9 jaar geleden

O, mijn God! (4)

Lezen Richteren 18.

We gaan weer verder met de geschiedenis van Micha uit Richteren 18. Ook dit hoofdstuk herinnert direct weer aan het ontbreken van een koning in Israël. “Er was geen koning in Israël” (vers 1). Dit vinden we behalve in het vorige hoofdstuk (vers 6) ook verder nog in: 19:1; 21:25. In totaal dus vier keer. Twee keer wordt er aan toegevoegd: “… een ieder deed, wat recht was in zijn ogen” (17:6; 21:25). We hebben al gezien bij het vorige hoofdstuk wat het in de praktijk betekende, namelijk dat een ieder deed wat niet recht was in de ogen van God. Dit was over het algemeen het karakter van het volk dat in ‘verval’ was. Is dat vandaag ook niet zo? We hebben daar ook al bij stil gestaan in de overdenking van 2 Timotheüs 2.

Het boek Richteren geeft de droevige werkelijkheid van het verlaten van God door het volk. God maakt gebruik van zwakke werktuigen om hen terug te brengen. God bewerkte opwekkingen. God is getrouw, zo blijkt in alle toonaarden in dit leerrijke boek van God, ook voor vandaag. Persoonlijk en gemeenschappelijk kunnen we veel leren van de tijd van Richteren. Uiteraard is het zo, dat wanneer wij als kinderen van God van Hem afdwalen, van Hem afwijken en onze eigen weg gaan, God ons moet tuchtigen (kastijden). Dat doet Hij niet omdat Hij daar welbehagen in heeft, maar dat doet Hij uit liefde tot ons om de gemeenschap weer te herstellen. Vaak moeten we dan door diepe dalen gaan. Vergaat het ons dan ook niet zoals de psalmdichter: “Ik heb gedwaald als een verloren schaap”? O, dat dan ook het vervolg van dit vers ook in onze harten moge zijn: “…  zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten” (Psalm 119:176). Dan zal de Heer mij en u zeker terug brengen. Ook ons als geheel. Als wij echter volharden in “het doen wat recht is in onze ogen” zullen we soortgelijke ervaringen opdoen als we vinden in Jozua 23 vers 13: “Weet voorzeker, dat de Heere, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de Heere, uw God, gegeven heeft”. Dan geraken we in ‘verval’ en falen we in onze verantwoordelijkheid. De gemeente als het huis van God geraakt dan in verval. Dat wijst ons ook op 2 Timotheüs 2 – waar we al bij stil gestaan hebben -, waar we kunnen leren wat we behoren te laten en te doen.

In hoofdstuk 17 vonden we één persoon alsmede zij, die met hem in verbinding stonden of kwamen. Hier in hoofdstuk 18 zien we een hele stam, de stam Dan. Wat was dit voor een stam? In Richteren 1:34 zien we dat zij verdreven werden uit hun gebied, dat hen door Jozua toegewezen was. Door hun zwakheid waren de Amorieten hun te machtig. In de tijd dat de twaalf stammen hun erfdeel gingen veroveren, nam de stam Dan Lesem in (Jozua 19:47). Dit is de oude benaming van Laïs, dezelfde stad als hier in Richteren 18 (zie vers 7 en 29). Nadat de Danieten deze stad verslagen hadden “met de scherpte van het zwaard”, verbrandden zij het met vuur. Daarna herbouwden zij de stad en noemden het Dan, naar hun stamvader Dan. We zien hieraan ook dat we dit geschiedkundig moeten plaatsen vóór het begin van het boek Richteren, ja zelfs terug tot de tijd van Jozua en van de oudsten die Jozua opvolgden. Dit is wel opvallend. Het gebeurt echter wel vaker dat de Schrift ingaat tegen de historische volgorde. De bijbel moeten we ook zeker niet (alleen) als een geschiedkundig boek lezen. Het heeft hier te maken met het zedelijk verval van het volk van God. De laatste vijf hoofdstukken van het boek Richteren laten ons overzichtelijk zien hoe het verval van het volk zich ontwikkelde. Het verval begon al toen het volk het land in bezit mocht nemen. Dit alles wordt onderstreept met de constatering van het droevige feit: “In die dagen was er geen koning in Israël; een ieder deed, wat recht was in zijn ogen”.

Laten we weer terug gaan naar de geschiedenis in hoofdstuk 18. Het was, zo blijkt, ook niet zo’n groot probleem om deze stad in te nemen. Toen de vijf spionnen terugkeerden naar hun broeders konden zij hen met een gerust hart Laïs aanbevelen. “Het is een zorgeloos volk en er is geen gebrek aan enig ding dat op aarde is”, zo zeggen ze (vs. 8-10). Ze hoefden niet bang te zijn voor dit volk en alles wat hun natuurlijke hart verlangde, zouden ze daar kunnen vinden. Het lijkt verdacht veel op wat Lot bezielde. Lot zag ook op wat voor ogen was, met vele schadelijke gevolgen. Hij beschouwde zelfs de gehele vlakte van de Jordaan als “de hof van de Heere”. Is dat niet een verblinding? Ja, de wereld maakt dat we verblind worden als we ons oog niet alleen en uitsluitend op de Heer richten. En of dat nu dichtbij Sodom lag, maakte Lot niet uit. We weten dat deze stad een boze stad was en grote zondaars tegen de Heere. Hij koos daarvoor en ging zelfs dichtbij Sodom wonen. Daarbij bleef het niet. Hij ging later zelfs in Sodom wonen, nam er een ‘belangrijke’ (politieke) plaats in (hij zat in de poort). Dit bewerkte dat hij zijn rechtvaardige ziel ‘kwelde’ (2 Petrus 2:6-8) – dat gelukkig nog wel – en hem in grote moeilijkheden bracht. Abraham daarentegen woonde bij de eikenbossen van Mamre, bij Hebron (betekent: ‘gemeenschap’). Zijn ziel woonde niet in de laagte maar in de hoogte. Abraham oefende gemeenschap met de Heere en bouwde daar ook een altaar. Daarvan was geen sprake bij Lot (zie Genesis 13 en 19:1).

Is een voorspoedige weg altijd de weg van God?

De vijf spionnen komen dus bij het huis van Micha en herkennen de stem van de jongeling. Het advies van de jonge priester van Micha, was vlot gegeven. Het was geheel in overeenstemming met wat hij was en deed. Hij was geen ware priester en gebruikte de Naam van de Heer om geheel naar de wens van die vijf mannen advies te geven. We lezen niet dat hij de Heer vroeg. Ongetwijfeld voelde hij zich gevleid, dat zij juist bij hem kwamen en hem zelfs vroegen of deze weg wel door God erkend en gezien werd als een voorspoedige weg. Hij zag het als een erkenning van zijn priesterschap, hoewel we weten dat hij daar – als Leviet – géén recht op had. Deze jongeling had zich door Micha laten aanstellen tot een ‘geestelijke’. Dit was geheel tegen de gedachten van God in. Het was geheel en al een vleselijke godsdienst die daar in het huis van Micha afspeelde.

De vragen die de vijf spionnen stellen, spreken niet tot het geweten van deze jongeling. Hij verhaalt met trots wat hem bij Micha was overkomen, waar hij overigens uit eigen wil terecht was gekomen. “ … en ik ben hem tot priester”, zo besluit hij. Komen we dit – met trots een ‘vermeende’ geestelijke positie innemen en ‘vermeend’ gezag uitoefenen – ook niet af en toe tegen bij predikanten en ‘aangestelde’ voorgangers? Maar misschien óók wel in ons hart. Nemen wij ook wel die positie onder het volk van God in, die God ons aangewezen heeft en die in overeenstemming is met Zijn gedachten, met Zijn woord? Hebben we dat ook wel eens voor Gods aangezicht overwogen!?

De woorden van deze jonge priester leken behoorlijk vroom. “Gaat in vrede; uw weg, welke gij zult heentrekken, is voor de Heere” (vs. 6). De vijf hebben de jongeling niet gecorrigeerd, maar erkenden zelfs zijn priesterschap. De jonge priester bewees deze vijf mannen een wederdienst, immers dezen hoorden wat zij graag wilden horen. Nu was het immers volkomen legaal want zelfs de priester verzekerde hun, dat het “voor de Heere” was. Wat zou de wettige hogepriester in Silo gezegd hebben? Daarvoor is het goed eens te kijken naar Jozua 17 vers 12-18. Daar wordt duidelijk gemaakt dat zij de Amorieten moesten verdrijven en hun erfenis niet moesten verlaten. Dat is wel iets anders dan wat hier door de jonge Leviet (priester van Micha) gezegd wordt.

Toch lijkt het er veel op dat het woord van de Leviet uit Juda – als vermeend priester uitgesproken – uitkomt. Nadat de vijf spionnen Laïs bespied hebben, gaan ze terug naar hun volk en doen een positief verslag. Ze sporen aan om hun erfenis te verlaten en nemen Laïs zonder veel problemen in. Deze stad ligt ver van Sidon, waarvan zij waarschijnlijk een kolonie waren. Van die zijde kunnen ze dus geen hulp verwachten (vs. 28). De weg lijkt dus voorspoedig en naar de wil van de Heer immers het ging zoals de priester had gezegd (zie vs. 6). Ogenschijnlijk een weg van de Heer maar in werkelijkheid een eigenwillige, vleselijke weg. God laat dat toe.

Een succesvolle onderneming is nog geen bewijs van Gods goedkeuring! Dit is een les die ook wij ter harte moeten nemen. Deze fout kan gemakkelijk en veel gemaakt worden. Ook door ons! Daarom doen we er goed aan om wél de Heer te vragen voordat we een weg inslaan en op Zijn antwoord wachten. Ook is het van belang die positie in te nemen die de Heer ons gegeven heeft en die niet zonder Zijn uitdrukkelijk bevel te verlaten! Verder kunnen we hieruit ook leren dat de dingen die we van de Heer gekregen hebben, niet moeten loslaten. Daarmee bedoel ik ook de plaats die God ons als gemeente temidden de ‘godsdienstige’ wereld gegeven heeft. Dat is een afgezonderde plaats voor Hem, door Hem en met Hem. Deze erfenis moeten we vasthouden en veroveren waar we het nog niet in bezit hebben genomen en heroveren waar we het verloren hebben. Een ‘volle bak’ tijdens de (ere)diensten is nog geen bewijs dat we de juiste positie innemen. Ook al zijn we ‘strijdbaar’ (vs. 2), zoals die vijf mannen uit Zora en Esthanol. Zij waren wel bereid om te strijden, echter het was op de verkeerde plaats en – zoals het verloop van de geschiedenis toont – ook op de verkeerde wijze. Ze waren niet bereid om te strijden voor de hun door God toebedeelde erfenis. Veel ‘activisme’ in onze tijd onder christenen lijkt veel op dat van die vijf spionnen en die jonge priester uit ons hoofdstuk.

Een ieder deed, wat recht was in zijn ogen

Wat helaas vaak gebeurt in onze dagen is, dat men zegt dat het op deze of gene wijze erg nuttig is, immers ‘het werkt’ en ‘we hebben succes’. Met het laatste wordt vaak bedoeld dat er zielen aan hun eigen kerk, groep worden toegevoegd. Men heeft dan meer oog voor de groei in aantal dan voor het toevoegen van zielen aan de gemeente van God. Moet het niet zo zijn dat wij vanuit het Woord van God en in overeenstemming met het woord van God de Heer dienen? Als de Heer dit zegent met het ‘toevoegen aan hen die behouden moeten worden’ is dit louter en alleen een groot succes van en voor God. Gelukkig doet de Heer dit nog dagelijks, hoewel veel minder in het zogenaamde christelijke westen dan bijvoorbeeld in Afrika, India en zelfs ook in Moslimlanden. Als zij die tot geloof komen dan ook nog de wens hebben of krijgen om dáár te zijn waar de Heer Jezus in het midden is van de Zijnen, is dat ook alleen maar toe te schrijven aan het werk van God in en aan de ziel. Staat dit niet lijnrecht tegenover “… een ieder deed, wat recht was in zijn ogen”? Het principe van “Een ieder doet, wat recht is in zijn ogen” lijkt vandaag wel een refrein dat steeds vaker gezongen wordt.

We moeten echter wel realistisch zijn. Er is vandaag helaas ook veel – vergeeft u mij dit toch wel nare woord – ‘zieltjes-winnerij’. Men deinst er bijvoorbeeld niet voor terug om iemand zó aan zichzelf te verbinden of te verplichten, dat deze zich wel verplicht voelt om ‘kerkelijk’ gezien dezelfde weg te gaan. De vraag “Heer, waar verblijft U?” die in de ziel geboren moet worden door het onderwijs van de Schrift, wordt door deze zieltjes-winnerij voor eigen club dikwijls verhinderd of verduisterd. In hoofdstuk 1 van het Johannes-evangelie kunnen we het principe “Waar verblijft U?” terugvinden (vers 35-41). De twee discipelen van Johannes de doper hebben het duidelijk gehoord: “Zie, het lam van God”. Johannes de doper wijst hen alleen op Jezus. Dat slaat zo diep in bij hen, dat zij direct de Heer Jezus volgen. De Heer keert zich om ziet hen volgen, en vraagt dan: “Wat zoekt gij?”, niet “wie zoekt gij?” Toch blijkt dat wel het geval te zijn, namelijk het zoeken van een Persoon. En dat is ook het allerbelangrijkste in ons leven, dat we eerst Hem zoeken en Hem volgen. De Heer kende zeker hun harten en wilde graag uit hun eigen mond horen hoe het met hen zat. Ze zeggen: “Rabbi (wat vertaald wil zeggen: Meester) waar hebt gij uw verblijf?” Ze wilden graag bij Hem zijn, Die hun verlangen echt kon vervullen. De Heer aarzelt dan ook geen ogenblik, als Hij dit hoort en antwoordt: “Komt en ziet”. Wat een heerlijke dag moet dat geweest zijn voor de twee discipelen. Ze verbleven die dag bij Hem! Dat is ook voor ons het belangrijkste, dat we bij Hem in Zijn tegenwoordigheid kunnen verblijven. Zij waren dus te gast bij Hem. Ook wij mogen “te gast” zijn bij Hem als wij ons tot Hem laten vergaderen. Hij is daar dan het Middelpunt en Hij alleen heeft daar gezag dat Hij bewerkt door de vrije werking van de Heilige Geest (zie Matth. 18:20).

Natuurlijk gaat daaraan vooraf, dat we ook Zijn uitnodiging hebben aangenomen uit Mattheüs 11 vers 28: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt”. Dan heb je je handen gelegd op het offer van het Lam van God; je hebt Jezus Christus aangenomen met belijdenis van je zonde en schuld. Het gevolg? Rust en vrede in je ziel. Bij Hem ga je dan ook ontdekken dat alleen Zijn aanwijzingen gelden, die Hij geeft door Zijn Woord en Zijn Geest. Bij Hem is er geen plaats voor het principe: “Een ieder doet, wat recht is in zijn ogen”. Persoonlijk en gemeenschappelijk kunnen we alleen rust en vrede ervaren en genieten als we ons aan Hem onderwerpen en alle menselijke invloeden achterwege laten. Dát zegent de Heer met Zijn tegenwoordigheid. Dit overwegende brengt mij tot de vraag: Hoe zit het bij mij, bij ons, in dit opzicht? Willen we dit misschien ook – na dit gelezen te hebben – overwegen voor Zijn aangezicht?

Groei …

Met het oog op over groei in aantal is het zeker ook goed en noodzakelijk dat wij ons afvragen: “Hoe komt het dat er geen groei is in onze gemeente? Zijn wij misschien een verhindering?” Laten we de Heer ook met het oog hierop vragen om Zijn licht! Als er mogelijk groei is in het geloof is dat geweldig en tot eer van Hem, want Hij is het immers die ook dit bewerkt. Maar dat mag er niet toe leiden, dat we alles wat de Heer ons aan geestelijke schatten schenkt, voor onszelf houden. Er is een lied dat zegt:

Doch niet louter tot vergaren

van die schatten spoort G’ons aan;

Heer, Uw woord getrouw bewaren

en toe doen sta bovenaan.

Houden we ook, wat wij ontvingen

nimmer voor onszelf alleen;

elk spreid’ uit zijn zegeningen

nieuwe zegen om zich heen.

Laten we daarom ook uitdelers zijn van de schatten die we mogen delven uit Zijn Woord. Het Woord van God is als een mijn die onuitputtelijk is. Als christenen moeten we – als we willen groeien – ook die Mijn binnengaan en afdalen in de diepten van het Woord van God. Het delven naar schatten op zich is iets wat je niet op een presenteerblaadje wordt aangeboden. Daar kunnen de mijnwerkers van meepraten. Het kost moeite en inspanning maar de Heer beloont dit ook. Hij heeft ons ook Zijn Geest geschonken om deze kostbaarheden ‘uit te pakken’, zodat we begrijpen wat Hij ons daarmee wil schenken. De Bereeërs uit Handelingen 17 hadden zeker ook de smaak tet pakken en deden dit zelfs dagelijks (vs. 10-12) Zij hadden ook de bereidwilligheid om het Woord te ontvangen. Daarom waren zij er ook elke dag mee bezig. Hebben wij die bereidwilligheid ook? Psalm 119 zegt het zo: “Ik zal mijzelf vermaken in Uw inzettingen; Uw Woord zal ik niet vergeten” en “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord” (vs. 16, 133).

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol