is er genezing van de verwarring?

Zonder twijfel is het smartelijk zo veel over de verwarring te moeten zeggen. Maar wanneer we weigeren om de wond te onderzoeken, hoe kunnen we dan een genezing verwachten? Sommige christenen lijken als vanzelfsprekend de beslissing gemaakt te hebben om hun ogen voor het kwaad te sluiten, of ze wensen ter genezing niets anders toe te passen dan de krachteloze geneesmiddelen, die ze zelf hebben uitgevonden. Men wordt daarbij onwillekeurig aan de woorden van de profeet herinnerd: “Zij genezen de breuk van de dochter mijn volk op het lichtst …” (Jer. 8:11). Ze richten verenigingen op voor de gemeenschappelijke verkondiging van het evangelie, waarvan we zojuist spraken, voor de zending onder de heidenen, tot gebed, ter bevordering van een bepaald christendom, ter verdieping van het geloofsleven, kortom, verenigingen van elke soort en vorm. Ze reizen vaak, tegen hoge kosten, naar een of andere stad, om zich daar met de christenen te verbroederen, die ze nog nooit gezien hebben en misschien ook nooit meer in dit leven terug zullen zien. Maar hun verschillende denominaties, hun instellingen, die zij naar hun eigen wijsheid opgericht hebben, of die hun door hun vaderen overgeleverd zijn, kortom, alles wat menselijk is, het eigene, alles wat tegen het Woord van God is op te geven en zich met de christenen, die vlak bij hun deur wonen, onder de leiding van de Heilige Geest om de ene Heer en om de ene tafel te vergaderen – daartoe laten zij zich niet bewegen. Toch is het juist dit wat de Heer van hen verlangt.

We leven in de tijd van de organisaties en allianties. Het is zo ver gekomen dat voor veel christenen waar christendom gelijk is met het behoren tot een christelijke organisatie, een gebedskring of Bijbelbond en dergelijke. Zonder dat kunnen zij zich nauwelijks nog ware christenen indenken. Daarbij beschouwen ze gelovigen die zich buiten deze dingen houden, als lauw, kleurloos, traag. Maar wat zegt Gods Woord over al deze organisaties die door hun aard des te meer aanzien genieten en des te meer bewonderd worden? Naarmate ze meer leden tellen des te groter de bedragen zijn die elk jaar voor christelijke doeleinden worden opgebracht, des te meer landen en volkeren ze omvatten?

Presentatie van de eenheid

Ach, men zoekt in het Woord van God tevergeefs naar een grondslag voor hen. Gods Woord kent zulke organisaties niet; ze zijn een uitvinding van de mens, en zo goed en eerlijk ze ook in hun aanvang bedoeld mogen zijn, zo zeer herinneren sommigen in hun ontwikkeling toch aan de onuitroeibare neiging van de menselijke natuur om een ​​naam voor zichzelf te maken en om zichzelf te behagen. Het is, hoewel ook op andere gronden en in andere zin, gelijk aan de bouw van een toren, waarvan de top tot in de hemel reikt. God heeft Zijn kinderen zulke organisaties niet op het hart en geweten gelegd. Hij roept hen net zo min tot een alliantie, waarvan de verwerkelijking zo moeilijk en kostbaar is, ja, voor een groot deel van de christenen helemaal onmogelijk – tot een kunstmatige en daarom zo bedrieglijke vereniging van een paar dagen in het hele jaar. Neen, wat Hij van hen verwacht als het gaat om de presentatie van hun eenheid, is een eenvoudig samenkomen in Jezus’ Naam, toegankelijk voor iedereen, zonder lawaai, zonder sensatie (dat is precies wat de mensen niet bevalt), maar echt en trouw, in hun plaats en met de broeders, waarheen en in wiens midden Zijn voorzienigheid hen geplaatst heeft.

Wat zegt het Woord van God?

Dit is wat de Heer van hen verlangt en wat zelfs de wereld van hen verwacht. Hoe komt het toch, zegt deze, dat jullie, nadat jullie je verbroederd hebt met christenen over de hele wereld, terugkomt en u afgezonderd houdt van de christenen in uw stad of in uw dorp, en opnieuw als voorheen begint met uw eigen kerk en uw eigen avondmaal te houden? Wat is dat voor een eenheid? Ach, we moeten bekennen dat de wereld gelijk heeft. Dit is niet de eenheid, het ‘een-zijn’ die Jezus voor Zijn geliefde discipelen wenste en aan de Vader vroeg. Echter, dit brengt ons opnieuw naar het reeds herhaaldelijk uitgesproken principe terug: Ieder die uit God geboren is, behoort zich met zijn broeders in de naam van Jezus en onder de leiding van Zijn Geest te vergaderen. Alleen zo krijgt de eredienst voor God van de gelovigen haar ware karakter; alleen zo zal de eenheid van de kinderen van God, het lichaam van Christus, een zichtbare, voor allen begrijpelijke presentatie ontvangen; alleen zo zal de opbouw van het lichaam op een meer God welgevallige en heilzame wijze gaan en zelfs de verkondiging van het evangelie in de juiste banen behouden blijven. Dat, en dat alleen, is het ware fundament van de eenheid van de kinderen van God. Ik ken geen andere en vind geen andere in het Woord van God. Het oprichten van een andere grondslag is daarom sektarisme. Ik heb al gezegd dat als gevolg van de onbeschrijfelijke verwarring op religieus gebied vandaag precies juist zij sektariërs, scheurmakers, separatisten en dergelijke worden genoemd, die op de eenvoudige bodem van de waarheid, los van alle partijen, samenkomen. Maar hier als overal elders, luidt de vraag: Wat zegt het Woord van God? Hoe oordeelt God? Het Woord van God verbiedt me bijvoorbeeld elke verbinding met ongelovigen als het gaat om christelijke gemeenschap (verg. Hand. 2:40; 2 Kor. 6:14-18). Maar nu vragen ​​christenen mij, om zich met hen en met de wereld te verenigen om het avondmaal te vieren. Ik weiger dat. Wie maakt er nu een scheiding? Ik die weiger om het gebod van God te overtreden? Neen, maar zij die aan onze vereniging de voorwaarde stellen om met de wereld God te dienen, die me dus verplichten willen de gehoorzaamheid aan God en Zijn Woord te verzaken. De geboden van de Heer kennen geen verjaring, ook al mogen ze eeuwenlang vergeten zijn, of ook niet meer erkend zijn.

Anderen vragen mij om mij met hen onder een bepaalde geloofsbelijdenis, een bepaalde naam, of de erkenning van bepaalde instellingen, reglementen, statuten, enzovoorts, te verenigen. Ik ben zo vrij om dat te weigeren. Wie maakt nu de scheiding? Ik, die weiger om zulke dingen te erkennen? Neen, maar zij, die aan onze vereniging voorwaarden stellen, die de Heer niet gesteld heeft. Men zal me misschien wel wijzen op het grote aantal van degenen die deze belijdenis of deze namen aangenomen hebben, op de leeftijd van de bestaande instanties, op de vele trouwe mannen die bij de betreffende namen gehoord hebben of nog horen. Maar is dat in principe iets anders dan het pausdom? Het is ook duidelijk, dat wanneer ik mezelf bij christenen aansluit die deze naam, deze belijdenis, deze regelingen enzovoorts hebben, ik mij van zulken scheidt die andere hebben. Zo worden dan helemaal als vanzelf verschillende afdelingen binnen de kudde van Christus gevormd, en die namen, instellingen en statuten zijn de omheiningen, die de schapen verhinderen om zich praktisch als één kudde te verenigen, onder de leiding van de Ene Herder. De opdracht de omheiningen zo laag te houden, zodat men de handen er overheen zou kunnen reiken, is zo’n armzalige kunstgreep, dat het ​​in de aanwezigheid van de “Heilige en Waarachtige” zeker geen moment bestaan kan.

Wat moet ik doen om de eenheid tot stand te brengen?

Als ik echter aan de vereniging van de kinderen van God, mijn broeders en zusters in Christus, alleen die vereisten en voorwaarden stel, die God zelf gesteld heeft, namelijk: uit God geboren zijn en van boze wandel en leer gescheiden te zijn, dan doe ik dat, wat ik kan om het verwerkelijken van de door God bewerkte eenheid tot stand te brengen en elke mogelijkheid om te scheiden weg te doen. Om deze reden kan ik mij ook aan geen van de vele namen aansluiten, hetzij Gereformeerd, Lutheranen, Baptisten, Onafhankelijken, etc. Niet dat ik de vereniging van de kinderen van God niet wil, maar juist omdat ik het wil en omdat ik, voor zover het mij betreft, niet verantwoordelijk wil zijn voor de hindernissen, die men door al zulke menselijke instellingen opwerpt. Daarom wil ik een christen zijn en niet op een christen lijken. Op deze grond kan ik allen die de naam van de Heer Jezus – hun en mijn Verlosser – “uit een rein hart aanroepen” (verg. 2 Tim. 2:22), de broederhand reiken. Ik wandel met hen allen, voor zover dat ook maar mogelijk is voor mij, zonder een menselijk juk op mij te nemen. Op deze grond kan ik al mijn broeders voor de samenkomst van de kinderen van God uitnodigen, waartoe ik het recht verliezen zou wanneer ik mijzelf in een van de groepen laat indelen, waarin men het huis van God of de kudde van Christus ingedeeld heeft.

Ach, dat de kostbare eenheid van de kinderen van God toch meer begrepen en verwerkelijkt mocht worden! Welke zegeningen zou men daarvan mogen verwachten, in de eerste plaats voor de gelovigen zelf maar dan ook voor de wereld! Als bijvoorbeeld alle christenen die er in een plaats zijn, zich zouden vergaderen om eenstemmig hun God en Vader te aanbidden, hun Heer en Heiland te prijzen, en de verschillende genadegaven die ieder afzonderlijk van de Heer ontvangen heeft, in afhankelijkheid van Hem zouden aanwenden – welk een licht, welke bemoedigingen en vertroostingen zouden daaruit voortvloeien! Wat een krachtig getuigenis zou dat voor de wereld zijn, voor hen die ‘buiten’ zijn! Zou men niet mogen geloven, dat in ieder geval tot op zekere hoogte de woorden van de apostel in 1 Korinthe 14 vers 24 en 25 gerealiseerd zouden worden: “Maar als allen profeteren, en er komt een ongelovige of een onkundige binnen, dan wordt hij door allen overtuigd, door allen beoordeeld; het verborgene van zijn hart wort openbaar, en dus zal hij op zijn aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is?”

Terwille daarvan moeten we ook alle menselijke namen en titels verwerpen, moeten we ophouden herders, leraren of evangelisten te kiezen of op gezag van deze of gene kerkelijke autoriteit, onderwijsinstelling, organisatie, enzovoorts, te laten beroepen. We moeten niets anders willen zijn dan christenen, discipelen van Jezus, broeders, leden van het lichaam van Christus, die zich onder de leiding van de Heilige Geest vergaderen en met het oog op alles op hun altijd trouwe en genadige Heer wachten. We moeten bereid zijn om dat aan te nemen, wat Hij ons schenkt door de geringste uit ons midden, en ook bereid zijn om zelf als instrumenten van de Geest van God te dienen, wanneer Hij ons voor opbouwing, troost, onderwijs of vermaning van anderen gebruiken wil. Er is maar één Geest, en als we onszelf oprecht aan Zijn leiding toevertrouwen, dan zullen wij ervaren dat Hij machtig is om niet alleen de afzonderlijke leden van het lichaam van Christus door Zijn goddelijke macht opnieuw samen te brengen, maar ook in vrede en wederzijdse verdraagzaamheid en liefde bijeen te houden. Ja, dat Hij voor alle behoeften en problemen voldoende is, en dat daar, waar Hij regeert, lieflijke orde en broederlijke harmonie heerst.

Maar als we deze praktische vereniging of vergadering van Gods kinderen op menselijke instellingen baseren, of door knappe regelingen, door afspraken en concessies de bestaande verschillen willen compenseren, dan verlaten wij de veilige en vaste grond van het Woord van God, dat geen menselijke instellingen en regelingen, noch afspraken en concessies kent. We begeven ons op beweegbare bodem, op het drijfzand van de menselijke systemen die zich naar tijd en omstandigheden verandert, en steeds weer verandert, maar die wel veel schade aanricht. In plaats van mensen van het geloof te zijn, die bereid zijn koste wat het kost, de waarheid vast te houden in liefde (Ef. 4:15), zijn we dan mensen die uit moeilijke kwesties een uitweg weten te vinden naast het Woord van God.

Kan dit vandaag dan nog?

Misschien zegt hier de lezer, zoals het eens veel discipelen van de Heer Jezus deden: “Dit woord is hard, wie kan het aanhoren?” (Joh. 6:60.) Maar mijn geliefde mede-pelgrims, het is belangrijk om eerlijk en oprecht te zijn tegenover onszelf en anderen. De Heer heeft een onverdeeld hart en een gewillige geest lief. Misschien beroept men zich ook op de zwakheid en de tekortkomingen van degenen, die verlangen om te wandelen volgens de beginselen van de waarheid, en willen zich daarom niet aansluiten. Dat die gelovigen zwak zijn, en dat er veel tekortkomingen onder hen zijn, is waar; maar ze zijn er zich bewust van en buigen zich daaronder; en wanneer in hun midden, een, die broeder genoemd wordt, zich als als een ‘boze’ openbaart, dan doen zij hem uit hun midden (1 Kor. 5), in de erkenning dat in het huis van God heiligheid passend is (verg. Ps. 93:5). Overigens is het alleen de vraag of de aangevoerde beginselen overeen komen met de waarheid van het Woord van God. Als dat zo is, dan is de zwakte van degenen, die dit willen volgen, geen reden om van hen weg te blijven. Neen, elke ware gelovige die de eer van zijn Heer na aan het hart ligt, zou hen veeleer te hulp moeten komen, “opdat we onderling eensgezind zijn in overeenstemming met Christus Jezus”, en “eendrachtig, uit één mond, de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijken” (zie Rom. 15:5-6).

Ik moet ook niet vragen: Zullen in deze laatste dagen van de geschiedenis van de gemeente op aarde alle kinderen van God er wel toe gebracht worden zich op deze wijze te vergaderen? In dit opzicht zijn er ons geen beloften gegeven. Maar God verwacht van mij dat ik Zijn Woord onverbiddelijk gehoorzaam. Of anderen het doen of niet, is niet mijn zaak; ieder mens is voor zichzelf voor God verantwoordelijk. Als wij, voor zover het aan ons is, die dingen weg doen of terzijde laten, wat voor onze broeders een goede reden zou kunnen zijn om zich verre van ons te houden, dan zullen we een onberispelijk geweten hebben, ook al is het hart diep bedroefd door de scheuringen die het lichaam van Christus verdelen. We zullen dan genieten van de zegeningen die verbonden zijn met het samenkomen van de gelovigen op de grondslag van de waarheid, en wel in die mate, waarmee we in staat zijn de goddelijke gedachten in geloof verwerkelijken.

Broeders, de tijd dringt! De Heer is nabij! Zijn Woord zegt dat, en alles om ons heen wijst met kracht daarop heen. Wensen wij, als Hij komt, in verbinding met de wereld te worden gevonden, die Hem haat, of gescheiden van elkaar als broeders, die omwille van nietige oorzaken vijandig tegenover elkaar staan? Zouden we willen lijken op die knechten, die daar eten en drinken met de dronkaards en hun mede-dienstknechten slaan? Neen, duizendmaal neen! Laat ons gevonden worden zoals eens Israël in Egypte, dat in afwachting van de beloofde bevrijding van de inwoners van het land zich afzonderde en zich achter de met bloed bestreken deuren om het lam, het teken van de verlossing, schaarde, hun lendenen omgord, de schoenen aan hun voeten, de staf in hun hand; dat betekent met andere woorden: voorbereid te zijn om op elk ogenblik de reis naar Kanaän aan te vangen! (verg. Ex. 12:5-11).

Ja, dat we allemaal zo gevonden zouden worden:

  • gescheiden van de wereld;
  • met elkaar verenigd om de dood van onze geliefde Heer te verkondigen;
  • ijverig in onze inspanningen voor hen die ‘buiten’ zijn;
  • elkaar aanvurend tot liefde en goede werken;
  • Hem verwachtend, onze veel geliefde Verlosser, “Die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid!” (Hebr. 10:24-25; Fil. 3:20-21).

Zegen

Op deze wijze zullen we, indien we afzien van alle menselijke ondersteuning en alle eigen meningen en uitvindingen, hoe langer hoe meer de wonderbare trouw van de Heer ervaren, alsook de toereikendheid van Zijn Woord en Zijn Geest in het bijeenbrengen en het leiden van de gelovigen; hoe langer hoe meer beproeven hoe gezegend en kostelijk het is om samen te komen in de Naam van Jezus en op Hem te wachten, Die als het Hoofd van Zijn lichaam in al onze behoeften zo graag en gewillig wil voorzien; hoe langer hoe meer onze vereniging daar met Hem in heerlijkheid boven als het doel van onze hoop beschouwen, en met gelukkige harten instemmen met het getuigenis: “Amen, kom, Heer Jezus” (Openb. 22:20).

NOTEN:
1. Het artikel heeft hier en daar lange zinnen, dat het lezen wel bemoeilijken kan. Verschillende ervan zijn al aangepast, hetgeen voorzichtig gebeuren moet i.v.m. de boodschap die er in verwoord wordt. Toch raad ik een ieder aan om dit artikel door te lezen en erover na te denken. De overeenkomst met de toestand in de christenheid van onze huidige tijd is hier en daar verrassend actueel.
2. ‘U’: hier meervoud.
3. Of ‘God is geest’.
4. Of ‘waarvoor wij dankzeggen’.

R. Brockhaus Verlag, © Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW