2 weken geleden

Onze zonden – achter Gods rug

 

Jesaja 38 vers 17

In de bijbel zijn de handen van God een onmiskenbaar thema. Gods rug, aan de andere kant, waarschijnlijk minder. In feite krijgt wat zich achter onze rug bevindt, minder aandacht dan wat zich in ons gezichtsveld bevindt. Toch maakt God ons door het beeld van Zijn rug duidelijk hoe Hij ons vergeeft.

De rug van onze Heiland herinnert ons aan het lijden, dat Hij doorstond door toedoen van ons mensen, toen Hij voor ons leed, opdat wij vergeving van zonden zouden kennen.

Maar wanneer mensen willens en wetens hun Schepper negeren, komt het moment, dat God hem of haar de rug toekeert. Dat betekent een oordeel.

1) God heeft al onze zonden achter Zijn rug geworpen.

De doodzieke koning Hizkia vond zijn weg terug naar God door de dienst van de profeet Jesaja. Hij mocht ervaren wat vergeving betekent. Hij heeft ons het indrukwekkende woord nagelaten: “Zie, tot vrede is de bitterheid voor mij bitter geweest, want Ú hebt mijn ziel lieflijk omhelsd, van het graf van de ontbinding vandaan gehaald. Want U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen” (Jes. 38:17).

Onze God is alwetend, alomtegenwoordig en almachtig. Zoals de psalmist zegt: “De HEERE schouwt uit de hemel en ziet alle mensenkinderen. Vanuit Zijn verheven woonplaats aanschouwt Hij alle bewoners van de aarde. Hij vormt hun aller hart; Hij let op al hun daden” (Ps. 33:13-15). Zou er iets – ook achter Zijn rug – voor Hem verborgen kunnen zijn? Maar God gebruikt de figuurlijke uitdrukking van iets achter Zijn rug werpeen voor ons mensen, om te begrijpen. Wat wij achter onze rug hebben gegooid is uit het zicht en uit het hart. Als wij onze zonden aan God belijden, is Hij getrouw en rechtvaardig en vergeeft Hij ze. Hij reinigt ons van alle ongerechtigheid (1 Joh. 1:9). Zonden die vergeven zijn, bedekt Hij omdat zij verzoend zijn door het bloed van de Heer Jezus. Verzoening betekent ook bedekken, zoals David zei: “Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is!” (Ps. 32:1).

De profeet Micha mocht het volk vertellen, hoe God vergeeft. De naam Micha betekent immers: “Wie is als de HEER?” of “Wie is een God als U?” Met deze naam verbond God de prachtige boodschap aan Zijn volk: “Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid vergeeft, Die voorbijgaat aan de overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom? Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn, want Hij vindt vreugde in goedertierenheid. Hij zal Zich weer over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen, ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee” (Micha 7:18,19). Micha gebruikte twee beelden: Ten eerste vertrapt God de ongerechtigheden van Zijn volk met Zijn voeten. Zij zullen nooit meer getuigen tegen Zijn volk. Ten tweede, Hij zal hun zonden in de diepten van de zee werpen. Hij zal er nooit meer over beginnen. Ze zullen voor altijd vergeten zijn. “… hun zonden en hun wetteloosheden zal Ik geenszins meer gedenken” (Hebr. 10:17).

Bovendien getuigt David: “Zo ver het oosten is van het westen, zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan” (Ps. 103:12). Oost en west zijn altijd even ver van elkaar verwijderd. Ze kunnen elkaar niet ontmoeten. Zo ver heeft God onze zonden van ons weggenomen.

Wanneer God zulke aanschouwelijke beelden gebruikt over de zekerheid van vergeving, dan is het zeker niet, opdat wij lichtvaardig kunnen zondigen. Integendeel! De grootheid van vergeving is bedoeld om ons gevoelig te maken voor wat zonde is in de ogen van God: afschuwelijk.

Totdat iemand zijn daden als zonden erkent en bereid is ze aan God te belijden, is er vaak een meervoudige werking van Gods Geest voor nodig. Maar wanneer iemand zich bekeerd heeft, gaat er vaak veel tijd voorbij, totdat hij niet langer twijfelt aan de volledige geldigheid van de Goddelijke vergeving.

2) De rug van onze Heiland

Laten we, hoewel we ons verheugen over de Goddelijke vergeving, niet vergeten hoe onze Heiland heeft geleden om die voor ons te verwerven. De profeet Jesaja wees reeds op het lijden van de Messias, dat Hij zou ondergaan door de handen van Zijn schepselen: “Ik geef Mijn rug aan hen die Mij slaan, Mijn wangen aan hen die Mij de baard uitplukken; Mijn gezicht verberg Ik niet voor smaad en speeksel” (Jes. 50:6). De psalmist schreef: “Ploegers hebben Mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang gemaakt” (Ps. 129:3). Dit werd letterlijk vervuld, toen Pilatus de Heer Jezus liet geselen (Matth. 27:26).

Maar hoeveel te zwaarder moeten de slagen van een heilig God Hem getroffen hebben, toen Hij voor ons tot zonde werd gemaakt, om de grondslag te leggen waarop God ons kan vergeven. Hierop zei Jesaja weer: “De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen. – Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest. – Maar het behaagde de HEERE hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem ziek gemaakt. – omdat Hij de zonden van velen gedragen heeft” (Jes. 53:5,8,10,12).

Na het “ploegen” volgt het zaaien en daarna de oogst, zoals in het pelgrimslied staat: “Wie het zaad draagt en dat zaait, gaat al wenend zijn weg; maar hij zal zeker terugkomen met gejuich, en zijn schoven dragen” (Ps. 126:6).

3) Wanneer God Zijn rug toekeert

Hoe aanmatigend en achteloos zijn vele mensen tegenover hun Schepper, de God van alle mensen. De profeet Jeremia getuigde in naam van de HEER tegen zijn volk: “Zij keerden Mij de nek toe en niet het gezicht, hoewel Ik hen vroeg en laat onderwees. Zij luisterden echter niet en aanvaardden de vermaningen niet” (Jer. 32:33). God heeft er alles aan gedaan om Zijn volk voor Zich te winnen, helaas tevergeefs. Ezechiël verklaarde namens de HEER: “Omdat u Mij vergeten bent en Mij achter uw rug geworpen hebt, …” (Ezech. 23:35). Verbaasd het ons dan, wanneer God door Jeremia het oordeel aankondigde: “Als een oostenwind zal Ik hen verspreiden vóór de vijand uit. De nek, niet het gezicht, zal Ik hun laten zien op de dag van hun ondergang” (Jer. 18,17)?

De rug toekeren betekent, dat men niet geïnteresseerd is in een persoon. Eeuwenlang heeft het volk Israël dit hun God aangedaan. Daarom zal God niet Zelf ingrijpen door het oordeel, maar zal Hij Zijn volk achter Zijn rug aan hun vijanden overlaten.

 

Markus Furrer; www.haltefest.ch

Jaar 2006, bladzijde 275.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW