1 jaar geleden

Tips voor ouders van kinderen en jongeren

Onze kinderen

Genesis 21:17-19:
17. Toen hoorde God de stem van de jongen en de Engel van God riep tot Hagar vanuit de hemel en zei tegen haar: Wat is er met u, Hagar? Wees niet bevreesd, want God heeft naar de stem van de jongen, die daar ligt, geluisterd.
18. Sta op, til de jongen overeind en houd hem met uw hand goed vast, want Ik zal hem tot een groot volk maken.
19. God opende toen haar ogen, zodat zij een waterput zag. Zij liep ernaartoe, vulde de zak met water en gaf de jongen te drinken.

Inhoud

  • Inleiding
  • Als kinderen niet de weg van het geloof gaan
  • Kinderen zijn een geschenk
  • Het voorbeeld van Hanna
  • Bidden uit behoefte
  • Het voorbeeld van ouders
  • Ouders moeten het eens zijn
  • Het belang van Gods Woord in het ouderlijk huis
  • Wat bieden wij onze kinderen aan?
  • Zich om de jeugd bekommeren

Inleiding

Het deel van de geschiedenis van Hagar, waaruit de bovenstaande verzen genomen zijn, is aangrijpend. Abraham heeft haar – de vrouw naar het vlees, wiens zoon niet met Izak, de zoon van de belofte, erven zou – uit zijn huis weggestuurd. Eenzaam zwierf ze met haar jongen in de dorre woestijn van Berseba rond, en toen eindelijk de zak met water, die Abraham toen hij haar wegstuurde meegegeven had, leeg geworden was, wierp zij in bittere wanhoop haar kind dat dorst leed onder een struik. Zelf ging ze luid wenend op een boogschot afstand van hem zitten, om het sterven van het kind niet te hoeven zien.

Hagars verdriet wekt onwillekeurig ons mededogen. Haar smart in het aangezicht van de zekere ondergang van haar enige kind beroert ons. Zelfs Gods hart werd geraakt door Hagars wenen. Was niet Ismaël ondanks alles Abrahams zoon? En zie, een engel, een dienende geest, ging uit van de troon van God, om de wanhopige moeder troost toe te spreken en haar een “waterbron” te laten zien, waaruit zij scheppen en zo haar stervende kind in leven houden kon.

Als kinderen niet de weg van het geloof gaan

Wanneer we over dit gedeelte nadenken, worden onze ogen onwillekeurig gericht op onze kinderen. Sommigen van hen zijn al volwassen. Zolang ze in het ouderlijk huis wonen, misschien nog naar school gaan, gaan ze dus, zelfs als ze nog niet gered zijn, de weg van de ouders. Misschien doen ze het minder uit behoefte dan uit gehoorzaamheid. Maar als ze eenmaal aan de school ontgroeid zijn, en ze zelfs het ouderlijk huis verlaten hebben en nu min of meer mee de weg in de wereld moeten vinden, dan is de verderfelijke invloed van de wereld vaak op een beangstigende wijze merkbaar. Soms raken ze met griezelige snelheid verstrikt en in zonde en verderf meegezogen. Met pijn en diepe droefheid zien de ouders hoe zij zich aan elke christelijke invloed onttrekken, gevoelloos voor al het goddelijke en hun oren en harten voor alle vermaningen toesluiten. En zelfs wanneer gelovige ouders ook betreffende al hun kinderen op de genade van God vertrouwen en zelfs met het oog op hen, die in de wereld en zonde gevallen zijn, daarop hopen mogen dat de rijkdom van de genade van God hen ook op de weg van het geloof brengen zal, zo is en blijft het toch zeer bedroevend wanneer de mooiste jaren van het leven in de wereld, ja vaak in de modderpoel van de zonde doorgebracht worden. De gevolgen van zo’n leven blijven ook, zelfs als de genade van God ingrijpt en uit het verderf rukt, in veel gevallen bestaan.

In onze dagen zijn de gevaren groter dan ooit. Verschrikkelijk werkt de tijdgeest op de jeugd in. Velen zijn er al door beïnvloed en ermee besmet. We willen net als Hagar bitter wenen over al de schade die al aangericht is, en tot de Heer roepen over de geestelijke nood, die erger is dan een natuurlijk sterven, zoals het bij Ismaël dreigde te gebeuren. Tegelijkertijd dringt de vraag zich aan ons op: Hoe kan het kwaad het beste aangepakt, hoe voorkomen worden? De bevrijding van degenen, die reeds door de invloeden en strikken van de vijand gevangen genomen zijn, is een bijzonder ernstig hoofdstuk. Heel vaak is er geen ander middel meer dan een voortdurend, indringende smeekbede voor hen tot God.

Als ik enkele gedachten in antwoord op de hierboven gestelde vraag neerschrijf, gebeurt het allereerst in de wetenschap, dat er geen sjablonen1 zijn voor de opvoeding van kinderen; echter dan ook in de duidelijke erkenning dat in dit geval alle eigen kracht en wijsheid volledig faalt. Zo is het woord van de Schrift in Jakobus 1 vers 15 hier op haar plaats: “Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen, die aan allen mild en zonder verwijt  geeft”. Er is ook geen twijfel aan, dat elk ouderechtpaar, dat wandelt in het licht, zijn veelvuldige falen belijden zal; en wanneer zijn kinderen gered zijn en op de weg van het geloof gaan, dit niet aan zichzelf, maar met dankbare harten aan de genade van God toeschrijven zal. Daarmee wordt natuurlijk niet gezegd, dat ouders hun handen in hun schoot leggen moeten. Integendeel: een zware verantwoordelijkheid rust op hen, waaraan zij zich niet zonder gevolgen kunnen onttrekken.

Kinderen zijn een geschenk

Als uitgangspunt van mijn betoog wil ik een woord nemen, dat, hoewel het uit het Oude Testament genomen is en in eerste instantie bedoeld is voor Israël, toch ook vandaag voor alle ouders van belang is, en dat luid en indringend tot ons spreekt, vooral in een tijd dat men het gezin en gezinsleven het liefst geheel uitroeien wil. Het luidt: “Zie, kinderen zijn het eigendom van de HEERE, de vrucht van de schoot is Zijn beloning” (Ps 127:3). De betekenis van dit woord kan niet worden overschat. Hier moet onze overweging beginnen, ja hier ligt het begin en de uitvoering voor elk juist handelen als het om kinderopvoeding gaat. Kinderen zijn een geschenk van God, het meest waardevolle van alle goederen die aan onze zorg worden toevertrouwd. Ja, laten we nooit vergeten: kinderen zijn ons toevertrouwde bezittingen en schatten. Dat de wereld om ons heen vaak niet zo denkt en oordeelt, is bekend; maar we hebben niet met het oordeel van de wereld, maar met de gedachten van God te doen. Laten we een ogenblik bij het woord stilstaan: toevertrouwde schatten, waarvoor we moeten zorgen! Wat een hoog voorrecht aan de ene kant, wat een ernstige plicht aan de andere kant! De woorden van de Heer: “Zie, Ik en de kinderen die God mij gegeven heeft”, en: “Ik heb ze bewaakt en niemand van hen is verloren gegaan” (Hebr. 2:13; Joh. 17:12), houden ons vaak bezig en roepen heilige bewondering en aanbidding in onze harten op. We weten immers van Wie deze kinderen zijn en hoe onze Heer voor hen zorgt. Maar laten we niet vergeten dat God ook zulken aan ons toevertrouwt, die wij behoeden en voor Hem moeten opvoeden, opdat niemand van hen verloren ga.

We herhalen: een gezegend voorrecht, een heilige taak! Beziet men vanaf deze kant de opvoeding van kinderen, dan zal men zich zeker graag het werk en inspanning getroosten, die daarmee verbonden is. Men zal zich met heilige ijver inzetten om in dit opzicht als “trouwe rentmeesters” bevonden te worden, en God zal ons zeker in Zijn genade en barmhartigheid te hulp komen bij een werk, waarvoor men anders moedeloos zou terugdeinzen. Het uitzicht, eenmaal tot God te naderen en, de aan ons toevertrouwden met ons meevoerend, te mogen zeggen: “Zie, ik en de kinderen die U mij gegeven hebt”, zal zelfs in ernstige en ontmoedigende gevallen een biddende volharding en geduldig wachten bewerken.

Het voorbeeld van Hanna

Zien wij in onze kinderen wat God in hen ziet, zo zullen ze niet alleen gebeden, maar ook op biddende harten gedragen kinderen zijn. Het gebed is en blijft immers de eerste en belangrijkste arbeid bij de opvoeding. Een leerzaam voorbeeld daarvoor levert ons Hanna, de moeder van Samuël. Ze vroeg haar zoon van de Heer, en zij heiligde hem voor Hem, en wel voor al de dagen van zijn leven. Het doet heel goed aan dergelijke gevoelens bij een gelovige moeder van het Oude Testament te vinden. Tezelfdertijd echter wordt krachtig de vraag in ons opgeroepen: Waar zijn de biddende vaders en moeders in onze dagen? Wanneer in de opvoeding van onze kinderen zo veel gemist en verzuimd wordt, wanneer er zovelen op verkeerde paden geleid worden, ligt het dan niet eenvoudig daaraan, dat dit belangrijk werk verwaarloosd of alleen maar mechanisch uitgevoerd wordt, zodat het hart en geweten daarbij niet in beroering komen?

We willen elkaar aanmoedigen om meer dan tot dusver van ons gezegend voorrecht gebruik te maken. Het gebed is een kracht die het hart en de hand van God in beweging zet. Mochten we ons hiervan toch meer bewust zijn en deze kracht, deze sleutel tot de schatkamers van de genade van God, rijkelijk benutten! Talrijk en groot zijn de beloften van God met betrekking tot het roepen van de Zijnen en de talloze voorbeelden van Zijn genadige verhoring, niet in het minst juist met het oog op onze kinderen.

Bidden vanuit een behoefte

Het gebed dat voortkomt uit een ware behoefte en in godvruchtige eenvoud aanhoudend gedaan wordt, werkt ook nog in andere opzichten. Het oefent gezegende invloeden op onszelf uit, doordat het onze ogen waakzaam en scherp maakt voor gevaren die de kinderen bedreigen. In het licht van Gods tegenwoordigheid vertoeven, oefent het oog en stelt het in staat om bedreigingen op te sporen, dat een ander, minder geoefend oog nog helemaal niet ziet. Hoeveel kan er op tijd worden voorkomen! Men wordt er ook voor bewaard om onverschillig te zijn zoals eens de priester Eli, die ‘wist’ van de ongerechtigheid van zijn zonen, maar hen ‘niet eens zuur aankeek’ (1 Sam. 3:13). Wie in oprecht vurig gebed, in het gevoel van zijn verantwoordelijkheid voor zijn kinderen tot de Heer komt, die kan alleen maar met diep verdriet en echte perceptie2 zien, dat zijn kinderen niet de wegen van de Heer gaan. Hij maakt zich voor de Heer één met zijn kinderen en heeft passende gevoelens over hun gedrag. Hij verontschuldigt het kwaad van zijn kinderen niet, nog minder dekt hij het toe; en als hij van verschillende kanten, zij het handig of onhandig, opmerkzaam gemaakt wordt op enig gevaar dat zijn kinderen bedreigt, dan neemt hij het met een dankbaar hart uit de hand van de Heer aan. Hij ziet in de waarschuwing een antwoord op zijn roepen en handelt dienovereenkomstig.

Sommige ouders worden zeer geoefend en op de proef gesteld, omdat het erop lijkt alsof de Heer niet naar hun gebeden luistert. Hun kinderen gaan eigen en vaak ronduit slechte wegen. Maar het is waar, wat een oude christen in dit verband eens zei: “Door onze kinderen moeten we leren wat we anders nooit geleerd zouden hebben”. Ter bemoediging voor die ouders, die ernstig en voortdurend bidden voor hun kinderen en toch schijnbaar geen resultaten hebben, wordt hier, naast vele andere gevallen, aan de kerkvader Augustinus3, de zoon van Monica herinnerd. Jarenlang ging hij zijn eigen weg, maar zijn moeder hield niet op onder tranen hem dag en nacht in gebed bij de Heer te brengen, zodat een van haar vrienden haar eens vertelde: “Een zoon van zoveel tranen kan niet verloren gaan”. En hij ging niet verloren; nee, hij werd gevonden, en God gebruikte hem tot rijke zegen voor velen.

Het voorbeeld van ouders

Naast het gebed is het persoonlijk voorbeeld een heel belangrijk punt. We weten allemaal uit ervaring dat aanschouwelijk onderwijs het beste is. Dit geldt ook met betrekking tot onze kinderen, die we moeten opvoeden “in de lering en vermaning van de Heer” (Ef. 6:4; Kol. 3:21). Zoals het nooit zonder gezegende invloeden blijven kan wanneer de kinderen waarnemen, dat we met volhardende ijver bij de troon der genade voor hen worstelen, zo roept ook het trouwe voorbeeld in de wandel ernstige, onuitwisbare indrukken op. Als we op de oproep van de Heer ingaan: “Leert van Mij”, of: “want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u doet zoals ik U heb gedaan” (Joh. 13:15; verg. Matth. 11:29); als we ons beijveren zó “te wandelen als Hij gewandeld heeft” (1 Joh. 2:6), dan zal dit zeker niet zonder resultaat blijven. Hoevelen zijn er gewonnen door de trouwe wandel van gelovigen, die hij kende! Woorden bleken niet effectief, “de wandel zonder woord” (verg. 1 Petr. 3:1) overweldigde hem.

Bovenal blijven kinderen niet onberoerd door het gedrag van hun ouders. Alles  wat ze bij hen zien, maakt indruk op hun jonge harten, zowel tot schade of wel tot nut. De goede lessen en instructies die hen thuis, in de zondagsschool en in de gemeenten gegeven worden, begrijpen of bewaren ze misschien niet, maar ze vergeten het nooit wanneer zij hun ouders de weg van het geloof en in de voetsporen van de Heer Jezus, van de zachtmoedige en nederige van hart, zien gaan. Zo’n voorbeeld hiervan achtervolgt de kinderen en beïnvloedt hen zelfs nog in de latere jaren van hun leven.

Bij een gelegenheid van een bijeenkomst van een aantal jonge mannen met het doel om moeilijke passages uit de Bijbel te bespreken, zei één van hen: “Mijn moeder heeft mij de beste Bijbelverklaring gegeven; ze leefde mij de Bijbel voor”. Een beroemd Engels schrijver (Thomas Carlyle) beleed over zijn moeder: “Zij was de meest oprechte christin die ik ooit in mijn leven ontmoet heb”. Van zijn vader kon hij getuigen: “Hij heeft nooit de mond opengedaan als hij niet iets waardevols te zeggen wist; nooit heb ik een holle frase van hem gehoord … hij las slechts één boek, de Bijbel. Ze was voor hem de essentie van alle wijsheid, en nooit heeft hij aan een van haar woorden getwijfeld”. Een dienaar van de Heer zegt: “Mijn moeder vertelde me op een dag toen ik nog een kind was, de geschiedenis van de Heiland, hoe Hij aan het kruis voor ons stierf. Daarbij vielen hete tranen uit haar ogen op mijn hand. Deze tranen hebben mij tot de Heer geleid. Ik ben vroeg een schaap van de goede Herder geworden en het gebleven, en ik mag Hem nu dienen”.

Het zijn prachtige getuigenissen, is het niet? Ze laten zich moeiteloos vermeerderen; maar deze zullen volstaan. Ieder van ons weet ook uit eigen ervaring van dergelijke voorbeelden en rolmodellen te spreken. En ze werken in stilte, brengen zegen voort, soms echter pas na jaren, maar ze zullen nooit zonder vruchten blijven.

Moeten we ons niet afvragen: Hoe ziet het er in onze huizen uit? Wat nemen onze kinderen waar? Is het iets dat ze gunstig beïnvloedt en inspireert voor het goede?

Ouders moeten het eens zijn

Tenslotte moet ook nog een punt worden benadrukt, dat van het grootste belang is. Het is deze: de vader en moeder moeten het altijd in de opvoeding van hun kinderen geheel eens zijn, voor elkaar opkomen, zelfs als ze eens menen, dat het andere deel in zijn regels iets te ver of niet ver genoeg gegaan is. Onvoorspelbaar is de schade als door onverstand van een echtgenoot het gezag en het aanzien van de andere bij de kinderen ondermijnd wordt. Laten we dan ook op onze hoede zijn! Boven alles geve de Heer alle gelovige ouders daarin één van zin, dat ze met hun hele huis in ware afzondering van de wereld en de dingen de geloofsweg gaan en de kinderen zo wensen op te voeden, dat zij, onder de invloed van het Woord van God en door de werkzaamheid van de Heilige Geest al vroeg de Heer als hun Heiland leren kennen en eveneens wensen op Zijn wegen te wandelen! Van Abraham kon de Heer getuigen: “Want Ik heb hem uitgekozen,  opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen” (Gen. 18:19). En Abraham voldeed aan deze oproep. Moge de Heer dezelfde beslistheid in alle gelovigen bewerken aan wie Hij een plaats en roeping als hoofd en priester in het gezin gegeven heeft!

Het belang van Gods Woord in het ouderlijk huis

De verordeningen van God in het Oude Testament geven ons veel waardevolle tips voor het praktische leven in de huidige tijd. Zo is daar de bekende regeling voor de eerstgeborene in verband met het Pascha en het feest van de ongezuurde broden in Exodus 13. De eerstgeborene behoorde God toe vanwege hun vrijstelling van het oordeel die alle eerstgeborenen in het land Egypte getroffen had. Deze vrijstelling heeft hen echter niet alleen in een bijzondere relatie met God gebracht, maar heeft ook op hen en met hen op het hele volk een zware verantwoordelijkheid gelegd. De Heer, de God van Israël, die hen uit Egypte gevoerd had en hen tot Zich gebracht had, was een heilig God, en daarom mocht geen zuurdeeg (het bekende beeld van de werkende zonde) binnen al de grenzen van Israël gezien worden, zolang het feest van de ongezuurde broden duurde. Als uiterlijk herinneringsteken van de uittocht uit het ‘slavenhuis’ (het beeld van de ‘wereld’), moesten de Israëlieten een teken op hun hand en op hun voorhoofd binden; “En het moet voor u als een teken op uw hand zijn, en als een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van de HEERE op uw lippen zij” (Ex. 13:9). De God Die hen met een sterke hand bevrijd had, maakte aanspraak op hen; al hun gedachten en zintuigen, hun daden en handelingen moesten voortaan onder de leiding van Zijn Woord staan.

In overeenstemming daarmee lezen we: “Deze woorden, die Ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn. U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat. U moet ze als een teken op uw hand binden en ze moeten als een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn. U moet ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten schrijven” (Deut. 6:6-9; verg. Deut. 11:18-21). Hoe lieflijk en ernstig is de volgorde in deze verzen! Indien de geboden van God in het hart van de ouders wonen, zullen zij ook op het juiste moment eruit komen, want “uit de overvloed van het hart spreekt de mond” (Matth. 12:34). Ze zullen thuis en op de weg, in tijden van vrede en activiteit de kinderen ingeprent worden, doordat hoofd en handen van de ouders hen leiden en hun vormende en bewarende invloed op het hele huis uitoefenen. Het getuigenis van het huis zal zowel binnen als buiten, aan de posten en poorten, een goed getuigenis zijn. Wanneer nu alle christelijke gezinnen aan dit beeld zouden voldoen! Wat een zegen zouden zij zijn juist in deze dagen van zedeloosheid en minachting van God!

Zoals hierboven reeds aangegeven werd, is er voor de opvoeding van de kinderen veel ‘wijsheid van boven’ nodig. God opende Hagars ogen, zodat zij de waterput zag waaruit ze putten kon. Maar worden niet de ‘waterbronnen’ van Gods genade, die voor iedereen toegankelijk is, door sommige ouders doorgaans genegeerd? In plaats van voor zichzelf en hun dierbaren te putten, laten zij de door God geopende bron onberoerd. De gevolgen zullen niet lang op zich laten wachten. Als we eens over onszelf willen spreken, zal immers de meest trouwe onder ons niet kunnen zeggen, dat met hem alles zo gegaan is, zo geordend is, dat de Heer niets te verwijten zou hebben. Men kent zijn eigen ontoereikendheid en de vele tekortkomingen goed, en juist omdat men ze kent, gaat men naar de bron en ontvangt wat men nodig heeft.

Maar er zijn huizen waar in dit verband een verschrikkelijke onverschilligheid en lichtvaardigheid heerst, hoewel misschien op de muur de spreuk hangt: “Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen”. Ja, daar hangt het en wordt door hen die het huis binnenkomen gelezen, maar in de harten van de mensen leeft het niet. Misschien houdt men voor de kinderen lange zedepreken, maar omdat in eigen leven en wandel de hemelse geest ontbreekt, hebben de woorden geen kracht. Ze vervagen zonder gevolgen, ja bewerken misschien alleen een nog grotere verharding van het hart. Dat in dergelijke huizen de kinderen zich tot de wereld wenden, of luisteren naar de influisteringen van het ongeloof, is niet verwonderlijk. Het is ernstig uit de mond van gelovige ouders bekentenissen als de volgende te horen: “We waren niet trouw, waren geen voorbeelden voor onze kinderen, en zo gingen ze allen hun weg en veroorzaken ons nu veel smarten en brengen schande over de Naam van Heer”.

Enige tijd geleden was de schrijver in een gezin waar hij de gelegenheid kreeg om met een volwassen zoon een woord te spreken. De jonge man onthulde zonder vrees het ongeloof van zijn hart. Toen de aanwezige vader dat vernam, was hij verontwaardigd en wees de zoon scherp terecht. Maar ik probeerde hem te kalmeren en toen we alleen waren, zei ik tegen hem: “De tijd om een kind zo te behandelen zoals u zojuist gedaan hebt, is op deze leeftijd voorbij. Nu is het tijd om te huilen in de tegenwoordigheid van de Heer, zichzelf te verootmoedigen over de eigen ontrouw en die van de kinderen, en tot God om genade en mededogen te smeken. Aan de nederige en berouwvolle geeft God genade”.

Wat bieden wij onze kinderen aan?

Bij deze gelegenheid dient nog het volgende te worden benadrukt: We weten allen, dat onze opgroeiende kinderen naar verhoogde mentale stimulans verlangen en ook graag wat voor zichzelf willen hebben. “Men moet ze iets bieden”, zegt men daarom. Dat klopt; maar hoe en wat? Zijn ze bekeerd, dan is het immers makkelijker om aan hun wensen te voldoen, ook al is het nieuwe leven vaak zwak en zijn er meer neigingen naar de dingen van de wereld dan toewijding aan de Heer; ze willen in hun verschijning graag gelijke tred houden met de wereld en haar zogenaamde vooruitgang. Zijn de kinderen niet bekeerd, dan vergt het veel meer genade en inzicht om hen het juiste te presenteren en hen zo te dienen, zodat verlangens gewekt worden naar de Heer en Zijn wegen. Helaas vaak worden kinderen vaak concessies gedaan en dingen aangeboden, die hen tot schade strekken, ja hen regelrecht in de armen van de wereld voeren. De Heer wil ons geven dat we ogenzalf van Hem nemen, om duidelijk te zien, en een bezonnen oordeel te houden en onze kinderen niets toe te staan of aan te bieden, wat hen nadelig kan beïnvloeden of in hen kwade neigingen zou kunnen voeden.

Zich om de jeugd bekommeren

Tot slot nog in liefde een woord aan allen gericht. We zijn de Heer onze oprechte dankbaarheid verplicht voor de zegeningen, die Hij onze kinderen door de zondagsscholen geschonken heeft en schenkt. Op veel plaatsen zijn ook al jaren broeders en zusters met toegewijde liefde de opgroeiende jeugd toegewijd, en velen erkennen met dankbare harten, dat zij rijke zegeningen door dergelijke inspanningen ontvangen hebben, in kennis toegenomen en tegelijk voor sommige valstrikken van de vijand bewaard werden.

Nu, in onze tijd met zijn verschrikkelijke gevaren en de steeds groeiende behoeften op geestelijk gebied, is het van toepassing om zich ook op een bijzondere wijze tot de opgroeiende jeugd te richten. Een zich verstandig bezighouden met en een liefdevolle zorg voor het individu in een grotere groep is nodig. Hoe ernstiger de dagen worden en hoe dichter we bij het doel komen, hoe groter en gevarieerder zijn de eisen, waarvoor een ieder van ons komt te staan. Maar we willen ons daardoor niet ontnemen laten met de jeugd bezig te zijn, doordat we de gelovigen onder hen de schoonheid van de Heer en Zijn Woord voorstellen, en degenen die nog zonder behoudenis voortgaan, steeds weer aan moedigen in Zijn reddende armen te vluchten voordat het voor eeuwig te laat is.

Het zou in dit opzicht zeker anders onder ons kunnen zijn, als het is. Op veel plaatsen ontbreekt het waarschijnlijk nog over voldoende kennis omtrent deze vraag. Het streven van de ongelovigen de school van de Bijbel te beroven, heeft uiteraard sommigen de ogen geopend en hen met afgrijzen laten zien, waar we heen drijven; maar toch beseffen velen, te veel, nog veel te weinig de ernst en de dringende nood van onze dagen en voelen daarom niet, wat we nodig hebben. Daarom zegt het Woord: “Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten” (Ef. 5:14). Ook vandaag de dag is het woord van toepassing: “De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij” (Rom. 13:12). De nacht dat niemand werken kan, werpt haar donkere schaduw vooruit. De “verborgenheid van de wetteloosheid” is het punt nabij in de “wetteloze” voor aller ogen geopenbaard te worden (2 Thess. 2:7,8).

De dienst aan de jeugd is vaak niet eenvoudig. Het brengt veel zelfverloochening met zich mee, geeft echter ook veel vreugde, maakt dankbare harten en kan vooral op de erkenning van de Heer rekenen. Degenen die door deze dienst zegen ontvangen, vergeten het ook zelden; het blijft bij hen voor hun hele leven een dankbare herinnering. Daarom willen we allen veel de bronnen van God opzoeken en willen uit de bron scheppen, voor onszelf en voor anderen. Laten onze handen sterk zijn en laten we de moed niet verliezen, want “er is loon overeenkomstig uw werk” (2 Kron. 15:7). De tijd van afrekening nadert en met haar zijn beloning.

 

* * *

NOTEN VERTALER:
1. Sjabloon: te veel nagevolgd model {van Dale}; Een sjabloon is een grafische vorm die voor herhaaldelijk gebruik is bedoeld. {WikiPedia}
2. Perceptie: waarneming {WikiPedia};
Perceptie betekent letterlijk waarneming. Dit proces gaat gepaard met interpretatie, selectie en organisatie van zintuiglijke informatie. {Ensie}
3. Augustinus werd geboren en is gestorven in de toenmalige gekerstende West-Romeinse provincie Africa, tegenwoordig noordoost Algerije en noord- Tunesië in de Aures-gebergten genoemd. Hij werd geboren in het provinciestadje Thagaste (het tegenwoordige Souk-Ahras) als zoon van Romeinse en Fenicische ouders1. Hij identificeerde zich voornamelijk als een Feniciër, die Latijn sprak2. Ook identificeerde hij zich met de oude Libiërs. Zijn ouders waren de raadsheer Patricius en Monica, een vrome christelijke vrouw. Hij overleed in Hippo Regius (het tegenwoordige Annaba), waar hij van 396 tot zijn dood bisschop was.
Zijn ouders hadden het financieel niet breed, maar trachtten desondanks hem de beste opvoeding van die tijd te geven. Augustinus genoot lager en voorbereidend hoger onderwijs in Thagaste en Madaura. Na de vroege dood van zijn vader liet moeder Monica (financieel gesteund door anderen) hem studeren. In 375, op 21-jarige leeftijd, werd hij leraar in zijn geboorteplaats, en het jaar daarop vestigde hij zich in Carthago als leraar in de retorica. Vermoedelijk in 383 verhuisde hij naar Rome, waarna hij in 384 tot retor aan het hof in Milaan werd benoemd.
In 386 bekeerde hij zich tot het christendom. Hij werd met Pasen in 387 door Ambrosiu, de bisschop van Milaan, gedoopt. Hierna keerde hij terug naar zijn geboorteplaats in Africa, tijdens welke reis zijn moeder Monica in Ostia overleed. Na zich in Thagaste een paar jaar in stilte met Bijbelstudie te hebben beziggehouden, werd Augustinus in 391 half tegen zijn wil tot priester gewijd en in 395 tot medebisschop (met het recht van opvolging van de bisschop van Hippo Regius). Van 396 tot zijn dood in 430 was hij bisschop van de Kerk van Hippo Regius. Ook in die functie bleef hij een sober kloosterleven leiden in zijn bisschoppelijke woning. Augustinus stierf in 430 tijdens het beleg van en vlak voor de inname van Hippo door de Vandalen. Volgens de overlevering moedigde hij de bewoners van Hippo aan om zich te verzetten tegen de Vandalen, vooral omdat de Vandalen een ariaanse variant van het christendom aanhingen, die Augustinus als ketters beschouwde.
Tot verdriet van zijn moeder Monica leidde Augustinus tijdens zijn jonge jaren aanvankelijk een in christelijke ogen losbandig leven. Met 17 jaar begon Augustinus een relatie met een jong meisje.[3] In 372 kregen ze een zoon, Adeodatus (“gegeven door God”). Augustinus vermeldde dit in zijn Belijdenissen (9, 6,14). Ze zouden 13 jaar samenleven. Na kennismaking met het werk van de Romeinse filosoof Cicero besloot hij filosofie te studeren op zoek naar de waarheid, met name over een zuiver Godsbegrip in relatie tot de oorsprong van het kwaad. Aanvankelijk meende hij deze waarheid te vinden in het manicheïsme. Deze syncretische (en na zijn bekering door Augustinus heftig als ketters bestreden) stroming ging uit van de rationele dualistische gedachte dat er naast God als het hoogste Goed een afzonderlijke entiteit Kwaad bestaat. Zodoende kon God de Schepper niet als oorsprong van het Kwaad en de zonde worden beschouwd (het probleem van de theodicee). Goed en Kwaad strijden als gelijkwaardige partijen tegen elkaar. Vanaf 376 was Augustinus gedurende tien jaar lid van de gemeenschap van de manicheeërs. Onder invloed van de Griekse filosofie keerde hij zich af van het manicheïsme. In het neoplatonisme, met name bij Plotinus vond hij een beter antwoord op de vraag waar het kwaad vandaan komt. Het kwaad was, zo zag Augustinus het toen, een beroving van het goede; geen opzichzelfstaande entiteit, maar de verkeerdheid van de menselijke wil die zich van God heeft afgewend. Zijn bekering tot het christendom geschiedde niet op basis van rationele inzichten, maar door een persoonlijke crisis.
In Milaan hoorde Augustinus eens bisschop Ambrosius preken en raakte daardoor geboeid. Deze nam zijn intellectuele bezwaren tegen de Bijbel weg. Maar door het christelijk geloof in het hart geraakt werd hij pas later. Augustinus beschreef zijn bekering in zijn autobiografische Confessiones (Belijdenissen). Tijdens een geestelijke crisis in 386, op 32-jarige leeftijd, ging hij languit liggen onder een vijgenboom in de tuin van zijn woning in Milaan. Hij praatte wanhopig tegen God;
“… wel niet met deze woorden, met wel in deze geest: ‘En gij, Heer, hoelang nog? Hoelang nog, Heer, zult gij steeds maar vertoornd zijn? Wees onze oude ongerechtigheden niet indachtig!’ Want door die oude ongerechtigheden – dat merkte ik – werd ik vastgehouden. En ik stiet maar klaaglijke woorden uit: ‘Hoelang nog, hoelang nog, dat “morgen” en weer “morgen”? Waarom niet meteen? Waarom niet op dit moment een eind aan mijn verfoeilijkheid? Dat zei ik maar en ik schreide maar in bittere vermorzeling van mijn hart.
En ineens, daar hoor ik een stem uit een naburig huis, een stem die zingende zei en steeds weer herhaalde, een stem als van een jongetje of van een meisje, ik weet het niet: “‘Tolle, lege! Tolle lege!’ (‘Neem en lees!’) En meteen veranderde mijn gezicht en begon ik ingespannen na te denken of kinderen bij een of ander spelletje iets van dien aard zingen; het wilde me niet te binnen schieten dat ik het ooit ergens had gehoord. Toen bedwong ik de heftige stroom van mijn tranen en stond op: de enige verklaring die ik kon geven was deze, dat ik van Godswege bevel kreeg om het boek te openen en de eerste passage waar mijn oog op viel te lezen.” (Belijdenissen, 8, XII, 29)
Snel ging Augustinus terug naar de plek waar hij een Bijbelboek had neergelegd,
“toen was ik opgestaan en weggegaan. Ik pakte het, deed het open en las zwijgend de passage waar mijn ogen het eerst op vielen: ‘Niet in brasserij en dronkenschap, niet in slaapkamers en oneerbaarheden, niet in twist en na-ijver, maar trekt de Heer Jezus Christus aan en vertroetelt niet het vlees in begeerlijkheid.’ “
Deze woorden troffen Augustinus. (In een moderne vertaling luidt het gedeelte aldus: We moeten ons behoorlijk gedragen alsof het al helemaal dag is. Dus geen zwelgpartijen en drinkgelagen, geen ontucht en losbandigheden, geen onenigheid en afgunst. Nee, we moeten ons als het ware wapenen met de Heer Jezus Christus en niet ons zondige ik koesteren dat tot allerlei begeerten aanzet. (Romeinen 13,13-14 – Groot Nieuws vertaling))
“Verder lezen wilde ik niet en het was ook niet nodig. Want meteen, bij het eind van deze zin, stroomde er als een licht zekerheid in mijn hart binnen en vluchtte al de duisternis van mijn weifelen en twijfelen heen,” vervolgde Augustinus.
Als priester en bisschop werd Augustinus een gerenommeerd predikant. Er zijn bijna zeshonderd preken van hem overgeleverd, naar schatting 10% van het totale aantal preken dat hij heeft gehouden. Een deel van zijn predikend leven besteedde hij aan de bestrijding van de aanhangers van met name de andersdenkende (ketterse) stromingen van het manicheïsme, het donatisme en het pelagianisme, maar vooral was hij pastoraal bewogen en bezorgd om het welzijn van de mensen die aan zijn zorg als bisschop waren toevertrouwd. {WikiPedia}
NOTEN BEHOREND BIJ (NOOT 3)
1. Charles Krahmalkov – The Foundation Date of Carthage, 814 B.C., The Douimes Pendant Inscription, Journal of Semitic Studies 26 (1981), 177-91
2. Marcus Junianius Justinus – Epitome, XVIII: 6 – uittreksel van Historiae Philippicae van Pompeius Trogus (Engelse Vertaling)

 

* * *

Uit: “Botschafter des Heils in Christo”, jaargang 1920, bladz. 309-324;
door de redaktie taalkundig enigszins bewerkt.
Laatste bewerking: 17.07.2016

© SoundWords

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol