11 jaar geleden

O, mijn God! (I)

Dit hoor je vandaag nogal vaak. Je zou haast gaan denken dat er heel veel mensen zijn die in God geloven. Maar dat is niet zo helaas. Nee, dit wordt meestal als een stopwoord gebruikt. Wat zou het fijn zijn, als u – ondanks dit onterechte taalgebruik – toch ook in waarheid zou kunnen zeggen: “O, mijn God!” Maar dan als een uitdrukking die uit uw hart komt. Een uitdrukking, als bevestiging dat u inderdaad een kind van God bent! Alleen een kind van God kan dit met recht zeggen, of uitroepen als hij of zij in nood zit. Misschien komt u door de boodschap die in deze dagen hier en daar nog klinkt ook zover dat u kunt zeggen: “O, mijn God!” Dat hoop ik van ganser harte voor u want dan kunt u ook iemand worden die verlost is uit de macht van de duisternis en geplaatst worden in het koninkrijk van de Zoon van Zijn (Gods) liefde. Deze Zoon Die op aarde gekomen is ruim 2000 jaar geleden. Hij is de Zoon van God die via Bethlehem naar Golgotha ging. Hij is God en Mens in één Persoon. Hij is Mens geworden om de zonden van u en mij te kunnen dragen in Zijn lichaam op het hout van Golgotha (1 Petrus 2:24).

O, mijn God!

Laten we eens wat nader op deze uitdrukking ingaan. Ook David noemde God “mijn God” al minstens 33 maal in de Psalmen, en niet als stopwoord (zie o.a. Psalm 3:8; 5:3; 7:2; 13:4; 18:3,7,22,29,30; 22:2,3,11; 25:2,3; 30:3,13; 31:15; 35:23,24; 38:16,22; 40:6,9,18; 59:2; 63:2; 69:4; 86:2,12; 109:26; 140:7; 143:10; 145:1; van Asaf: 83:14; voor de kinderen van Korach: 84:4; van Ethan, de Ezrahiet: 89:1,27; staat er niet bij van wie: 42:7,12; 43:4,5; 71:4,12,22; 91:2; 94:22; 102:25; 104:1,33; 118:28; 146:2). En dit is alleen nog maar in de Psalmen.

In het boek Genesis vinden we wel dat Laban, de schoonvader van Jakob, het heeft over “mijn goden”. We begrijpen dat dit iets geheel anders is dan “mijn God”. Laban heeft het over zijn afgoden. Hij dacht dat Jakob die gestolen had, maar daar was hij mis mee. Zijn dochter Rachel had de terafim gestolen (Genesis 31:19; 30-35). Blijkbaar was ook zij daar nogal aan gehecht. Dat had ze meegekregen van thuis en kon er nog niet van loskomen. Zij zat dus nog vast aan de afgodendienst. Terafims waren kleine afgodsbeelden. Dat verklaart ook dat Rachel er bovenop kon zitten. Ze had het onder het zadeltuig van haar kameel verstopt. Het bezit van terafims bewees de afval van God. In Zacharias 10:2 lezen we: “Want de terafim spreken ijdelheid …”. Hoewel velen vandaag niet meer letterlijk zulke afgodsbeelden bezitten, zijn zij vaak toch in de ban van de terafim, van leegheid van de ziel, van een intense oppervlakkigheid die men tracht op te vullen met een zelfbedachte godsdienst, dus afgodendienst. Naast God kunnen en mogen er geen andere goden bestaan want God is de enige en waarachtige God en het eeuwige leven (zie o.a. Johannes 17:3; 1 Johannes 5:20).

In 1 Samuël 19:13 zien we dat Michal, de vrouw van David, een terafim nam en in zijn bed legde. Hoe zij daar nu aan kwam, is niet duidelijk. Zeker niet van David. Zij heeft het waarschijnlijk meegenomen van thuis; haar vader was koning Saul. Dus ook Michal was niet vrij van afgoden. Dat zou je niet denken van de vrouw van de godvruchtige David. Geloof in God is ook een persoonlijk zaak en kan niet worden geërfd. Het moet daarom ook zijn “mijn God”!

David heeft het waarschijnlijk niet eens geweten dat zij een terafim bezat. Hoe belangrijk is toch ook het gebed van deze David in Psalm 139:23-24: “Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leidt mij op de eeuwige weg”.

In het boek Genesis vinden we niet de uitdrukking “mijn God”. We vinden het voor de eerste keer in de bijbel in Exodus 15 vers 2, waar Mozes en het volk het lied van hun verlossing uit Egypte zongen. Wanneer zongen wij ons eerste verlossingslied? Is deze ‘song’ verstomd en verdwenen uit de GL-top 236? Het eerste lied uit deze ‘top’ is “Halleluja, lof zij het Lam”. Staat al jaren bovenaan! Ook geen wonder, want dit Hij – het lam van God – en Zijn volbrachte werk op Golgotha is de grondslag voor de verlossing. Komt dit lied ook in uw/jouw en mijn hart voor? Of is er iets tussen God en u ingekomen? Is er misschien een afgod in ons hart? We moeten vooral niet denken dat dit iets is, wat alleen voor de zogenaamde primitieve volkeren geldt of alleen voor de heidenvolken, waarbij we dan vaak in de eerste plaats denken aan het ‘duistere Afrika’. Maar in het zogenaamde christelijke westen, in Nederland vooral, is het minstens net zo duister, ja nog veel meer duister. Dat de HEERE onze God, ons er voor moge bewaren om de prooi te worden van de machten van de duisternis om ons heen. Laten we daartoe de wapenuitrusting aantrekken om in deze boze dag stand te houden! (zie ook in onder andere de artikelserie “gewapende christenen”).

In Exodus vinden we dus “mijn God” maar één keer en in Leviticus en Numeri geen enkele keer. In Deuteronomium vinden we het weer in de toespraak van Mozes tot het volk (4:5). Verder nog één keer in Deuteronomium 31:17. Totaal 2 keer.

Dan spreekt vervolgens Jozua in het boek Jozua over “de HEERE mijn God” (Jozua 14:8,9). Opvallend is het dat het beiden ‘leiders’ waren van het volk. Totaal ook 2 keer.

Afgodendienst

Lees Richteren 17 en 18. In het boek Richteren vinden we Micha die spreekt over “mijn goden” (18:24). Deze Micha had geld van zijn moeder gestolen (17:2). Het woord “Gij zult niet stelen” (Deuteronomium 5:19) had blijkbaar niet zo’n diepe indruk op hem gemaakt, want hij vertelt het zonder enige wroeging alsof het een kleine vergissing was en het niet zoveel voorstelde. Hieraan zien we dat hij het Woord van God niet meer ernstig nam. Ook zijn moeder berispt hem niet en laat duidelijk zien dat zij dat geld wilde uitgeven aan een gesneden beeld (17:3). “Gij zult u geen gesneden beelden maken” (Deuteronomium 5:8; 27:15) is blijkbaar voor haar niet meer van toepassing. Afgodendienst moet kunnen, volgens haar! Komt dit ons niet bekend voor vandaag, dat ‘moet kunnen’? Er komt nog bij dat zij de HEERE verbindt met afgoden. Zij wilde de HEERE dienen volgens haar eigen inzichten, gedachten en gevoelens. Komt ons dat ook niet bekend voor vandaag? Er zijn nogal wat dingen die vandaag gebruikelijk zijn in de christenheid die we niet in het woord van God vinden. Dit zijn producten van menselijke fantasie en betekenen vaak, dat men datgene wat God wel in Zijn woord heeft duidelijk gemaakt, men niet meer toepast.

Mis met de mis!

Bijvoorbeeld dat het avondmaal een ‘sacrament’ zou zijn. Absoluut niet! Sacrament is afgeleid van het woord ‘sacramentum’, hetgeen gewijd betekent. Bij de Romeinen betekende dit datgene, waardoor iemand zichzelf of een ander tot iets verbond. Daarom spreekt men ook van de zogenaamde ‘verbondszegels’ en zegt men dat de Heere God door het sacrament een persoonlijk deelgenootschap aan deze weldaden aanbiedt en verzegelt, opdat het geloof zich daaraan vast zou houden, en des te vuriger en des te vrijmoediger naar het persoonlijk bezit er van zou staan. Het avondmaal is geen sacrament (of genademiddel, zoals vaak wordt beweerd door verschillende christelijke kerken) maar een “gedachtenis-maaltijd”. “Doe dit tot Mijn gedachtenis” (Lukas 22:19). Men is in de loop der eeuwen behoorlijk afgeweken van de oorspronkelijke instelling. En nog steeds houdt men dit vol. Nee, wij kunnen alleen het avondmaal vieren (misschien kunnen we beter spreken van het avondmaal ‘houden’. De Heer Jezus zegt ook: “Doet dit tot Mijn gedachtenis” en niet: “viert dit …”) als we al een band hebben met de Heer Jezus Christus. Deze band ontstaat door geloof in Hem Die het volmaakte offer “eens voor altijd” (zie Hebreeën 10:10-13) gebracht heeft en dat dus niet herhaald kan noch mag worden. Wanneer wij het avondmaal houden, denken we terug aan Hem Die dat eenmalige offer bracht op Golgotha. Tegelijk verkondigen wij Zijn dood (1 Korinthe 11:23-26). Het brood en de wijn veranderen niet in het lichaam en het bloed van de Heer Jezus door de woorden van de instelling, die door de priester uitgesproken worden. Het lichaam en het bloed worden onder de gedaanten van brood en wijn aan God opgedragen, aldus Rome. Het is en was helemaal mis met de mis!!! Het avondmaal is niet een offerande, zoals in de Rooms Katholieke kerk wordt geleerd en gepraktiseerd. Het brood en de wijn zijn de symbolen van het lijden en sterven van de Heer Jezus, die Hijzelf ons gegeven heeft om Hem te gedenken. Het is dus de gedachtenis aan de offerande van de Heer Jezus. Hij heeft nooit gezegd dat brood en wijn zouden veranderen in Zijn lichaam en Zijn bloed, noch werkelijk noch geestelijk. Dat is tot oneer van Hem en Zijn unieke eenmalige offer op Golgotha.

Micha doet mee

Micha protesteerde niet tegen zijn moeder over datgene wat zij deed maar ging er juist in mee. Hij liet toe dat zijn moeder de goudsmid opdracht gaf voor een gesneden beeld. Bovendien kwam dat beeld ook nog in zijn huis te staan (vers 4). Als het woord niet meer het licht is op je pad en geen lamp meer is voor je voet kun je snel zover komen. Dan kun je je pad niet meer zuiver houden omdat je je niet houdt aan het woord van God; je gehele hart zoekt niet meer de HEERE (zie Psalm 119:105; 9-10).

Deze zoon begon aan “vormendienst”. Dat is ook een logisch gevolg van het voorgaande. Hij maakte een efod en een terafim (17:5). Zo verbond hij de afgod (terafim) met het priesterkleed. Er ontbrak echter een priester . Wel, daar had Micha ook wel een oplossing voor. Hij maakte één van zijn zonen tot priester. Deze had niet het recht om priester te zijn en Micha had niet het recht om zijn zoon tot priester te wijden. Zo matigde hij zich een gezag aan die hij niet bezat.

Ook dit komt ons toch wel bekend voor. Vandaag matigen zich immers gelovigen aan dat zij het gezag hebben om voorgangers of predikanten aan te stellen – en kennen hen daarbij ook gezag toe om bijvoorbeeld als priester op te treden en een zegen namens God uit te kunnen delen. Dit alles vinden we niet in de Schrift. Wel moet gezegd worden, dat niet allen zich daarvan bewust zijn. Dan is dit bij hen meer een gebrek aan onderwijs omtrent deze dingen. Zij ondergaan het dan als ‘onwetenden’. Ook worden er ‘aanbiddings-leiders’ (worship-leaders) aangesteld of benoemd. Deze gelovigen moeten dan de aanbidding in de samenkomst van de gelovigen voorbereiden en leiden. Soms zijn het ook vrouwen die dit doen. Jammer dat men niet de Schrift laat spreken. Daarbij verwijs ik naar Hebreeën 2:12: “Ik zal Uw naam aan Mijn broeders verkondigen, in het midden van de gemeente zal Ik U lofzingen”. Een aanhaling uit Psalm 22:23. Het is de Heer Jezus Zelf die in het midden van de gemeente de lofzang wil aanheffen. Als het samenkomen van de gemeente gekarakteriseerd wordt doordat Hij het ‘Middelpunt’ is (vergelijk Mattheüs 18:20) – dus Hij alleen gezag heeft en de ‘Gastheer’ is die uitnodigt en bepaalt ‘wat’ er gebeurt en ‘hoe’ het gebeurt in de samenkomst van de gemeente -, zal Hij de aanbidding leiden. Dan is er voor Hem ook plaats om in het midden te werken door de Heilige Geest. De brusters kunnen dan allen hun priesterschap uitoefenen en offers brengen van lof, dank en aanbidding. Dit stijgt tot God op en God zoekt aanbidders die Hem aanbidden in geest en in waarheid (Johannes 4:23-24). Aanbidding zal in overeenstemming moeten zijn met Hem, want de gelovigen zijn tot een priesterdom gevormd om “geestelijke offeranden te offeren, die aangenaam zijn voor God door Jezus Christus” (1 Petrus 2:5). Er is niet één gelovige tot priester gevormd, maar alle gelovigen die tot Jezus Christus gekomen zijn; en dezen worden als levende stenen gebouwd; zij vormen een geestelijk huis, omdat zij opnieuw geboren zijn en de Heilige Geest ontvangen hebben toen zij tot geloof kwamen. De Heilige Geest Zelf werkt in het midden van de gelovigen en richt de schijnwerper op Jezus Christus Zelf (zie Johannes 16:14), Die het lam van God is en het volmaakte offer gebracht heeft (zie 1 Petrus 1:18-21; 2:4-5). De Heer Jezus is de Leider en het Voorwerp van de aanbidding. De Heilige Geest begeleidt. De instrumenten daarvoor zijn de harten van de gelovigen en niet de muziekinstrumenten. In het nieuwe testament gaat het om “geestelijke” offeranden. “… maar wordt vervuld met de Geest, en spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer …” (Efeze 5:18b-19). Ook hier worden geen muziekinstrumenten genoemd maar wordt het hart genoemd. Dit is toch wel iets anders dan wat we over het algemeen vandaag vaak zien en horen in de samenkomsten van de gelovigen. Bovendien is het belangrijk om te zien dat aanbidding in verbinding staat met het altaar, de tafel van de Heer. Daar wordt het avondmaal gehouden en denken we aan Hem Die voor ons zoveel lijden heeft moeten ondergaan, dat Hij tijdens Zijn wandel al heel eenzaam was. Maar Zijn eenzaamheid kwam niet alleen van de zijde van de mensen maar bovenal van de zijde van God omdat Hij in de drie uren van duisternis al onze zonden droeg in Zijn lichaam op het hout en daar tot zonde gemaakt werd. Toen riep Hij die indrukwekkende woorden uit: “Eli, Eli, lama sabachthani”, hetgeen betekent: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” (zie Psalm 102:8; 69:21; 22:2,16; 109:2-5; 1 Petrus 2:24; 2 Korinthe 5:21; Mattheüs 27:46; Romeinen 8:31-32). Dat nu … en nog veel meer betreffende de persoon van de Heer Jezus en Zijn werk op Golgotha … bewerkt ware aanbidding voor Hem, onze Heer en Heiland en voor onze God en Vader, Die Hem voor ons overgaf.

Terug naar Micha. We vinden dus bij Micha een voorbeeld van een dienst aan God die iemand bedenkt buiten de Schrift om. Dat Micha dit zo deed kwam omdat hij het Woord van God niet achtte. Dat kunnen we niet van elke gelovige van vandaag zeggen. Wel dat er een groot gebrek is aan kennis van de bijbel en helaas ook grote zwakheid en geestelijk onvermogen of zelfs geestelijke luiheid om deze beginselen – die hierboven ‘aangetipt’ werden – te onderzoeken en vervolgens deze te praktiseren. Wel is men vaak zeer ijverig om hun ‘eigen’ godsdienstige inzichten te verwerkelijken.

Maar Micha gaat verder op deze ‘onafhankelijke’ weg. In die dagen was er ook geen koning in Israël die orde op zaken stelde. “Een ieder deed, wat recht was in zijn ogen” (vers 6). Dit vers zegt wederom iets van wat ons vandaag ook wel heel bekend voorkomt.

Op een gegeven ogenblik komt er een vreemdeling, een jonge man uit Bethlehem-Juda langs. Hij was van het geslacht van Juda en Leviet. Hij zocht onderdak en komt zo bij Micha terecht. Micha ziet wel wat in hem als “vader en priester” (vers 10) en dringt bij deze jongeling aan om bij hem te blijven. Micha denkt hierdoor een geestelijk hiaat op te kunnen vullen. Maar een Leviet mocht niet offeren, dat was voorbehouden aan de priester. Een Leviet mocht wel in het Huis van de Heere dienen maar niet offeren. Dan stelt Micha deze jongeling aan, die zich hiertoe ook liet verleiden overigens. Daarover moeten we ons niet verwonderen want in de eerste plaats was hij nog jong en bovendien leefde hij ook in de tijd, die gekenmerkt werd door “een ieder deed wat recht was in zijn ogen”. Deze jongeman zag dat immers ook wel en dat geeft zeker verwarring als je nog jong bent in het geloof. Dat is vandaag toch ook nog zo. Herken je dit niet?

Nu weet ik …

Het aanstellen van een priester was ook iets waartoe Micha geen gezag had maar hij eigende zich dat wel toe. Hij stelde zichzelf gerust met de volgende gedachte: “Toen zeide Micha: Nu weet ik, dat de HEERE mij weldoen zal, omdat ik deze Leviet tot een priester heb” (vers 13). Dat zei Micha. Niet de HEERE. Hoe kun je zegen van de HEERE verwachten als je doet wat goed is in je eigen ogen en als je de dingen van de Heer verbindt met afgodendienst.

Hier zien we hoe verblind Micha was en van kwaad tot erger kwam. Hij was zo overtuigd dat hij zei: “… nu weet ik …”. Dezelfde overtuiging kom je vandaag ook tegen in sommige kringen die niet samenkomen zoals de Schrift dat zegt, maar zoals zij zelf menen dat goed is. Daarbij gebruiken zij wel bepaalde bijbelteksten en bijbelse gedachten maar vullen deze zo in, dat de ware zin ervan bijna geheel verloren is gegaan. Er ligt een waas over van ‘eigenwillige’ godsdienst; hoewel met ijver en enthousiasme, dat moet dikwijls gezegd worden.

Moeten we niet terug naar het Woord van God? Moeten we niet buigen voor Hem die zo graag in het MIDDEN van de Zijnen wil ‘wonen’, maar dat niet meer kan omdat menselijke en/of theologische gedachten en filosofieën de plaats hebben ingenomen van Zijn gedachten? Is de Heer Jezus niet naar de ‘zijkant’ geschoven en zijn er niet andere dingen het ‘middelpunt’ geworden, ook in veel samenkomsten van gelovigen?

Op deze wijze werd dus die jonge Leviet uit Bethlehem-Juda als geestelijke aangesteld. In deze geschiedenis zie je het verval van één persoon en allen die met hem verbonden zijn.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW