11 maanden geleden

Op de akker van Boaz (3)

Vers 3: Toeval of leiding?

“Daarop ging zij op weg, kwam op de akker en raapte aren achter de maaiers. En het overkwam haar dat zij op een deel van de akker van Boaz terechtkwam, die uit het geslacht van Elimelech was”.

“Zo ging zij heen en kwam … En haar viel bij geval voor, een deel van het veld van Boaz …” (hfdst. 2:3 – SV).

Ruth liet het niet bij goede voornemens. In overeenstemming met Naomi begint ze daadwerkelijk met het oplezen van korenaren. Ook de zogenaamde “verloren zoon” deed het op die manier. Toen hij tot zichzelf kwam en zijn ellende zag, rijpte in hem de beslissing om terug te gaan naar zijn vader, waar overvloed was. En dan lezen we de woorden: “En hij stond op en ging naar zijn vader” (Luk. 15:20). Goede voornemens alleen helpen ons niet verder, ze moeten ook – met de hulp van de Heer – in praktijk worden gebracht.

En de Heer hecht waarde aan haar ijver. Ze gaat heen en komt ‘bij geval’ op de akker van Boaz. De vraag is of er toeval in het leven van de gelovige is of niet. Is niet alles in ons leven beschikking en leiding van God? En toch staat hier zeker niet zonder reden “bij geval”. We moeten niets van het Woord van God afdoen. Als God zegt: “bij geval”, dan bedoelt Hij ook “bij geval”. Maar we moeten acht geven op het standpunt (??). Toeval was het vanuit het perspectief van Ruth. Vanuit Gods perspectief is het natuurlijk geen toeval. Van God uit was het beschikking, maar Ruth kon het alleen zien als toeval. Eerst tenminste. Later herkende ze daarin ongetwijfeld de genadige leiding van God. Zo gaat het ons ook vaak: Wat ons op toeval lijkt, zien we achteraf in een ander licht. Voor God kan er geen toeval zijn. Net zoals de hand van God daarin was, dat Ruth bij geval op de akker van Boaz kwam, zo is Zijn hand ook in alles, wat ons betreft.

Maaiers op het gebied van Boaz

“Daarop ging zij op weg, kwam op de akker en raapte aren achter de maaiers …” (hfdst. 2:3).

Op de akker van Boaz is Ruth niet alleen. Eerst worden de maaiers vermeld die op de akker van Boaz werkten, en ervoor verantwoordelijk waren dat het graan gemaaid werd, zodat anderen het konden oplezen.

Op de akker van Boaz zijn ook wij niet alleen. Als we ons met de zegen van God bezighouden, die God ons in Zijn genade geven wil, wanneer we de waarheden van het Woord van God willen leren kennen, dan zijn er anderen die ons daarbij kunnen helpen.

Waarvan spreken de maaiers, wanneer we een toepassing op ons maken? Tonen zij ons niet broeders, die de Heer gegeven heeft om het Woord van God zó uit te leggen, dat anderen ervan kunnen profiteren; broeders, die in staat zijn om het Woord van God in overeenstemming met het begrip en de graad van groei van ieder afzonderlijk, te verklaren? Het zijn broeders die het Woord en de zegen die beschikbaar is, verder doorgeven. Paulus moedigde Timotheüs aan ook zo’n maaier te zijn. Hij zegt: “Beijver je, je aan God beproefd voor te stellen als een arbeider die zich niet hoeft te schamen, die het Woord van de waarheid recht snijdt” (2 Tim. 2:15) [1]. De maaiers herinneren ons ook aan de Levieten in Nehemia 8 vers 8, die de wet lazen en de betekenis aangaven, zodat je kon begrijpen wat er voorgelezen werd. De taak van de maaiers is het dus om het Woord van God begrijpelijk te maken voor anderen.

Zulke mannen Gods, die de zegen toegankelijk maken, die ons de gedachten van God verklaren, zijn er altijd geweest. Met name in de samenkomsten tot verkondiging van het Woord gebruikt de Heilige Geest – Die we later nog in de knecht die over de maaiers gezet is, weer terug vinden – broeders, om vanuit de tegenwoordigheid van God het Woord te verkondigen. Maar ook algemene bijbelbesprekingen, conferenties, bijbelstudies tijdens vakanties, huiskringen, etc. zijn gelegenheden waar de maaiers hun werk doen. Hebben we het niet allen vaak meegemaakt, dat de Heer in een samenkomst tot ons gesproken heeft en we rijke zegen ontvangen hebben?

Echter de dienst van de maaier is niet beperkt tot openbare bijeenkomsten. De apostel Paulus zei tegen de oudsten van Efeze: “U weet … hoe ik van wat nuttig was niets heb nagelaten u te verkondigen en te leren in het openbaar en in de huizen” (Hand. 20:18,20). Ook in de huizen, dat wil zeggen in persoonlijke gesprekken, vinden de maaiers een werkterrein.

Daarnaast wordt de dienst van maaier niet alleen verbaal, maar ook schriftelijk uitgeoefend. Begrijpelijk geschreven bijbelcommentaren en uitleggingen helpen ons het Woord van God  beter te begrijpen. Het is aan ons om ook daarvan rijkelijk gebruik te maken.

Van Ruth lezen we nu, dat ze achter de maaiers oplas. Ze handelde niet eigenwillig, maar in verband met de maaiers. Soms hoort men de verklaring dat wij, die de Heilige Geest bezitten, het Woord van God net zo goed uitsluitend alleen kunnen lezen, en niet op de hulp van anderen aangewezen zijn. In principe is het natuurlijk juist, dat de Heilige Geest ons leidt in alle waarheid (verg. Joh. 16:13). En toch heeft God het goed bevonden een weg te kiezen, waarop ook de “maaiers” hun plaats hebben. Deze weg vinden we in Efeze 4 voorgesteld. Daar lezen we: “En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars, om de de heiligen te volmaken, tot [het] werk van [de] bediening, tot [de] opbouw van het lichaam van Christus; totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van [de] volgroeidheid van de volheid van Christus” (Ef. 4:11-13). De goddelijke weg is dus, dat er gaven zijn die het werk van de dienst doen; en het doel daarvan is de geestelijke groei van de gelovigen. Wie die de door God gegeven gaven afwijst, wijst uiteindelijk – hoewel misschien ook ongewild en onbewust – de Gever van de gaven af. Daarnaast is het hoogmoed als men denkt, dat men de dienst van de door God gegeven gaven niet nodig zou hebben.

Vers 4: Boaz verschijnt op de akker

“En zie, Boaz kwam uit Bethlehem, en zei tegen de maaiers: De HEERE zij met u! En zij zeiden tegen hem: De HEERE zegene u!” (hfdst. 2:4).

De maaiers zijn aan het werk, Ruth is op het veld en verzamelt achter de maaiers. En dan verschijnt Boaz zelf op het toneel. Wanneer we ons met de rijkdommen en de zegeningen van God bezighouden, komt de ware Boaz Zelf om gemeenschap met ons te hebben. We hebben niet alleen de zegen van Zijn Woord, maar in verbinding daarmee de zegen van Zijn tegenwoordigheid – wat we op een bijzondere wijze in de samenkomsten ervaren. Boaz komt uit Bethlehem, uit het broodhuis. De zegen op de akker kan niet los worden gezien van zijn persoon. Geestelijk voedsel voor de Christen is onafscheidelijk met Zijn Persoon verbonden. Hij Zelf is immers “het brood des levens”. Met Hem voeden we ons.

Het korte gesprek tussen Boaz en de maaiers getuigt van een harmonieus samenleven. Tussen de Heer van de akker en zijn knechten was geen wanklank. Hij heeft een zegengroet voor hen en ze antwoorden ook op een prachtige wijze. Wanneer de maaiers ook vandaag vanuit deze harmonie hun werk doen, zal de dienst van de door de Heer gegeven gaven ook werkelijk tot welzijn zijn van de anderen.2

Wordt DV vervolgd.

NOTEN:
1. Interessant in dit verband is de opmerking, waarin staat: “Eigenlijk in de juiste richting maait”. Deze uitdrukking past heel goed bij de activiteit van de maaiers in het boek Ruth.
2. Van de relatie tussen Boaz en de maaiers ontvangen we daarover ook praktische lessen voor ons werk. We herkennen hier een harmonieuze relatie tussen werknemers en werkgevers, zoals ze ook vandaag de dag nog gevonden moet worden.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol