4 jaar geleden

Opdat allen één zijn … (1)

In het volgende vrij uitgebreide artikel gaat het om een gescand boek, dat in 1903 door R. Brockhaus Verlag werd gepubliceerd (“Auf daß sie alle eins seien”). Dit meer dan honderd jaar oude boek is een zeldzaamheid. De boodschap van deze uitgave is desalniettemin nog steeds actueel1.

“En Ik vraag niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons één zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden. En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkent dat U Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad zoals U Mij hebt liefgehad. Vader, wat * U Mij hebt gegeven — Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad vóór [de] grondlegging van de wereld” (Joh. 17:20-24).

* Anderen lezen ‘die’.

Iedere gelovige zal toegeven dat het God Zelf is, die de vergadering – {de gemeente, de kerk (ecclesia); het komt niet zozeer op de titel of naam aan, wanneer men het juiste daaronder verstaat} – het lichaam van Christus vormt, doordat Hij de zielen naar Zijn Zoon leidt (Joh. 6:44). Zijn er bijvoorbeeld op de plaats waar ik woon, honderd of tweehonderd ware christenen, dan vormen zij de gemeente van God in deze plaats. Zo lezen we in Handelingen van “de gemeente die in Jeruzalem was” (Hand. 8:1-3). Op een andere plaats staat: “De Heer voegde dagelijks bijeen ** die behouden werden” (Hand. 2:47). Allen die het woord van de apostelen met een gewillig hart ontvingen, vormden de vergadering, de gemeente van God in Jeruzalem. God Zelf maakte hen tot leden van Zijn gemeente, doordat Hij hen tot leden van Christus maakte, Die “het Hoofd van het lichaam, de gemeente” is (Kol. 1:18; zie ook Ef. 1:22-23). De apostel Paulus schreef brieven aan “de gemeente van God die in Korinthe is”, of “aan de gemeente van [de] Thessalonikers in God [de] Vader en [de] Heer Jezus Christus”. Het komt geen mens toe dit naar willekeur te veranderen. Hij heeft noch het recht om een ​​persoon die God heeft toegevoegd, uit te sluiten, noch een andere die Hij niet erkent, toe te voegen. De mens heeft hier alleen maar te erkennen, wat God gedaan heeft.

** Dit is “toe aan de gemeenschap” (zie Hand. 2:1). Daar staat: “… waren zij allen gemeenschappelijk bijeen”. Dat wil zeggen “op één plaats”, zoals in 1 Kor. 11:20; 14:23.

Kan het nu dan naar de wil van de Heer zijn, wanneer Zijn discipelen datgene, wat Hij heeft samengevoegd, scheiden, doordat zij meerdere gemeenten in één stad vormen, die door zelfgekozen namen of door bepaalde leerstellingen, principes of statuten zich van elkaar onderscheiden en elk voor zich afgezonderd bestaan? Het is toch voor christenen niet opgehouden, dezelfde Verlosser, dezelfde Heer, dezelfde God en Vader, hetzelfde geloof en hetzelfde hemelse eeuwige vaderland te hebben? Er is één lichaam en één Geest, één hoop, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen: een zevenvoudige, prachtige eenheid! (zie Ef. 4:4-6; Gal. 3:26-28; Kol. 3:11). Deze eenheid is niet opgehouden te bestaan, hoewel zij door veel christenen vandaag niet meer begrepen of verwerkelijkt wordt. Of was het waarschijnlijk de bedoeling van de Heer, dat zij niet langer zou moeten bestaan of zou moeten worden genegeerd, toen Hij tot de Vader bad: “… opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons één zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden”? (Joh. 17:21). Wie zou de moed hebben om zoiets te beweren?

Maar men voert aan dat het in het laatste bijbelvers, zoals ook elders, om een geestelijke, onzichtbare eenheid gaat, om een eenheid die altijd onder de ware leden van Christus zal bestaan. Maar de woorden van de Heer: opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden”, weerleggen dit bezwaar onmiddellijk en voor altijd. Voor een wereld die alleen maar gelooft in wat ze ziet, is een onzichtbare eenheid zonder enige bewijskracht, zonder enige waarde. Hoe kan zij in een Hoofd geloven als zij geen spoor meer ziet van het lichaam als één geheel, echter alleen maar gescheiden leden die soms zelfs vijandig tegenover elkaar staan, en die in plaats van met elkaar te wandelen en te arbeiden, elkaar onderling afbreken? Nee, dit hele lichaam, “samengevoegd en verbonden door elk gewricht dat de ondersteuning verleent …” (Ef. 4:16), en dat alleen door één gemeente (hoewel misschien, als gevolg van het aantal of de plaatselijke omstandigheden, de bijeenkomsten niet altijd op één plaats kunnen plaatsvinden) in elke plaats zichtbaar vertegenwoordigd wordt, moest de wereld er toe brengen om in het reeds verheerlijkte Hoofd van dit lichaam te geloven. Dus was het een korte tijd. De discipelen waren “eenparig” samen en volhardden, bezield door dezelfde Geest, “in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden” (Hand. 2:42). Maar al snel doordrong het zuurdesem van de splitsingen en boze leer het gehele deeg, en Paulus moest de Korinthiërs al toeroepen: “Want u bent nog vleselijk. Want als er jaloersheid en twist onder u is, bent u dan niet vleselijk en wandelt u niet naar [de] mens? Want wanneer iemand zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: ik van Apollos, bent u dan niet vleselijk?” (1 Kor. 3:3-4). Maar hoewel het zaad van verdeeldheid zich dus reeds in het midden van de gelovigen openbaarde, schijnen noch de Korinthiërs noch enige andere gemeente in de apostolische tijden in het geheel niet gedacht te hebben, zich in een en dezelfde plaats in verschillende gemeenten te moeten splitsen. Het kan inderdaad wel zo zijn, dat bij afzonderlijke personen zulke ideeën wortel geschoten hebben; maar in het algemeen werden ze zeker beslist veroordeeld.

Pas later is de vijand erin geslaagd, om zijn boze werk tot deze graad te volbrengen. Maar zou men het voor mogelijk houden, dat het zelfs bij ware gelovigen zover kon komen om dit werk te willen rechtvaardigen? Men stelt de splitsingen als een onvermijdelijk gevolg van de diversiteit van de inzichten van de menselijke geest voor; alsof het de menselijke geest zou zijn, die het lichaam van Christus zou moeten bezielen en leiden, en niet de Geest van Christus zelf. Ook zegt men het volgende:

* de splitsingen zijn een kans voor christenen om zich in geduld en wederzijds verdragen te oefenen;

* het kwaad is geen kwaad meer, wanneer God ​​in Zijn oneindige goedheid en wijsheid er iets goeds uit voort laat komen;

* men kan kwaad doen, opdat er goeds uit voort komt;

* tenslotte: er zijn nu nog niet genoeg meningsverschillen, tekortkomingen en zwakheden in de gemeente aanwezig, waarmee de christenen hun geduld en mildheid kunnen oefenen.

Men leze nu Romeinen hoofdstuk 14.

Bovendien, het is zeker een vreemd soort van geduld en mildheid, wanneer men zich van hen scheidt of zich verre houdt van hen, die men zou moeten verdragen en liefhebben! Bewondert men ook het geduld en wederzijdse liefde tussen twee echtgenoten, die gescheiden door onverenigbaarheid van inzichten en stemmingen, ieder voor zichzelf op hun eigen manier leven, maar niettemin een vriendelijk gezicht tonen wanneer ze elkaar in de wereld ontmoeten? En dat zou de eenheid zijn waartoe de discipelen van Jezus geroepen zijn? Zou dat dan alles zijn wat de Heer voor hen wenste, toen Hij zei: “opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons één zijn”? En zou een dergelijk gedrag de wereld tot het geloof kunnen brengen, dat Jezus werkelijk door God gezonden werd? We laten het antwoord met vertrouwen aan de lezer over.

Het Woord van God

Maar, vraagt men zich af, wat moeten de gelovigen in onze tijd dan doen, aangezien de verwarring wel eens zo groot geworden is? Ze behoren te luisteren naar datgene, wat het Woord van God zegt en dienovereenkomstig handelen. De goddelijke waarheid blijft altijd hetzelfde, ook al mogen de tijden en omstandigheden anders geworden zijn. Of moet God Zijn eeuwige gedachten en raadsbesluiten aan de dwaasheden van de mensen aanpassen en het in overeenstemming met hun ontrouw inrichten? Moet Hij het eeuwig en altijd aan de veranderende opvattingen van de mensen aanpassen? Nee, zegt men, maar het is zo moeilijk om in deze moeilijke eindtijden de gedachten en de wil van God goed te begrijpen. Daarop zouden we dan graag willen antwoorden: Het kan nu vaak moeilijk zijn om de wil van God uit te voeren, omdat zo veel vijandige invloeden zich daar tegen kanten en de eigen wil van de mens zo groot is; maar deze wil te herkennen en te begrijpen is niet zo moeilijk, met als enige voorwaarde dat het oor besneden en het hart eenvoudig is. “… de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar, zij geeft de eenvoudige wijsheid” (Ps. 19:7). Wij zouden hier graag uw aandacht op drie bijbelteksten willen vestigen, die ons helder en duidelijk de weg en de wil van God in dit opzicht laten kennen.

1. De eerste is te vinden in het boek Handelingen. Zij luidt: “Laat u behouden van dit verkeerde geslacht!” (Hand. 2:40). Deze woorden tonen duidelijk ons hoe God over elke verbinding met de kinderen van de wereld denkt. Het is een hemelsbreed verschil met de wil van God. Welke gemeenschap heeft licht met duisternis, welk deel heeft een gelovige met een ongelovige? De gelovigen zijn de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft: “Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn”. Wat blijft hen dan anders over uit het midden van de ongelovigen te gaan en niet aan te raken wat onrein is? Ja, dit is de specifieke opdracht van God (2 Kor. 6:14-18).

2. De tweede bijbeltekst staat in het 18e hoofdstuk van het evangelie van Mattheüs en luidt: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam (eigenlijk: tot Mijn Naam heen), daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18:20). We mogen wel aannemen, dat de Heer met vooruitziende blik op de trieste toestand – waarin de kerk geleidelijk aan komen zou – deze kostbare mededeling gedaan heeft. Het is inderdaad een buitengewone kostbare belofte, ja, meer dan een belofte: het is een feit. Al zou het aantal gelovigen nog zo gering worden, al zouden het slechts twee of drie zijn die aan de waarheid vasthouden en zich, gescheiden van alle menselijke systemen en organisaties, eenvoudig rondom de Naam van hun Heer scharen, zich alleen tot Hem vergaderen, – Hij erkent het zwakke getuigenis en is in hun midden. En als Hij daar is, wat zouden ze meer kunnen wensen?

3. De derde Schriftplaats bevindt zich wederom in het boek Handelingen, en we hebben deze al eerder genoemd. Het zijn de woorden in Handelingen 2:42: “Zij nu bleven volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden”. De gelovigen moeten daarom niet alleen acht geven op de vermaning om zich af te zonderen van de wereld en samenkomen in de Naam van Jezus, maar ze worden ook opgeroepen om in de hiervoor genoemde vier dingen te volharden. Wel kunnen ze over ondergeschikte punten van de leer een andere mening hebben, zoals bijvoorbeeld over de zondagsviering, over de toepassing van de doop, over de uitleg van sommige delen van de profetie en dat soort dingen. Maar ze moeten nooit vergeten dat zij zich niet om de zondag, om de doop, om een of ander profetisch woord vergaderen, maar om de gestorven en opgestane Christus, om Hem, Die het enige ware Brood van het leven is, waarmee allen zich voeden. Zolang dit bewustzijn hen vervult en leidt, zullen zij, ondanks die verschillende meningen en mogelijkerwijs daaruit voortvloeiende moeilijkheden, verenigd kunnen blijven. Ja, wanneer ze allen, wat ze dan ook zelf bereikt mogen hebben, in hetzelfde spoor wandelen (Fil. 3:16), dan zal God zeker Zijn kracht onder hen openbaren en al het ontbrekende hen genadig aanreiken.

Voorwaarden voor gemeenschap

Opdat het karakter van de gemeenschap als gemeente van God gezien wordt, mogen natuurlijk geen andere voorwaarden voor de gemeenschap geëist worden dan het volgende:

  1. een levend geloof in Christus,
  2. een waardige wandel, en
  3. zuiverheid in de leer.

Alle andere voorwaarden zijn menselijk en in strijd met het Woord van God. Verder te gaan zou het verlaten betekenen van het ware karakter van de gemeente en het afglijden tot een sekte. Wat het eerste punt betreft: een levend geloof in Christus, hoeven we ons waarschijnlijk niet langer meer mee bezig houden. Wij hebben hierboven immers al uitgelegd, en elke ware gelovige zal daar van harte mee instemmen, dat alleen kinderen van God, alleen leden van het lichaam van Christus, een plaats in de gemeente, aan de tafel van de Heer, hebben kunnen.

Verder worden we over het tweede punt, naast andere tekstplaatsen, in 1 Korinthe 5 op heel duidelijke en begrijpelijke wijze onderwezen. De apostel zegt: “Maar nu heb ik u geschreven, dat als iemand broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of rover, u met [hem] geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten” (1 Kor. 5:11). Zulke mensen moesten uit het midden van de gemeente, indien zij een plaats in haar gevonden hadden, weggedaan worden; want bij het huis van God behoort heiligheid. Hoe zou ook met de heilige Naam van de Heer Die aanwezig is, openbaar kwaad in verbinding gebracht worden? Maar als het kwaad zodra dit zich openbaart, weggedaan moet worden, dan moet het ook nooit bewust in het huis van God ingebracht worden. En dat de apostel bij het opnoemen van de boze dingen niet dacht aan het opstellen van een uitgebreide, uitputtende lijst, blijkt uit de laatste woorden van zijn onderwijs, wanneer hij zegt: “… Doet de boze (d.w.z. in het algemeen) uit uw midden weg” (1 Kor. 5:13).

Met betrekking tot het derde punt volstaat het om de aandacht te vestigen op een passage in de 2e brief van Johannes. Daar lezen we: “Als iemand tot u komt en deze leer (de leer van Christus) niet brengt, ontvangt hem niet in huis en begroet hem niet. Want wie hem begroet, heeft gemeenschap aan zijn boze werken” (2 Joh. :9-10). Hier is weliswaar niet rechtstreeks sprake van de gemeente; maar als ik persoonlijk iemand niet in huis opneem, noch hem Gods zegen op zijn weg toewens, dan zal zo iemand zonder twijfel ook geen opname in de gemeente vinden. Moreel kwaad en boze leer worden in het Woord van God “zuurdeeg” genoemd; beide dingen dragen dus voor God hetzelfde karakter en hebben hetzelfde boze effect: zij doorzuren het gehele deeg (1 Kor. 5:6; Gal. 5:9). Zuurdeeg moet daarom in alle ernst buiten gehouden of weggedaan worden. Buiten de genoemde gevallen echter zegt de Schrift: “Daarom neemt elkaar aan, zoals ook Christus u heeft aangenomen tot heerlijkheid van God” (Rom. 15:7).

• Herders en leraars

Wanneer de Heer in zo’n gemeente herders en leraars geeft, zoals Hij Zijn gemeente beloofd heeft te doen tot aan het einde (Ef. 4:11), dan het is de plicht van ieder afzonderlijk om deze gaven te erkennen. Maar niet door middel van een of andere ceremonie, of ook niet door het toekennen van namen en titels, waarvan we nergens een spoor in het Woord van God vinden, maar daardoor, dat hij ze met een dankbaar hart aanneemt en hun dienst als van God afkomstig erkent. Het is niet aan het oordeel van de gelovige als zodanig overgelaten hoe hij zich ten opzichte van zulke gaven wil gedragen, maar het Woord van God legt een ieder de plicht op om zulke mensen te erkennen, ja, zich aan hen te onderwerpen. Let wel, we praten over herders en leraars, die door de Heer gegeven blijken te zijn, niet van degenen die door mensen daartoe getraind en aangesteld zijn.

Het zal nuttig voor de lezer zijn als we enkele hierbij behorende tekstplaatsen uit de brieven van de apostelen aanvoeren. We lezen in 1 Korinthe 16:15-16: “En ik vermaan u, broeders (u kent het huis van Stéfanas, dat het is [de] eersteling van Achaje, en dat zij zich ten dienste van de heiligen hebben gesteld); weest ook u aan zulke personen onderworpen, en aan ieder die meewerkt en arbeidt”. Dan lezen we in 1 Thessalonicenzen 5:12-13: “Wij nu vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden en u leiding geven in de Heer en u terechtwijzen, en hen zeer hoog te achten in liefde om hun werk”. En de Hebreeën kregen de vermaning: “Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig” (Hebr. 13:17).

Deze drie tekstplaatsen (er zijn ook nog anderen) laten ons duidelijk zien, hoe God over deze kwestie denkt, en hoe Hij wil, dat in Zijn gemeente op deze aarde opbouw, leiding, orde enzovoorts aangeboden en in stand gehouden moeten worden. Nu zal er geen twijfel over bestaan dat het ingetreden verval het uitvoeren van de goddelijke gedachten erg moeilijk maakt, maar het zou heel verkeerd zijn om te denken dat het onmogelijk is geworden. Dat is geenszins het geval, zoals al degenen op lieflijke wijze ervaren mogen, die zich in eenvoud aan het Woord van God onderwerpen. De ontrouw van de mensen heft Gods trouw niet op, noch maakt Zijn Woord ongeldig. Wat we wel nodig hebben is een hartelijke, beslissende terugkeer naar wat wij vanaf het begin hebben gehoord (verg. 1 Joh. 2:24).

Met betrekking tot die gaven moeten ook vermaningen ter harte genomen worden, zoals in Galaten 6:6: “En laat hij die in het Woord wordt onderwezen, hem die onderwijst van alle goede dingen meedelen”. In 1 Tim. 5:17-18: “laat de oudsten die goed besturen, dubbele eer worden waard geacht, vooral zij die arbeiden in woord en leer; want de Schrift zegt: ‘Een dorsende os zult u niet muilbanden’, en: ‘De arbeider is zijn loon waard”.

Wordt DV vervolgd.

NOTEN:
1. Het artikel heeft hier en daar lange zinnen, dat het lezen wel bemoeilijken kan. Verschillende ervan zijn al aangepast, hetgeen voorzichtig gebeuren moet i.v.m. de boodschap die er in verwoord wordt. Toch raad ik een ieder aan om dit artikel door te lezen en erover na te denken. De overeenkomst met de toestand in de christenheid van onze huidige tijd is hier en daar verrassend actueel.

R. Brockhaus Verlag, © Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW