6 maanden geleden

Op de akker van Boaz (5)

Vers 10: Genade

“Toen wierp zij zich met het gezicht ter aarde, boog zich naar de grond en zei tegen hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u naar mij omziet, terwijl ik een buitenlandse ben?” (hfdst. 2:10).

Wat zou Ruth gedacht hebben toen ze deze overweldigende woorden hoorde? Zou het haar niet geïrriteerd hebben? Kon ze begrijpen dat deze rijke landeigenaar zo met haar omging? Toch zal ze tegelijkertijd een diep gevoel van geluk gehad hebben. Hoe zou ze nu reageren? Het “instinct” van haar geloof stelt haar in staat om de juiste houding aan te nemen: Ze valt op haar aangezicht en buigt zich naar de grond neer, overweldigd door de genade die ze gevonden heeft. Ze was niet gekomen om, om het even welke, rechten op te eisen, ze was gekomen om genade te vinden. En juist deze genade heeft ze nu gevonden, zonder tot dan toe precies te weten wie degene was, die haar deze genade bewees.

Iets dergelijks ervoeren ook de broers van Jozef. Wat ging er om in hun hart toen ze op de terugreis uit Egypte naar Kanaän plotseling het geld vonden in hun zakken (Gen. 42:35)? Het was een gunstbetoon van een voor hen onbekende man uit het land van de farao – zelfs toen ze dit nog niet hadden begrepen en daarom vreesden. Nog duidelijker is de parallel in het boek Esther. Wat zal er in het hart van Esther omgegaan zijn, toen zij de scepter in de hand van koning Ahasveros zag, dat voor haar aanname en barmhartigheid betekende? We lezen: “En het gebeurde, toen de koning koningin Esther in de voorhof zag staan, dat zij genade vond in zijn ogen, zodat de koning Esther de gouden scepter, die in zijn hand was, toereikte. En Esther kwam naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan” (Esther 5:2). Esther was ook een vrouw die gekomen was om genade te zoeken, en ze vond het voordat ze het huis van de koning bereikte.

Ruth drukt nu haar gevoelens uit met de woorden: “Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u naar mij omziet, terwijl ik een buitenlandse ben?” We horen soortgelijke woorden uit de mond van Mefiboseth, die aanname en genade bij David vindt. Ook hij buigt zich neer en zegt: “Wat is uw dienaar dat u aandacht schenkt aan een dode hond als ik ben” (2 Sam. 9:8). Wie een diep gevoel van genade heeft, die beroept zich niet meer op vermeende rechten, maar wordt overweldigd door datgene wat de genade voor niets geeft en neemt het in geloof aan.

Verbazen we ons niet steeds weer, als we de genade van onze Heer zien, Die ons rijkelijk zegent? We hebben alle reden om ons in diepe dankbaarheid en bewondering neer te buigen voor onze Heer, en met Ruth te zeggen: “Waarom hebben wij genade gevonden in uw ogen?” Wij, die toch nergens op kunnen bogen! Wij die toch geen enkel recht hadden! Wij, die uit een vreemd land kwamen! Wij, die eigenlijk alleen oordeel hadden verdiend! De Efezebrief vertelt ons: “Daarom bedenkt dat u, die vroeger de volken in [het] vlees was [en] onbesneden werd genoemd door de zogenaamde besnijdenis die in [het] vlees met handen gebeurt, dat u in die tijd zonder Christus was, vreemd aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte, terwijl u geen hoop had en zonder God was in de wereld. Maar nu in Christus Jezus, bent u, die vroeger veraf was, nabij gekomen door het bloed van Christus” (Ef. 2:11-13). Deze genade, die alleen uit het hart van de Heer kan komen, zijn we niet in staat te begrijpen en te vatten. Ruth vond toen geen antwoord op haar vraag en ook wij zullen het niet vinden.

Vers 11: Nog een Goddelijk getuigenis

“Boaz antwoordde en zei tegen haar: Het is mij allemaal verteld, alles wat u na de dood van uw man voor uw schoonmoeder gedaan hebt, en hoe u uw vader en uw moeder en uw geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat u voorheen niet kende” (hfdst. 2:11).

In de verzen 6 en 7 hoorden we de knecht die over de maaiers was gezet, over Ruth spreken. Nu is het Boaz zelf die iets van haar zegt en daarbij de motieven van haar hart onthult. Hij gaat zelfs niet direct in op wat Ruth zegt. Zij spreekt van genade, maar hij spreekt over wat zij heeft gedaan.  Hebben we niet een grote Heer?! Daar staan wij als voorwerpen van Zijn genade en in het bewustzijn van deze genade voor Hem en Hij spreekt van datgene, wat wij uit liefde gedaan hebben! Zijn we niet onnutte dienstknechten die niet eens doen wat we schuldig zijn te doen? Toch spreekt Boaz daarover niet. Hij spreekt van “verdiensten”, hij spreekt van loon.

Boaz zegt eerst: “.. Het is mij allemaal verteld”. Zijn oren is niets ontgaan. Hij had gehoord wat zijn dienaar hem had gezegd. Ook onze Heer ontgaat niets. Hij hoort alles, hij ziet alles. De psalmist zegt: “Zou Hij Die het oor plant, niet horen? Zou Hij Die het oog vormt, niet zien?” (Ps. 94:9). Zo registreert de Heer alles wat we doen, alles wat we zeggen, maar ook alles wat we denken. Hij merkt wanneer we een beslissing voor Hem nemen, wanneer we ijverig verzamelen en ons voeden met het Woord van God. Verlangen naar Zijn Woord en Zijn zegen is iets, wat Hij waarneemt en waarover Hij zich verblijdt. De mensen om ons heen en onze broeders en zusters mogen dat wat we doen soms niet zien noch waarderen, maar de Heer weet alles. Sommige dingen gebeuren in het geheim, ergens, en niemand ziet het, maar de Heer ziet alles. Niets is voor Hem verborgen.

Ruth zocht helemaal geen erkenning, al helemaal niet die van mensen. Van wie zoeken wij eigenlijk erkenning? Willen we eer van mensen, de eer van onze medebroeders of medezusters? Of zoeken we de eer van de Heer? Als dat zo is, dan mogen we eenvoudig alles aan Hem overlaten. De hoogste lof is de lof van de Heer, die wij dienen willen.

Maar Boaz spreekt helemaal niet over dat wat Ruth op zijn akker gedaan heeft. Hij spreekt niet van haar arbeid, maar van haar beslissing om Moab te verlaten. Na de dood van haar man had ze zich om Naomi bekommerd, had vader, moeder en het land van haar geboorte verlaten en was naar een volk getrokken, dat zij niet eerder gekend had. Zij handelde daarmee als Abraham, de man van groot geloof, die ook naar een land trok dat voorheen onbekend voor hem was (Hand. 7:2-4). We weten niet welke innerlijke conflicten deze beslissing bij Ruth opgewekt heeft, maar we kunnen ons goed voorstellen dat het allesbehalve gemakkelijk voor haar was om haar huis te verlaten en te verhuizen naar Bethlehem. Haar liefde en toewijding aan Naomi en aan het volk dat ze nog helemaal niet kende, waren echter groter. En precies daarover spreekt Boaz. De Heer ziet niet op het uiterlijke, maar Hij beoordeelt de motieven en de redenen van het hart. Hij ziet of bij ons liefde, toewijding en geloof aanwezig zijn. Zonder twijfel is het belangrijk dat we ons bezighouden met de christelijke waarheid, dat we de zegen willen ontvangen die Hij geeft. Zonder twijfel is het voor Hem ook belangrijk, dat we voor Hem arbeiden. Maar van cruciaal belang daarbij is onze innerlijke houding, onze motivatie. Dat bepaalt Zijn waardering.

Vers 12: loon van de HEER

“Moge de HEERE uw daad vergelden, en moge uw loon volkomen zijn van de HEERE, de God van Israël …” (hfdst. 2:12a).

Had Ruth misschien gehoord wat Naomi bij haar terugkeer naar Bethlehem had gezegd: “Ík ging vol weg, maar de HEERE heeft mij leeg laten terugkeren” (hfdst. 1:21)? Hoewel ook bitterheid in de woorden van Naomi meeklonk en zij zelfs God verwijten maakte, zo ligt in haar woorden toch ook waarheid. Want ze was inderdaad vol weggegaan. Maar dat ze leeg terugkeerde – dat was haar eigen schuld. Maar de genade brengt de zegen in de persoon van de schoondochter. Boaz spreekt van loon. En niet alleen dat. Hij zegt: “Moge uw loon volkomen zijn van de HEERE”. Als de Heer vergelding en beloning geeft, dan nooit spaarzaam, maar dan is er een vol loon.

Wij denken aan de rechterstoel van Christus (verg. 2 Kor. 5:10), waar ook voor ons eens beloning zal zijn. Alles wat we uit liefde tot de Heer Jezus gedaan hebben, zal Hij belonen. Ook in het laatste boek van de Bijbel geeft Hij ons de belofte: “Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om ieder te vergelden zoals zijn werk is” (Openb. 22:12). En wat zal de Heer belonen? Is het niet in de eerste plaats de trouw en toewijding waarmee we onze taken vervuld hebben? De Heer Jezus Zelf zegt: “Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal Ik je stellen; ga de vreugde van je heer in” (Matth. 25:23). Zeker moet de beloning geen motivatie zijn voor wat we doen, maar de Heer zal Zich niet laten ontnemen om ieder trouw te belonen.

Een veilig toevluchtsoord

“… onder Wiens vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen” (hfdst.2:12b).

Boaz spreekt niet alleen van het loon, dat voor Ruth in de toekomst lag, maar hij herinnert haar eraan dat ze met haar beslissing om Moab te verlaten en met Naomi naar Bethlehem te vertrekken, een veilige toevlucht gevonden had. Ze had tegen Naomi gezegd: “… uw God is mijn God” (hfdst. 1:16) en nu herinnert Boaz haar eraan, dat deze God van Israël een God is, onder Wiens vleugels zij toevlucht vindt. De vleugels spreken aan de ene kant van bescherming en veiligheid, aan de andere kant herinneren ze ons aan macht en kracht. Onder de vleugels is toevlucht te vinden en op de vleugels mogen we uitrusten. Een hele reeks bijbelplaatsen wijzen op deze beide zijden van de vleugels:

  • “Bewaar mij als Uw oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels” (Ps. 17:8).
  • “Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels” (Ps. 36:8).
  • “Wees mij genadig, o God, wees mij genadig, want mijn ziel heeft tot U de toevlucht genomen; ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels, totdat de rampen voorbij zijn gegaan” (Ps. 57:2).
  • “… voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest; onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen” (Ps. 63:8).
  • “Hij zal u beschutten met Zijn vlerken, onder Zijn vleugels zult u de toevlucht nemen, Zijn trouw is een schild en een pantser” (Ps 91:4).
  • “Ik zal in alle eeuwigheid in Uw tent verblijven, mijn toevlucht zoeken in de schuilplaats onder Uw vleugels” (Ps 61:5).
  • “U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en hoe Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb” (Ex. 19:4).
  • “Zoals een arend zijn nest opwekt, boven zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitspreidt, ze pakt en ze draagt op zijn vlerken …” (Deut. 32:11).

Ruth had beide nodig. Zij verlangde als vreemdeling naar een toevluchtsoord en als zwakke vrouw had ze kracht en sterkte nodig.

Vers 13: Wederom: genade

“En zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, want u hebt mij getroost en u hebt naar het hart van uw dienares gesproken, hoewel ik niet ben als een van uw dienaressen” (hfdst. 2:13).

Ruth blijft nederig. Zij beeldt zich niets in dat Boaz met haar gesproken heeft. Zij eist niet, maar zij blijft bescheiden. Haar antwoord is eenvoudig: “Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer! …” Ook als de Heer over onze “verdiensten” spreekt, als Hij de beloning noemt, dan moeten we niet geloven dat we iets van ons uit bereikt hebben. Het is en blijft alles Zijn genade. Hoe groter ons bewustzijn is van Zijn genade in ons leven, des te meer zullen wij naar die genade verlangen. Dat is de houding die Hij zoekt bij ons.

Vervolgens noemt Ruth twee dingen die zij op de akker van Boaz vond, en die ook wij daar zullen vinden. Ze zegt “… u hebt mij getroost en u hebt naar het hart van uw dienares gesproken”.

Op de akker van Boaz is ook troost. Als we ons met onze zegeningen bezighouden en de waarheid van Gods Woord voor ons staat, dan ontvangen wij niet alleen instructies, onderwijs, vermaning en bemoediging, maar ook troost. In 1 Korinthe 14 spreekt Paulus over de dienst van de profetie, en dat kunnen we in de toepassing met de akker van Boaz in verbinding brengen. Hij noemt daar: “Want u kunt allen, één voor één, profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden” (1 Kor. 14:31). Profetie betekent dat je spreekt vanuit de tegenwoordigheid van God en heeft ook tot gevolg dat de toehoorders vertroost worden. Hebben we dat niet allen vaak ervaren, toen we in de tegenwoordigheid van de Heer waren om Zijn Woord te horen?

Op de akker van Boaz wordt ook tot onze harten gesproken. Het gaat onze Heer in de eerste plaats om onze genegenheid – en daarvan spreekt het hart -, om onze liefde tot Hem. Deze liefde wil Hij doen ontvlammen, doordat Hij onze harten brandend maakt voor Hem. Als de apostel Paulus voor het eerst naar Europa komt en het evangelie verkondigt, lezen we het prachtige woord dat de Heer het hart van Lydia opende, zodat zij acht gaf op wat er gezegd werd (verg. Hand. 16:14). De Emmaüsgangers konden getuigen: “Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?” (Luk. 24:32). Op de akker van Boaz gaat het niet zo zeer om ons verstand, maar om ons hart. Natuurlijk hebben we het verstand nodig, maar de dienst van het Woord is gericht op het hart. Het verstand neemt wel de waarheid op, maar als we het alleen in het hoofd hebben, dan kunnen de benen ons spoedig niet meer dragen. De zegeningen waarmee de Heer ons zegenen wil, zijn juist voor het hart bedoeld.

Een verschil

hoewel ik niet ben als een van uw dienaressen” (hfdst. 2:13).

We weten niet wat Ruth voelde tijdens deze uitspraak. Ze zag de meisjes op de akker van Boaz en vergeleek hen met haarzelf. Wat zij vaststelde was een verschil tussen de dochters van Bethlehem en de dochters van Moab. Was Ruth verdrietig daarover? We weten het niet. Hoe dan ook, zij had het gevoel dat zij, ondanks de ontvangen genade en ondanks de woorden van Boaz gewoon anders dan de anderen was.

Ruth stelt ons in deze uitspaak een gelovige voor, die onder de indruk van de genade van de Heer is en deze genade ook hebben wil maar die echter nog geen zekerheid heeft en nog niet in de liefde van zijn of haar Heiland rust. Ruth had de tijd nodig, totdat het zo ver was. Zo vergaat het veel mensen die diep onder de indruk van de genade van de Heer Jezus zijn, maar toch vaststellen, dat ze nog geen vaste vrede hebben. Maar de Heer wil ons verder leiden. Hij wil dat we ons allen veilig weten op het fundament van Zijn volbrachte werk aan het kruis. Paulus schrijft aan de Korinthiërs: “Ik maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u ook hebt aangenomen, waarin u ook staat” (1 Kor. 15:1). De volledige aanvaarding van dat, wat God ons in Zijn Woord zegt, geeft ons een zeker fundament, waarop we kunnen staan.

Zolang we nog op onszelf zien en onszelf met anderen vergelijken, kunnen we gemakkelijk tot de conclusie van Ruth komen. We krijgen alleen veiligheid en zekerheid wanneer we ons niet langer bezighouden met onszelf en onszelf met anderen vergelijken. Ruth was reeds diep onder de indruk van Boaz, maar het zou nog enige tijd duren, voordat ze eindelijk bij Hem tot rust kwam.

Slot.

Ernst-August Bremicker, © www.bibelpraxis.de

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol