11 jaar geleden

O, mijn God! (2)

Richteren 18 begint met: “In die dagen was er geen koning in Israël”. In het vorige hoofdstuk staat al dat “ieder deed wat recht was in zijn ogen”. Dat nu heeft alles te maken met verval. Dan wordt ook de tweede Timotheüsbrief – waar we nu wat nader op in zullen gaan – voor ons actueel. Ook vandaag is gezag ver te zoeken, ook onder de gelovigen. Het samenkomen als gemeente bijvoorbeeld doe je, zoals je dat zelf goeddunkt. Menselijke regels, inzichten en methodes hebben meer gezag dan het Woord van God. Fundamentele afwijkingen van het Woord van God worden vaak afgedaan met: “dat is een kwestie van interpretatie”, of: “Dit is alleen maar een verschil van inzicht”. “Daar moet je niet al te moeilijk over doen, niet al te veel zeuren maar gewoon accepteren. Dan bewaar je de vrede”. Is dit het niet zo ongeveer wat we veel tegenkomen in de christenheid? Ja, zoals het in de dagen van Richteren ging, zo gaat het vandaag ook. Toch heeft de Schrift ook in onze dagen van verval ons iets, zelfs veel, te zeggen. Dat heeft ook alles te maken met de titel van deze serie artikelen, namelijk “Mijn God”. Dat spreekt immers van een relatie maar ook van een belijdenis. We hopen later zo de Heer wil op de uitdrukking “mijn God”, die we verschillende malen in de bijbel tegenkomen, dieper in te gaan. In het eerste artikel hebben we al enkele gememoreerd.

Richteren 18 begint dus met: “In die dagen was er geen koning in Israël”. In het vorige hoofdstuk staat al dat ieder deed wat recht was in zijn ogen (vers 6). Dat nu heeft alles te maken met verval. Dan wordt ook de tweede Timotheüsbrief uit het nieuwe testament voor ons actueel. Daar gaan we nu eerst verder op in, voordat we een van de volgende keren weer verder hopen te gaan met Richteren 18.

Het onderwijs uit 2 Timotheüs 2

Verval

De vorige keer zijn we geëindigd met op te merken dat het verval zich niet beperkte tot één persoon. Helaas is dat in onze dagen hetzelfde geval. Eén van de oorzaken ervan is zeker dat men “verbinding met kwaad” niet ziet, of niet meer als “verontreinigend” wil of kan zien. Verbinding met kwaad verontreinigt wel terdege. We komen later daar nog op terug. Wat is verval? Daarvoor is het goed om eens te kijken in de brieven van de apostel Paulus aan Timotheüs. In de eerste brief wijst de apostel op de gemeente als het huis van God. De gemeente wordt gezien in verschillende aspekten, namelijk als:

  1. het lichaam van Christus (1 Korinthe 12:12-13; 26-27; Efeze 1:23; 4:12; 5:30; Romeinen 12:5);
  2. het huis van God, woonplaats van God, tempel van God (1 Korinthe 6:19; Efeze 2:18-22; 1 Timotheüs 3:15; 1 Petrus 2:5);
  3. bruid van Christus (Openbaring 21:2,9).

Het is niet de bedoeling om op deze punten hier in al haar bijzonderheden in te gaan, omdat dat gezien ons onderwerp te ver zou voeren. De lijst is mogelijk ook niet geheel compleet, maar deze zijn zeker duidelijk te vinden in de Schrift.

Verval heeft te maken met ons gedrag. Als we ons niet meer houden aan de regels van onze ouders in ons huisgezin, dan vervallen wij in een gedrag, dat door onszelf bepaald wordt. We trekken ons dan (praktisch gezien) niets meer aan van wat onze ouders bepaald hebben wat hun goed dacht om de orde te bewaren in huis en negeren we hun gezag. We bepalen immers onze eigen regels. Dus: “Vandaag is er geen koning in Israël”. Als een huis in verval raakt, wordt het een ruïne en voldoet het ook niet meer aan de eisen van een goede bewoning. Wanneer er geen onderhoud aan een huis gepleegd wordt, komt het vroeg of laat tot algeheel verval. Ik herinner mij dat ik jaren geleden enkele keren per jaar langs een oude vervallen boerderij in Zeeuws-Vlaanderen (of in West-Vlaanderen in België, dat weet ik niet meer) kwam. Iedere keer moest ik kijken omdat ik stilletjes hoopte, dat het weer in ere hersteld zou worden. Maar iedere keer moest ik tot de conclusie komen dat het er nog slechter uit zag dan de vorige keer. Het ging wel heel geleidelijk. Elke keer was er weer iets stuk of nog verder afgetakeld. Er werd duidelijk helemaal niets aan gedaan. Na enkele jaren was het ongelooflijk afgetakeld. Het was totaal in verval geraakt en gaf een zeer trieste indruk. Wanneer je nu anno 2009 op het Engelse platteland bent, valt het op dat er veel oude historische gebouwen zijn. De meeste echter die ik tot nu toe gezien heb, worden onderhouden of zijn gerenoveerd. Vaak worden ze ook weer functioneel gemaakt.

Ook het huis van God is in verval geraakt. Dat komt absoluut niet dat God er niet voldoende de zorg aan besteed zou hebben. Nee, dat komt door dat zij, die dit huis bewonen, namelijk de gelovigen, er een ‘ruïne’ van hebben gemaakt. De regels van een goed onderhoud werden en worden overtreden. Het Woord van God werd en wordt niet meer ‘gehanteerd’ om het huis naar Gods maatstaven in stand te houden en op te bouwen. In verband hiermee is het wel duidelijk, dat ons gedrag in het huis van God zeer zeker van het allergrootste belang is. “Maar als ik uitblijf, dan weet gij hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat is de gemeente van de levende God, de pilaar en grondslag van de waarheid” (1 Timotheüs 3:15). Dit is een kerntekst in de 1e brief van Timotheüs. De gemeente is natuurlijk niet de waarheid. Dat kon alleen de Heer Jezus met recht zeggen (Johannes 14:6). In Nederland was er een kerkgenootschap die een aantal jaren geleden (in de vorige eeuw) beweerde de ‘ware kerk’ te zijn. Een predikant uit deze gemeenschap verwoordde dat zo: “Christus kerkvergaderend werk loopt door de bedding van onze kerk”. Een totale ontkenning van de gelovigen die geen lid van deze kerk waren. Waarschijnlijk hebben velen uit deze kerk de consequenties van zulke uitspraken niet begrepen. Zij waren te goeder trouw. Wel werd dit tot in het extreme doorgedreven. Gelukkig is dit nu niet meer te horen, maar het was wel erg tegen de Schrift. We kunnen en moeten echter wel opmerken, dat het geloof in de Waarheid wél maakt dat allen die geloven samen de gemeente vormen. Wanneer iemand tot geloof komt in de Heer Jezus wordt deze toegevoegd aan het ene lichaam van Christus, de gemeente (1 Korinthe 12:13; Efeze 4:4), waarin de Heilige Geest woont. “Want zoals het lichaam één is en vele leden heeft, en alle leden van het lichaam, hoewel vele, één lichaam zijn, zo ook Christus. Immers wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt” (1 Korinthe 12:13). Hier vinden we het ontstaan van de gemeente, namelijk door de doop met de Heilige Geest. Dat vond historisch gezien plaats op de Pinksterdag, waarvan we het verslag vinden in Handelingen 2. De Heilige Geest is de samenbindende factor. Hij verbindt ons met God maar ook met elkaar. Deze doop is éénmalig. Dat is niet zo moeilijk om te begrijpen. Johannes 11:52 werd daar vervuld. Het ontvangen van de Heilige Geest persoonlijk is dus niet hetzelfde als de doop met de Heilige Geest. Door het geloof in het woord van de waarheid, dat wij gehoord hebben (het mag dus niet bij ‘horen’ blijven, er moet ook geloofd worden), worden wij verzegeld met de Heilige Geest. Het woord van de waarheid wordt het evangelie van uw behoudenis genoemd. Door het geloof in de Heer Jezus ontvangt iemand de Heilige Geest inwonend. Het is als een zegel dat nimmer meer verwijderd of verbroken kan worden. De verzegelde – dat is de gelovige – is voor altijd het eigendom van Hem die verzegelt, dat is Christus. De Heilige Geest is ook het onderpand van onze erfenis. Zonder Hem zouden wij deze erfenis nooit kunnen ontvangen (zie Efeze 1:13). Door het ontvangen van de Heilige Geest worden we toegevoegd aan het lichaam van Christus. Dat zouden we onze doop met de Heilige Geest kunnen noemen; zij is echter eenmalig. We worden zo met Christus en met God verbonden. “De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn” (Romeinen 8:16). Wij kunnen niet – als ik het zo mag uitdrukken – van God afgepakt worden. Ook andere Schriftplaatsen getuigen daarvan (zie onder andere Johannes 10:28-30). Wat een genade en welk een vreugde, een kind van God te zijn!!!

De gemeente bestaat nu uit “alle” gelovigen op aarde die de Heilige Geest ontvingen toen zij tot geloof kwamen. Het is dus absoluut tegen de gedachte van God als wij denken dat onze gemeenschap “de ware kerk” is. Wel behoort elke plaatselijke gemeente uitdrukking te zijn van het ene lichaam. In 1 Korinthe 12:27 staat: “En u bent [het] lichaam van Christus en ieder afzonderlijk leden”. Dat betekent niet dat de gemeente van Korinthe het lichaam van Christus is, want er waren op andere plaatsen ook gemeenten ontstaan. Hoe zit het dan? Zijn er dan meerdere lichamen van Christus? Nee, dat hebben we al gezien uit 1 Korinthe 12:13. In het Grieks ontbreekt het lidwoord “het” voor lichaam. Er staat dus eigenlijk: “En u bent lichaam van Christus …”. Dat betekent dat de gemeente te Korinthe het karakter droeg van het lichaam van Christus. Als er in het Grieks wel een lidwoord had gestaan, zou dat betekenen dat het hele lichaam van Christus in Korinthe was. Nee, het lichaam van Christus bestaat uit alle ware gelovigen op aarde. Als je nu naar de gemeente in bijvoorbeeld Londen kijkt, zie je alle ware gelovigen uit Londen als het lichaam, maar wel alleen in Londen. Alle ware gelovigen bijvoorbeeld in Londen drukken “samen” het ene lichaam van Christus uit, “U bent lichaam van Christus”. Een plaatselijke vergadering is dus een uitdrukking van het ene lichaam van Christus en behoort ook in dat karakter samen te komen. Zij is slechts een deel van het grote geheel op aarde. In die gemeente moet dan ook het lichaam van Christus gezien worden. Niet alleen in het samenkomen maar in het gehele leven van de gemeente. Wat ook van groot belang is, is dat elke plaatselijke gemeente zich realiseert dat zij geen onafhankelijke groep gelovigen is, maar verbonden is met het grote geheel. Het is in onze tijd zeker belangrijk om hierover na te denken en het Woord daarover te laten spreken. De gemeente drukt namelijk ook een “eenheid” uit. We hopen hierop later nog terug te komen.

Het grote huis

In de gemeente zijn vaten tot eer en vaten tot oneer. Dat begon al in de dagen van de apostel Paulus, zoals we al zagen in Handelingen 20. Daarom spreekt de apostel in de 2e Timotheüs-brief over het Huis van God als van een “groot huis”. We zouden dit kunnen illustreren met Mattheüs 13:31-32. Daar wordt het koninkrijk der hemelen vergeleken met een mosterdzaadje. Dit is het kleinste zaadje onder de zaden, zo zegt de bijbel. Welnu, dit kleine zaadje werd door een mens in zijn akker gezaaid en groeide op. Het werd zo groot dat het zelfs een boom genoemd wordt, waarin de vogels nesten bouwen. Nu zijn vogels een beeld van het kwaad. Dat kunnen we zien in Mattheüs 13:4 waar de vogels het zaad wat langs de weg viel, opaten. Een boom is in de bijbel het beeld van een grote macht op aarde (zie bijvoorbeeld Ezechiël 31:3 v.v. (de Assyriërs) en Daniël 4:10 v.v. (Nebukadnézar). Zoals het mosterdzaadje klein was in het begin, zo klein was ook de schare die Christus beleed, de belijdende christenheid. Hoewel we deze benaming als zodanig niet in de bijbel vinden, zien we wel haar openbaring. Dat wil zeggen, we zien dat er binnen de gemeente zijn, waarvan niet zichtbaar is in hun uitingen, gedrag en leringen, dat zij opnieuw geboren zijn. Een Engelse broeder zei daarover ooit eens: “The living dead”. “Ogenschijnlijk bezitten zij godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij” (2 Timotheüs 3:5). De christenheid is ook “groot” geworden en heeft veel macht verworven op aarde. Zeker in het verleden maar ook vandaag. De Rooms-Katholieke kerk bijvoorbeeld wordt steeds populairder en heeft veel aantrekkingskracht op hen die vooral gericht zijn op uiterlijke dingen, hetgeen dikwijls een aanwijzing is, dat zij niet opnieuw geboren zijn. Zij zijn wel religieus, maar dat betekent nog niet dat je een kind van God bent en leven uit God bezit. Maar ook hiervoor geldt: “God kent die de Zijnen zijn”. Wat voor ons onzichtbaar is, is voor God niet verborgen. Er kunnen zeker onder hen waarachtige gelovigen zijn. We moeten dus niet oordelen. Wel moeten we hen “beoordelen” (“Oordeelt u niet hen, die binnen zijn?” (vergelijk 1 Korinthe 5:12) en – indien Gods Woord dat van ons vraagt – ons ook van hen “reinigen”. Of zoals het vervolg van 2 Timotheüs 3:5 zegt: “… wend u van dezen af”. Binnen de christenheid is er ook veel binnengedrongen wat niet naar de gedachten van God is. Deze dingen hebben er een vaste woonplaats gevonden. Daarvan moeten we ons afzonderen.

Het huis van God in de beide brieven van Timotheüs wordt gezien als overgegeven aan de verantwoordelijkheid van mensen. Het huis van God is dus ook “groot” geworden (zie 2 Timotheüs 2:14-26). Dat wil zeggen dat er ook mensen binnengekomen zijn, waaraan praktisch niet (meer?) te zien is of zij “nieuw leven” uit God hebben. Gelukkig weet God wel die de Zijnen zijn (vers 19a). Ook in 2 Timotheüs waren er mannen die verkeerde dingen spraken. Zij waren van de waarheid afgeweken en worden zelfs bij name genoemd. Deze twee worden met name genoemd maar er waren er nog meer, zo blijkt uit het verband. “Tot hen behoren Hymeneüs en Filétus, die van de waarheid zijn afgeweken, door te zeggen dat de opstanding reeds heeft plaats gehad en die het geloof van sommigen omver werpen” (vers 17-18). Nu heeft het vaste fundament van God een zegel. De ene zijde hiervan hebben we al gezien, maar er is nog een andere zijde, namelijk “ieder die de naam van de Heer noemt, onttrekke zich aan ongerechtigheid” (vers 19b). Dit onderwijs wordt gegeven naar aanleiding van het bestaan van het “ongoddelijk gezwets”, dat als de kanker zal voortwoekeren (zie vers 16). Hymeneüs en Filétus zijn hiervan voorbeelden. De apostel neemt dan dit als aanleiding voor onderwijs over het gedrag van de gelovigen in het “grote huis” (zie vers 20). De misstanden in de Korinthebrief neemt de apostel Paulus ook als aanleiding om onderwijs over het avondmaal en de tafel van de Heer te geven.

Natuurlijk is het ook zo dat het “onttrekken” niet alleen van toepassing is op personen als Hymeneüs en Filétus. Er wordt namelijk aan hun namen toegevoegd: “… die van de waarheid zijn afgeweken” (vers 18). Er zijn er helaas sindsdien (veel) meer geweest die van de waarheid zijn afgeweken. Ook vandaag is dat zo. Van hen moeten we ons ook “onttrekken”. In Romeinen 16:17-20 staat het zo: “En ik vermaan u, broeders, geeft acht op hen die tweedracht1 en aanleidingen tot vallen verwekken tegen de leer die u geleerd hebt, en onttrekt u aan hen. Want zulke [mensen] dienen niet onze Heer Christus, maar hun eigen buik; en door vleitaal en lofspraak bedriegen zij de harten van de argelozen. Want uw gehoorzaamheid is ter [kennis van] allen gekomen. Ik verblijd mij daarom over u; maar ik wil dat u wijs bent jegens het goede, maar rein jegens het kwade. De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus zij met u!”. Dit is toch wel heel duidelijke taal van de apostel. Ook wij moeten wijs zijn jegens het goede en rein ten opzichte van het kwade. Dat kan alleen door ons af te zonderen, te onttrekken aan het kwade. Waakzaamheid is daarbij onontbeerlijk. Als een vermaning blijkbaar nodig was voor de gelovigen in Rome uit die tijd, dan is dat zeker ook voor ons nodig. In onze dagen immers zijn er ook mensen die onder de gelovigen “tweedracht” veroorzaken door de leer te verdraaien of gewoonweg negeren. Al te vaak wordt ook gedacht dat je “tolerant” moet zijn ten opzichte van hen die de leer, die we geleerd hebben, anders interpreteren. Zij zullen met de tijd wel weer wat bijdraaien, is vaak de achterliggende gedachte. Toch is dit een grote vergissing. Mogelijk zijn er enkelen die zich bekeren, maar dat is meer uitzondering dan regel. Een weinig zuurdeeg maakt het hele deeg zuur. Hoe langer we het kwaad tolereren, des te moeilijker wordt het, er zó mee te handelen als Gods Woord het ons leert, namelijk het kwaad weg doen, het uitzuiveren (zie 1 Korinthe 5:6-7), en – zoals Romeinen 16:17 leert – ons eraan onttrekken. Ten overvloede dit alles natuurlijk eerst nadat alles geprobeerd is om hen die verleid zijn, terug te winnen in liefde en in afhankelijkheid van de Heer. Ook daarover geeft de Schrift aanwijzingen.

Wat is ongerechtigheid?

Het gaat in 2 Timotheüs 2 om ongerechtigheid bij andere personen (vers 16-17). Natuurlijk moeten wij ons persoonlijk in de eerste plaats verre houden van de ongerechtigheid. Maar ook van ongerechtigheid die bij anderen gevonden wordt. “Ieder die de naam van de Heer noemt, onttrekke zich aan ongerechtigheid” (vers 19). Hoe we dit dan moeten doen, legt ons vers 20-21 uit. Het is dus onze opdracht om ons te onttrekken! Dit is een actieve handeling of een daadwerkelijk gedrag waardoor we laten zien, dat we ons om wille van de Heer en Zijn heiligheid in Zijn huis afzonderen van – of onttrekken aan – ongerechtigheid. Zo laten we in ons gedrag zien, dat we willen voldoen aan het karakter van de heiligheid van God. “De heiligheid is Uw huis sierlijk, HEERE! tot in lange dagen” (Psalm 93:5b). De apostel Petrus had de opdracht te schrijven: “… maar zoals Hij die u geroepen heeft, heilig is, weest ook gij heilig in al [uw] wandel; want er staat geschreven: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig” (1 Petrus 1:15-16). Er staat ‘weest’ en dat staat in de gebiedende wijs. Helaas laten wij ons vaak niet zo gemakkelijk iets gebieden en gaan er luchthartig langs heen. Is ons tanende gevoel voor zonde en ons gewennen eraan ook niet één van de oorzaken dat wij ons bij het woord “heilig’ in onze dagen niet zo veel meer kunnen voorstellen? Heiligheid betekent in ieder geval dat wij de zonde verafschuwen en ons ervan willen “afzonderen” en ons alleen willen “toezonderen” naar Hem toe die ons geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. We worden in vers 22 (waar we later nog verder op in hopen te gaan) ook aangevuurd om zelfs te jagen naar ‘gerechtigheid’. Dus niet alleen afzonderen, afstaan van de ongerechtigheid, maar juist ook ‘jagen’ naar gerechtigheid.

De woorden “Hij die u geroepen heeft, heilig is” kunnen ook vertaald worden als volgt: “in overeenstemming met de Heilige die U geroepen heeft”2. Dan komt de ernst van de vermaning nog meer uit. Heiligheid is dus ook een wezenskenmerk van God. Misschien zijn we in onze tijd ons niet meer zo bewust van het feit dat God niet alleen liefde is, maar dat hij ook heilig is!!! Het zou goed zijn als we hierover meer zouden nadenken en er meer bij stil zouden staan dat God heilig is (vergelijk ook Jesaja 6:1-7).
Wat nu betekent hier ongerechtigheid? Daarvoor citeren we (naast de al genoemde uit 2 Timotheüs 2:19) eerst enkele schriftplaatsen, die ons wat meer kunnen zeggen over dit begrip.

  1. 1 Korinthe 13:6: “De liefde verblijdt zich niet over de ongerechtigheid maar verblijdt zich met de waarheid”. Ongerechtigheid veroorzaakt alleen maar verdriet en de liefde die in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest (zie onder andere Romeinen 5:5) kan zich alleen maar verblijden met de waarheid. Dat is voor een gelovige ook hoogst voldoende en toereikend. Het maakt ook dat we open staan voor de waarheid. De waarheid heeft ook met de Heer Jezus te maken en Hij alleen geeft ware blijdschap. De ongerechtigheid niet. Integendeel, dat geeft alleen maar verdriet. Kan ook niet anders, want het komt bij satan vandaan. Als iemand zich verblijdt in de waarheid en zich daaraan houdt, komt er blijdschap in het hart maar ook in de harten van de andere geloofsgenoten die dit zien.
  2. 2 Korinthe 6:14: “Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?” (Staten Vertaling). In andere vertalingen wordt in plaats van ‘ongerechtigheid’ het woord ‘wetteloosheid’ gebruikt. Wel wordt daar het woord ‘gerechtigheid’ gebruikt. Het tegenovergestelde van ‘gerechtigheid’ is ‘ongerechtigheid’. Het onder één juk gaan met een ongelovige is gelijk aan het beweren dat gerechtigheid en wetteloosheid niet tegenover elkaar staan en hetzelfde deel hebben. Gerechtigheid en wetteloosheid echter kunnen in Gods ogen niet samengaan. Dat zouden vandaag sommige christenen zich wat meer moeten aantrekken. Vele tegennatuurlijke relaties (zie Romeinen 1:18-32) kunnen daarom ook niet meer voortbestaan en huwelijken voorkomen die niet naar Gods gedachten zijn. Dit voorkomt juist veel verdriet en ellende als we hiermee rekening houden; en vooral onze gemeenschap met God blijft ononderbroken en het gevolg daarvan is dat we gelukkig zijn in en met Hem, die ons kocht en betaalde met Zijn kostbaar bloed. Als de apostel de gelovigen uit Korinthe dit voorhield, betekent dit niet dat wij daarboven staan en het voor ons niet van toepassing zou zijn. Dat geldt ook voor licht en duisternis, Christus en Belial, gelovige en ongelovige. Dezen kunnen en mogen niet samengaan.
  3. 1 Johannes 1:9: “Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid”. Hier komt vooral het belijden van onze zonden naar voren. Dat veronderstelt ook zonde(n)kennis. Dit is essentieel om vergeving van God te ontvangen. God heeft door het offer van de Heer Jezus een volkomen genoegdoening ontvangen ten opzichte van onze zonden. Christus heeft onze zonden gedragen in Zijn lichaam op het hout (1 Petrus 2:24). God is getrouw en rechtvaardig, daarom houdt Hij zich aan dat offer en geeft vergeving. Het offer voor elke zonde is volbracht. Het bloed van Jezus Christus reinigt van elke zonde. Dat mogen we nooit vergeten. Zijn offer is de grondslag voor vergeving en is zo groot dat het hoogst voldoende is. Kaïn dacht daar anders over. Hij meende dat zijn zonde te groot was (zie Genesis 4:13). Broeder C.H. Mackintosh schreef daarover: <<Het belijden van zonden betekent ook dat we er voortaan mee breken, het laten. Spreuken 28:13 zegt het zo: “Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen”. Belijden betekent ook dat we afstand willen nemen van onze zonden>>.
  4. 1 Johannes 3:4: “Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; en de zonde is de wetteloosheid” {ongerechtigheid – Statenvertaling – rm}. Het zich niet (willen) onderwerpen aan gezag, aan Gods wil – is dus zonde. “Wetteloosheid of ongerechtigheid is niet maar een slechte daad, het is de werkzaamheid van een kwaadwillende natuur”, zo schreef eens een broeder.
  5. 1 Johannes 5:17: “Alle ongerechtigheid is zonde, en er is zonde niet tot de dood”. Dat is toch wel heel duidelijk wat de Schrift hier zegt. Er zijn dus geen uitzonderingen, waarvan men zou kunnen en moeten zeggen dat die of die ongerechtigheid geen zonde is. Er valt niets te vergoeilijken want onze boze natuur kan alleen maar zonden voortbrengen. Onze nieuwe natuur – die wij bij onze wedergeboorte ontvingen – daarentegen niet, omdat deze uit God komt en zich aan Hem onderwerpt. “Alle” staat er. Wel is er zonde tot de dood en zonde niet tot de dood. Op dit laatste gaan we hier niet dieper in.

We gaan nu weer terug naar 2 Timotheüs. “Ieder die [de] naam van de Heer noemt, onttrekke zich aan ongerechtigheid” (vers 19b). Dit is de kant van de verantwoordelijkheid van de christen. Iemand schreef hierover: “Ongerechtigheid is alles wat in tegenstelling is met wat God is en wat Hij van Zichzelf geopenbaard heeft”3. In ieder geval is het datgene wat niet bij God past en dat kan worden aangeduid met “zonde” (zie 1 Johannes 3:4). Dat behoren we dan ook te belijden (1 Johannes 1:9) en zullen er dan vervolgens ook afstand van moeten houden. De naam van de Heer noemen, betekent dat we Zijn Naam belijden in ons leven. Dat we voor Hem uitkomen. Als we dat doen, is het ook de opdracht ons van alle ongerechtigheid te onttrekken. Dit geldt voor “een ieder”, niemand uitgezonderd. Ook als we daardoor in moeilijke situaties terecht zullen komen. De bijbel leert duidelijk dat we de zonde moeten haten. Allereerst in onszelf maar ook in onze medebrusters. We moeten hen niet haten, maar in ons hart liefhebben. Dat leert ons de Heer Jezus ook. Maar niet de zonde in hen. Begrip hebben voor de zonde, in de zin van er vergoeilijkend over spreken en toelatend er mee omgaan, is niet naar de gedachten van God. “Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstig berispen en zult de zonde in hem niet verdragen” (Leviticus 19:17). Ieder dus die de naam van de Heer noemt moet zich onttrekken aan de ongerechtigheid. Het zich aan haar invloed en besmetting onttrekken. Dit is uiteraard geen vrijblijvende maar ook geen overbodige aansporing van de Heilige Geest hier. Daar kunnen we zeker van zijn. Het Woord van God is altijd levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard (zie Hebreeën 4:12).

Hoe word ik een vat tot eer?

“In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer. Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt4, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid” (2 Timotheüs 2:20-21).

Hoe het onttrekken aan de ongerechtigheid dan in de praktijk gebracht kan worden en hoe we een “vat” kunnen zijn tot eer, vertelt ons bovenstaand vers. De mens wordt in de bijbel wel vaker vergeleken met een vat. Denk maar bijvoorbeeld aan: Jeremia 51:34 (leeg vat); Romeinen 9:20-22 (vaten van toorn en vaten van barmhartigheid; ook hier wordt gesproken over vaten tot eer en vaten tot oneer); 1 Petrus 3:7 (het ‘zwakker’ vat, de vrouw; sorry zusters!).
Hier vinden we dat het huis van God vergeleken wordt met een groot huis. Bij het grote huis hebben we al stil gestaan. Wat vinden we daar dan?

  1. Gouden en zilveren vaten;
  2. houten en aarden vaten.

Deze twee groepen vaten worden door het woordje ‘maar’ verbonden. In het grote huis – dat is het totaal van hen, die belijden Christen te zijn (ieder die de naam van de Heer noemt”) – bevinden wij ons ook. Daar kunnen we onmogelijk uit gaan, tenzij we ons belijden van de Heer opgeven. Er is onderscheid tussen beide groepen vaten. Het verschil zit in het materiaal. Dat kunnen we duidelijk onderscheiden. Er is onderscheid in eigenschap, kwaliteit.

Gouden en zilveren vaten

Laten we beginnen met de eerste groep, gouden en zilveren vaten. Goud en zilver wordt ook genoemd bij het bouwen op het ‘Fundament’ (zie 1 Korinthe 3:9-17). Het fundament is Jezus Christus. Er moet gebouwd worden aan de tempel van God, waar de Geest van God woont. Dit is ook een verantwoordelijkheid van ons als gelovigen. Er moet gebouwd worden op het ‘Fundament’ (Jezus Christus) en wel met goed materiaal dat het vuur kan doorstaan. Er moet immers toegezien worden hoe er wordt gebouwd. Je kunt bouwen met goud, zilver en kostbare stenen, maar ook met hout, met hooi en met stro. De duurzaamheid van het werk hangt af van het bouwmateriaal. Het is duidelijk dat hout, hooi en stro zullen verbranden. Goud en zilver en kostbare stenen zullen blijven. De aard is zodanig dat het de toets van het vuur kan doorstaan en het zal blijven met als gevolg loon. Dit is heel in het kort wat we daar in 1 Korinthe 3 met betrekking tot de verschillende materialen vinden. Het is zeker zeer leerzaam hier verder op in te gaan, echter in het bestek van ons onderwerp zou dit hier te ver voeren. Gouden en zilveren vaten spreken van mensen die leven uit God bezitten. Goud is een beeld van Goddelijke heerlijkheid en gerechtigheid en zilver een beeld van verlossing en verzoening. Zonder hier verder in te gaan op de symbolische betekenis van de materialen als goud en zilver, moeten we toch duidelijk zien dat (zelfs) gouden en zilveren vaten – dus ook waarachtige gelovigen – tot oneer kunnen zijn. Zij kunnen ook ‘verontreinigd’ en daarom onbruikbaar voor de Meester zijn. Daarom moeten we ons eveneens van dezen ‘reinigen’. Dat schijnt voor velen nogal moeilijk te zijn, omdat het soms ook gaat om personen die een vooraanstaande plaats innemen onder de gelovigen. Daarom proberen sommigen zulke vaten tot oneer te vergoeilijken of recht te praten en datgene wat verontreinigt als “niet zo erg” te kwalificeren. Daardoor ontstaat er een gewenning aan de verontreiniging.

Ook wordt soms het argument gebruikt, dat het in 2 Timotheüs 2:14-26 alleen maar zou gaan om fundamentele dwaalleer dat iemand aanhangt en verkondigt. We hebben dit hierboven al aangegeven dat het daarom niet alleen gaat, maar ook in algemene zin om ongerechtigheid. We moeten daarbij ook rekening houden met wat we in 1 Thessalonika 5:22 vinden: “Onthoudt u van alle soort van kwaad”. Echter ook in 2 Timotheüs spreekt de apostel niet alleen over fundamenteel kwaad die de Persoon en het werk van Christus aantasten, maar hij spreekt ook over “ongerechtigheid” en over “vaten tot eer en vaten tot oneer”. Overigens is vers 19 ook niet een verklaring van vers 18 maar het verband maakt duidelijk dat het een antwoord erop is. Daar moeten we goed op letten!!!

Houten en aarden vaten

Deze vaten spreken dikwijls van ongelovigen. ‘Hout’ en ‘aarde’ hebben duidelijk verbinding met deze aarde. Hoewel hier niet expliciet staat dat houten en aarden vaten tot oneer zijn, zijn zij vanwege hun aard soms wel duidelijker – of eerder – te herkennen áls zij “vaten tot oneer” zijn. Elke verbinding met een vat tot oneer verontreinigt. Alleen als iemand zich van deze reinigt, zich daaraan onttrekt, uitzuivert, zal hij of zij een vat tot eer zijn (zie vers 21) maakt dat ook duidelijk. Er zijn meer teksten te vinden die dit duidelijk maken. Houten en aarden vaten zijn – zoals we al aangaven – een aparte categorie personen. Dat zien we ook door het woordje ‘maar’ dat deze beide groepen vaten (personen) scheiden. Van hen – wanneer zij vaten tot oneer blijken te zijn – moeten we ons reinigen.

Maar vaten tot oneer zijn personen die kunnen komen uit de groep  “houten en aarden” alsook uit de groep “gouden en zilveren” vaten.

We moeten er dus goed op letten dat het in 2 Timotheüs 2 niet alleen gaat om afzondering van boze of verkeerde leer maar ook om afzondering van ‘personen’. “Als iemand zich van dezen reinigt” (vers 21) maakt dit duidelijk.

Verontreiniging – afzondering

Tot slot enkele Schriftplaatsen/gedeelten die verklaren dat verbinding met kwaad verontreinigt. Afzondering ervan is een bewijs van gehoorzaamheid aan God en herstelt de gemeenschap met God. Graag beveel ik ook deze Schriftgedeelten in hun verband ter bestudering aan.

  • Numeri 16:26 (zonde van Korach)
  • Jesaja 52:11 (ga uit …)
  • Haggaï 2:11-13
  • 2 korinthe 6:14-15
  • Openbaring 18:42
  • Timotheüs 2:19-22

Het afzonderingssyndroom

Het is bij de overdenking van dit onderwerp wel nodig, dat wij niet elke Christen moeten gaan verdenken als een mogelijk vat tot oneer. Dan lijden we maar al te snel aan een soort “afzonderings-syndroom”. Daar is moeilijk van af te komen. Alleen de Heer kan ons bewaren om niet te vervallen in het alleen maar speuren naar vaten tot oneer. We mogen vervolgens er ook aan denken dat 2 Timotheüs niet afgelopen is bij vers 21. Daar willen we de volgende keer zo de Heer wil ook nog aandacht aan geven.

NOTEN:
1. Of ‘tweespalt’, eigenlijk meervoud.
2. Zo vertaald door o.a.: Kelly, Greydanus, van Nes, Alford, Vincent, Wuest enzovoorts {Bron: De eerste brief van Petrus, H.L. Heijkoop – vertaler}.
3. Ernst-August-Bremicker, “Wer ein Ohr hat, höre, was der Geist den Versammlungen sagt!”, 2009, Christliche Schriftenverbreitung, Hückeswagen.
4. In 1 Korinthe 5 vertaald door ‘uitzuivert’.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW