13 jaar geleden

Naar de kliffen of naar de Rots der eeuwen?

Dit artikel gaat over zelfmoord hoe men vandaag er mee omgaat, en hoe wij daar als Christenen persoonlijk en gemeenschappelijk mee omgaan.

Het is een heel moeilijk onderwerp dat diep ingrijpt in het leven van de mens. Een mens kan zo diep in de problemen geraken, zo diep in een depressie komen, dat hij/zij het leven wil beëindigen. Er is dan ook zeer grote voorzichtigheid geboden bij het schrijven, publiceren en lezen hierover. Deze voorzichtigheid echter kan toch niet betekenen dat we er over moeten zwijgen, want het is helaas wel iets wat in onze dagen veel voorkomt, ook onder de kinderen van God. Het is de wens en bede dat door deze publicatie over dit onderwerp mensen juist afgehouden worden, om zichzelf van het leven te ontnemen. Er is een weg immers? Een weg die elk kind van God kent. Een weg die hoop, moed en vreugde brengt in het hart. Tevens hoop ik dat het een handreiking mag zijn voor hen die te maken hadden, hebben of nog zullen hebben met deze problematiek.

Beachy Head

Beachy Head is een van de hoogste en meest adembenemendste kliffen in Zuid-Engeland. Iemand die Zuid-Engeland ooit eens heeft bezocht, zal dit ongetwijfeld beamen. De hoogte van Beachy Head is 165 meter boven de zee. Toch heeft deze schoonheid ook een zeer droevige kant. Het is namelijk de meest bezochte zelfmoordplek ter wereld. Het schijnt dat de Golden Gate brug in San Francisco jarenlang dé plek was, waar “de wanhoop” mensen de dood in dreef. Nu staan daar hoge hekken en is er camerabewaking en nu is Beachy Head dé plek. Op een bord naast een telefooncel staat een telefoonnummer van De Samaritaan. Deze naam herinnert ons natuurlijk aan de gelijkenis uit de Bijbel (Lukas 10:25-37). Ja, wanneer de hulp van “De Barmhartige Samaritaan” , Jezus Christus onze Heer en Heiland, wordt ingeroepen, zal Hij zich ontfermen over de mens in nood. Of dit telefoonnummer daartoe ook oproept, weet ik niet. Eigenlijk verwacht je het vanwege de naam wel. Er zijn er die dit telefoonnummer gebruiken om hun “laatste gesprek” hier te voeren. Anderen laten zich ompraten en worden door de politie naar een psycholoog gebracht.

Wanneer men echter hier toch de sprong waagt, zal deze niet overleefd worden. De loodrechte val van 165 meter gaat supersnel, zij duurt slechts zeven seconden.

Er is door een patholoog, John Surtees, onderzoek gedaan naar de springers. Hij ontdekte onder andere dat vrouwen op de rand gaan zitten om zich dan te laten vallen. Mannen nemen een aanloop en storten zich schreeuwend in de afgrond. Ook komt het voor dat mensen per ongeluk hun evenwicht verliezen; anderen schieten het leven erbij in doordat een poging om iemand anders te redden mislukte. Een enkeling wordt geduwd. Iedereen die in de buurt van Beachy Head woont of werkt, heeft de morele plicht om te waken. Het zijn gemiddeld twee mensen per week die proberen zich van de klif te werpen. Per jaar hebben twintig tot dertig van hen het lugubere “succes”. Vanwege de uitgestrektheid van het gebied is het erg moeilijk het afdoende af te schermen of te patrouilleren. Hoewel er hier en daar wel hekken staan, houdt dit de “wanhopige springer” niet tegen. Het schijnt dat de plek waar springers de “macabere sprong” maken, te herkennen is aan het gras dat er afgesleten is. De novellist Louis de Bernières schreef in een essay over Beachy Head: “Deze prachtige plek nodigt ons uit om te sterven … alles hier zijn plukjes en sporen van gebroken harten, afgezegde dromen, verlaten verwachtingen”. De correspondente schrijft tenslotte dat één jongen de lugubere reputatie van Beachy Head kan breken: Harry Potter. (Tot zover het uittreksel van Esther Gotink).

Wie kan deze tragedie doorbreken?

Om nu direct en kort tot de kern te komen: er is maar één Persoon die de reputatie van Beachy Head ( en niet alleen van Beachy Head …!) echt kan verbreken, en dat isniet Harry Potter. Nee, dat is Jezus Christus, de Zoon van God. Dat is niet een goedkope “leus”, dit is de waarheid. Hoewel ik mensen ken die dit ook kunnen getuigen, wil ik hier toch wijzen op het onloochenbare “getuigenis” van de Bijbel, namelijk: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven …” (Johannes 14:6). Ook wijs ik alvast op een persoon in de Bijbel die zichzelf ook wilde beroven van zijn leven, namelijk de gevangenisbewaarder van Filippi, maar die DE ROTS DER EEUWEN ontmoette (Handelingen 16:27; lees alvast maar eens zijn geschiedenis!). Later komen we op hem terug.

De wanhoop van een “ongelovige”

Met “ongelovige” bedoel ik iemand die Jezus Christus niet kent als Redder van zijn ziel. Dus niet iemand die niet tot de Islam of welke andere godsdienst dan ook behoort, maar iemand – mag ik het zeggen – die Christen en dus kind van God is.

Het is misschien voor iemand die als geïnteresseerde niet-Christen dit artikel leest, goed om te zeggen dat je een Christen niet gelijk associëren moet met de president van de Verenigde Staten of met premier Balkenende (hoewel ik met het noemen van deze personen hier niets negatiefs bedoel!). Je moet niet denken aan iemand die (Christelijke) politiek bedrijft of pretendeert te bedrijven, maar aan iemand die zijn/haar leven bewust aan Jezus Christus heeft gegeven, iemand die heeft ingezien dat hij/zij zelf het niet redt in zijn leven. Iemand die een volgeling is geworden van Jezus Christus en die gelooft in èn zich wil laten leiden door het geïnspireerde Woord van God, de Bijbel.

Welnu, de wanhoop en de tragedie van een “niet-Christen” bestaat ten diepste hieruit dat hij “zonder hoop en zonder God” in deze wereld is, en daarom overgeleverd is aan de satan, de overste van deze wereld, of hij/zij dat nu inziet of niet. De Bijbel zegt hierover: “Bedenkt dat u, die vroeger de volken in [het] vlees was [en] onbesneden werd genoemd door de zogenaamde besnijdenis die in [het] vlees met handen gebeurt, dat u in die tijd zonder Christus was, … terwijl u geen hoop had en zonder God was in de wereld” (Efeze 2:12). Dat is de positie van iemand die Christus niet kent, je bent dan “zonder hoop en zonder God”. En wanneer je je niet bekeert en niet met je zonden naar God toegaat en deze belijdt, zult je voor eeuwig verloren zijn en de eeuwigheid doorbrengen in het eeuwige vuur waar je tot in alle eeuwigheid gepijnigd zult worden, gescheiden van God (Mattheüs 25:41; Judas 1:7; Openbaring 20:10). De toorn van God rust nu al op jou vanwege het feit dat je niet in de Zoon gelooft. Wanneer dit zo blijft, blijft de toorn van God ook op jou. Is dit “loze” bangmakerij? Wel, dat wil de satan je graag doen geloven. Maar luister niet naar deze “tegenstander” van God en de “vijand” van je ziel. Het is de realiteit, dit is wat de Bijbel vertelt. En nu kun je daar natuurlijk wel om heen fietsen, maar geloof me dat je de Zoon van God toch eens zult ontmoeten, of je wilt of niet. Als je niet wilt, zul je Hem als je Rechter ontmoeten, die je zal oordelen. Je hebt dan geen advocaat naast je die je zal verdedigen. Je zult het zelf moeten doen. Je zult dan moeten wijzen op jezelf, maar daarmee kom je er niet want je zult op dat ogenblik ook zien dat je niets hebt waarop je je kunt beroepen. Je hebt hier namelijk, toen je daartoe de gelegenheid had, niet gekozen voor de Redder van deze wereld maar voor de vernieler van je ziel, de duivel. Dan mag, dan moet je voor eeuwig in dezelfde plaats verblijven waar deze tegenstander van God ook verblijven zal, namelijk in de poel van vuur. Je naam stond immers niet in het boek van het leven? (Openbaring 20:15).

Als je wel wilt mag je Hem nu al als je Redder ontmoeten (Handelingen 17:31) en zal je voor eeuwig bij Hem in het Vaderhuis mogen wonen. Het is dus helemaal niet zo gek, wanneer je bang wordt. Wordt dat maar! Daar is ook alle reden toe. Wil je deel krijgen aan het eeuwige leven, van de reële angst bevrijd worden om voor eeuwig in de poel van vuur te moeten verblijven, waar ook de duivel en zijn trawanten voor eeuwig zullen verblijven, dan moet er iets met jou gebeuren. Wacht daar alsjeblieft niet langer meer mee!

Want de duivel, het beest en de valse profeet zijn voorwaar geen vrolijk gezelschap. Daar krijg je mee te maken. Bovendien zul je dag en nacht gepijnigd worden als je rechtvaardige straf voor het feit dat je Jezus Christus, de Zoon van God die kwam om ook jou te redden, hebt afgewezen. Wat er dan gebeuren moet? Geloof in de Heer Jezus, geloof in de Zoon, dan heb je eeuwig leven, en zul je niet verloren gaan (Johannes 3:16,36).

Weet je niet hoe je dat moet doen? Ga naar een Christen waarvan je weet dat deze de Heer Jezus Christus kent en vraag die je hierin te helpen; je mag het ook mij laten weten en ik wil je graag helpen (mail dan naar: frissewateren@ctmax.nl).

Als je dat niet wilt of durft dan zeg ik: Buig nu je knieën voor de Heer Jezus. Vertel (belijdt) Hem al je zonden, de hele prut van je leven, stort je hart uit bij Hem .. doe het … Een cursus theologie heb je daar echt niet voor nodig, dat kan je zelfs hinderen. Wat zo geweldig is: Hij is echt dichter bij dan je denkt. Hij wacht al zo lang op jou! Wanneer jij je hart voor Hem opent, komt Hij binnen. Maar jij moet de deur van je hart open doen. Doe het nu!!!! Vergeving, rust, vrede en eeuwig geluk, en nog veel meer, zal dan je hart binnenstromen. Hij woont dan namelijk in je hart!De wanhoop die je wel eens tot zoiets dreef, zoals in de inleiding beschreven, zal dan veranderen in hoop. Een vaste gegronde hoop die berust op de beloften van God die getrouw is. Je mag en kunt dan rekenen op Zijn nabijheid, op Zijn hulp, op Zijn liefde. Dat is heel wat anders dan wat je tot nu toe in de wereld hebt gezien en ervaren. Dan zul je ervaren dat God niettegen jou is, maar vóór jou is en niets of niemand jou kan scheiden van de liefde van God, die in Christus Jezus is (Romeinen 8:31,39).Zijn alle problemen dan opgelost? Heb ik dan nooit geen wanhopige gedachten meer? Daarover gaat het nu verder.

Waar komt de wanhoop vandaan?

De wanhoop die een mens, en zelfs een Christen, ertoe kan brengen zichzelf van het leven te beroven, komt niet bij God vandaan. De neiging van veel mensen, gelovig of niet, is dat men God overal de schuld van geeft. God is de oorzaak van alle narigheid. Nooit heeft men iets van God of gebod willen weten, maar zodra de moeilijkheden komen geeft men God toch alle schuld. Volledig absurd en getuigt niet van veel zelfkennis, eigenlijk van helemaalgeen zelfkennis. Wanneer wij de Bijbel lezen en eerlijk zijn, moeten we wel tot de erkenning komen dat het met de mens van origine “niet zo goed” uitziet. Niet zo goed, het is nog veel erger. Het ziet er “slecht” uit met de mens van nature. Niet anders geneigd dan om het kwade te doen. De Bijbel, God zegt: “Want allen hebben gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God …” (Romeinen 3:23). Wil je er nog één? “Er is geen rechtvaardige, ook niet één; er is niemand die verstandig is; er is niemand die God zoekt; allen zijn zij afgeweken; samen zijn zij nutteloos geworden; er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één” (Romeinen 3:10-12). Een wanhopige toestand dus. De duivel is de bron van wanhoop. Als je naar hem luistert, zal hij je tot wanhoop brengen, hetgeen in de vreselijkste dingen kan uitmonden. Toch is de liefde van God sterker dan de wanhoop van de duivel! Lees daarvoor eens Johannes 3:16. Wanneer je Hem gelooft, behoor jij niet meer tot die “overigen” die geen hoop hebben (Efeze 2:12; 1 Thessalonika 4:13), maar tot hen die “niet verloren gaan”, die dus eeuwige, gegronde hemelse hoop hebben. Niet zoiets van “ik hoop het maar”, zoals in deze wereld gangbaar is, maar eeuwige zekerheid op grond van het volbrachte werk van de Heer Jezus Christus op Golgotha.

Hoewel de mens God niet zoekt, is het gelukkig wel zo dat God de mens wel zoekt. Niet om hem te verderven maar om hem te behouden. Dat is, meen ik, nu wel duidelijk.

We hebben al aangegeven waar de wanhoop niet vandaan komt. Maar waar komt ze dan wel vandaan? Er zijn ongetwijfeld diverse oorzaken voor aan te wijzen. Hier wil ik alleenziekte noemen. Dit kan ertoe leiden dat iemand zo diep in een depressie geraakt, dat hij/zij er geen gat meer in ziet en zichzelf van het leven berooft. We moeten, denk ik, heel voorzichtig hiermee omgaan en het niet zomaar veroordelen. Natuurlijk ook niet goedpraten. Dat bedoel ik geenszins. Het is toch zo dat de mens niet het recht heeft, zichzelf van het leven te beroven, noch van iemand anders. In principe is God immers alleen Heer over leven en dood. Maar door psychische ziekte kan iemand in een zo zware depressie (psychose) geraken, dat het in bepaalde gevallen helaas zover komt dat iemand zichzelf van het leven berooft. Hierover wil ik het verder nu niet hebben.Wel wil ik graag naar voren brengen dat wat de Bijbel zegt in Romeinen 8. Daar vinden we: “Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer” (vers 38-39). Dat betekent natuurlijk niet dat we zelfmoord als iets onschuldigs moeten voorstellen. Verre van dat! Maar voor de “achterblijvers” kan het zo het Woord van God tot een grote troost zijn.

Zorg voor elkaar

In het geval dat iemands depressie veroorzaakt wordt door een volhardende zondige wandel of door een consequente weigering om schuld, zonden te belijden, kan een zorgvuldige benadering de “wanhoopsdaad” voorkomen. Daarvoor is veel wijsheid en liefde nodig van diegene die zijn broeder of zuster, een kind van God dus want daarover gaat het nu, mag of wil helpen. Hoeveel leed zou wel niet voorkomen kunnen worden wanneer wij wat meer zorg aan elkaar besteedden en elkaars lasten wat meer droegen (Galaten 6:2). En komen we daar allen niet veel in tekort? Wij zijn geneigd om onze in zielennood verkerende medebrustergebrek aan geloof te verwijten. Op deze wijze wordt de nood nog groter voor zulk een persoon. Staan we daar wel eens bij stil?

Daar komt bij dat iemand die zelfmoordgedachten heeft, in zijn binnenste weet, dat hij op het punt staat een zonde te begaan. Iemand schreef het volgende: “Hoe gemakkelijk ook een Christen in ernstige nood geraken kan, weet ik uit eigen ervaring . De Heer schonk genade: ik werd door liefdevolle, vroegtijdige zielszorg geholpen. Angst en depressie weken – zonder inzet van sterke medicamenten! … Vandaag kan ik mij weer in de Heer verheugen!”.

Leiding geven en vermanen

Nu wil ik ook verwijzen naar 1 Thessalonica 5. Daar lezen we: “Wij nu vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden en u leiding geven in [de] Heer en u terechtwijzen, en hen zeer hoog te achten om hun werk. Houdt vrede onder elkaar” (vers 12-13).

Gelukkig geeft de Heer vandaag ook nog broeders die onder de gelovigen arbeiden. Niet om er financieel beter van te worden, maar om de Heer hierin te dienen. Zij zijn ook geen “vooraanstaande” broeders, maar “vooraan gaande” broeders. Dat wordt door sommigen wel eens vergeten.

Hun dienst bestaat uit:

  • Leiding geven in [de] Heer;
  • vermanen.

Het “leiding geven in de Heer” heeft ook alles met zielszorg te maken. Het is het besturen, het “stuur” geven aan de medebruster. Dat kan over van alles gaan. Deze taak behoort dus zeker ook tot de taken van de opziener. Hij heeft ook een besturende en leidende taak (zie Handelingen 20:28 en 1 Petrus 5:2; hier gaat het over het weiden van de kudde van God. In Hebreeën 13:17 zien we het waken over de zielen. In 1 Thessalonika 5:12, Romeinen 12:8 en 1 Timotheüs 5:17 zien we het besturen van de gemeente, het leiden en vermanen). Het is hier nu niet de bedoeling om verder in te gaan op de persoon (de oudste) die de taak (het ambt) uitoefent. Evenmin op de achtergronden van de opziener (zo genoemd omdat dit woord meer het ambt, de taak).

Wel is het in onze tijd ontzettend belangrijk, dat broeders die onder ons arbeiden en leiding geven, ook erkend worden. Dat was blijkbaar toen ook nodig om tegen de Thessalonicensen te zeggen. Dit mogen wij, als Christenen in de 21e eeuw, ons zeker ook wel aantrekken. Deze broeders kunnen dit niet opeisen. Nee, het moet door ons “erkend” of “toegegeven” worden. Ook zal het ons en degenen onder ons die in zielennood zijn, tot zegen zijn wanneer wij hen hoog houden in liefde, dat wil zeggen hen met liefde waarderen en omringen. Niet in genadeloze kritiek, niet als rechter. Ons gebed voor hen is zeker noodzakelijk, want hun werk vergt heel veel geestelijke energie.

Nu nog iets over het vermanen. Is het niet zo dat wij meermalen tegen elkaar gezegd hebben (en nog vaak zeggen), dat wij praktisch onderwijs nodig hebben. En dat is zeker ook juist. Maar we moeten vooral niet vergeten dat vermaningen demorele waarde aangeven van de leer. Het is dus zeker even noodzakelijk dat we onderwezen worden in de leer. Daarin moet een gezond evenwicht zijn. De praktische vermaningen komen voort uit de leer. Is het echter ook zo bij ons dat wanneer er praktische vermaningen komen, wij deze ook accepteren?

Vermaningen

  • Toetsen mij;- laten zien dat God zich met mij bezig houdt (2 Samuël 12:7);
  • maken de leer voor mij duidelijker en daardoor ook kostbaarder voor mijn hart;
  • maken duidelijk dat de Heer Jezus met “elke kleinigheid” in mijn leven te maken heeft: alles in mijn leven staat in verband met Hem en Zijn heiligheid;
  • doen een beroep op mijn gehoorzaamheid en liefde jegens Hem.

Welke diagnose stellen wij?

“En wij vermanen u, broeders, wijst de ongeregelden terecht, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, weest lankmoedig jegens allen” (1 Thessalonika 5:14).

In de eerste plaats wijs ik erop dat hier alle broeders worden aangesproken, dus is datgene wat volgt niet voorbehouden aan een “klein select gezelschap”, die in de kerkelijke systemen vaak “ambsdragers” worden genoemd. Dat is een ernstige misvatting en een uitblussen van de activiteit van de Heilige Geest. Hij werkt door Wie Hij wil, en niet door wie wij verkiezen! Het gaat om zorg die wij allen onder elkaar behoren uit te oefenen. Toch haast ik mij om te zeggen dat het ongetwijfeld wel zo is, dat de Heer bepaalde broeders daartoe bijzondere gaven gegeven heeft. Daarover hebben we het in feite al gehad in de verzen 12-13.

Om de juiste diagnose te kunnen stellen is het van groot belang de volgende groepen uit dit vers goed te kunnen onderscheiden.

  1. Ongeregelden. Vergeleken met groep 2 zou je kunnen zeggen: Zij kunnen wel, maar willen niet! Het zijn Christenen die zich met allerlei dingen bemoeien behalve met datgene waarmee ze zich bezig zouden moeten houden. Zij hielden zich niet aan de inzettingen van de apostelen. Een duidelijk voorbeeld daarvan vind je in 2 Thessalonika 3:6-15. Wat hebben dezen nodig? Een vriendelijk schouderklopje en de opmerking: Het komt allemaal wel goed … ga zo maar door …? Nee, dat zou funest voor hen zijn. Zij moetenterecht gewezen worden! Correctie dus. Hoe je dat doet? Daarvoor is zeker veel wijsheid en liefde nodig. De Heer zal ongetwijfeld helpen, wanneer we Hem hierom vragen. Hoe wij ons op moeten stellen ten opzichte van iemand die chronisch “ongeregeld” wandelt, maakt dit gedeelte ook duidelijk. Enkele stappen van tucht (correctie) kunnen we hier dan ook onderscheiden (vers 6: onttrekken; vers 14: tekenen en het geen omgang meer hebben. Doel:beschaming. Wel moeten we zulken als “broeder” vermanen en hen niet als vijanden houden.
  2. Kleinmoedigen. Deze gelovigen willen wel, maar denken niet te kunnen! Zij zijn klein van moed, durf of vertrouwen. Een terechtwijzing is bij hen niet op zijn plaats. Dat zou hen nog verderontmoedigen. We behoren hen juist te bemoedigen en te troosten . Hoe? Bijvoorbeeld door een “geestelijke arm” om hen heen te slaan. Naast hen te gaan zitten en naar hen te luisteren en met hen te bidden, kan een goede hulp voor hen zijn. Kijk maar eens in de evangelieën hoe de Heer Jezus dat deed. Zei Hij niet: “Hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Johannes 16:33). Hij nam de tijd om naar hen te luisteren die in de problemen zaten. Hij zocht hen zelfs op (bijvoorbeeld Johannes 9:35).
  3. Zwakken. Deze gelovigen willen wel, maar kunnen niet! Iemand die zwak is, heeft ondersteuning nodig zodat deze niet “onderuit” gaat. Iemand die er voor hem of haar is, iemand die klaar voor hen staat. Roepen dat zij sterk moeten zijn, zal hen niet helpen. Nee, gewoon een hand uitsteken ter ondersteuning. Medelijden hebben hoort daar ook bij. Ook de Heer kan met ons meelijden in onze zwakheden (Hebreeën 4:15). Bedenk ook dat er verschil is in geestelijk groei, dat maakt dat we meer begrip hebben. Laten we hen terzijde staan (Handelingen 20:35) en hen aannemen (Romeinen 14:1).

Wanneer we dus de juiste diagnose stellen, zijn we ook in staat om onze mede-bruster tot steun te zijn. Gemeenschap met de Heer en het kennen van het Woord van God zijn daarbij onontbeerlijk. Immers “zonder Mij kun je niets doen”, zei de Heer (Johannes 15:5). Zo kunnen we ook voor hen die zichzelf van het leven beroven willen of gedachten daartoe hebben, tot steun zijn. Ja, dit kan zeker veel problemen voorkomen onder de Christenen.

De man die het niet meer zag zitten …

Zo iemand vinden we in Handelingen 16. We gaan hier heel kort in op wat daar gebeurde. Lees zelf eerst maar het prachtige verslag (Handelingen 16:16-40).

De apostel Paulus en zijn helper Silas waren door de prediking van het evangelie in Filippi in de gevangenis terecht gekomen. De tegenstand was niet mals. Satan had medestanders gevonden in een slavin die een waarzeggende geest had, in de Romeinse bestuurders van Filippi en tenslotte de hele stad. Dit resulteerde in hun gevangenneming en na gegeseld (zie 2 Korinthe 11:25; 1 Thessalonika 2:2) te zijn, wierpen zij hen in de gevangenis. De gevangenbewaarder sloot hen zorgvuldig op en zette hun voeten in het blok. Deze man wist namelijk dat hij volgens de Romeinse wet met zijn leven instond voor de gevangenen.

Ze konden geen kant op. Ja, wij zouden ons kunnen voorstellen dat Paulus en Silas behoorlijk in de put hebben gezeten. Was dit het nu? Moesten ze daarvoor nu naar de overkant? (Handelingen 16:6-10). Er was alle aanleiding om te twijfelen aan de weg van God. Hadden ze zich dan vergist? In plaats van open deuren voor het evangelie zaten ze immers achter “gesloten deuren”. Maar wat een geweldig voorbeeld zijn zij hier voor ons! Zij twijfelen niet. Oh nee! Zij gingen bidden en zingen. Misschien denk je wel, als je dit leest: “Wat doe jullie nu dan toch? Je ziet immers dat alles nu verloren is? Geef het toch op!” Maar kijk dan nu eens wat er verder gebeurde. Ongetwijfeld was er in deze gevangenis nog nooit zoiets gehoord. Zij bidden en zingen de lof van God in de nacht. Zij kijken omhoog … zij heffen hun ogen op tot God (Psalm 121:1-2). Hun gebed en lofzang roepen de hulp en macht van God op. Dat blijkt, want wat gebeurt er dan verder? De gevangenen hebben ongetwijfeld ademloos geluisterd. Wat gebeurt hier?

Blijft het bij dit mooi “concert” van deze twee moedige mannen? Nee! Er ontstond plotseling een grote aardbeving. De grondvesten van de gevangenis werden aan het wankelen gebracht … alle deuren gingen open … de boeien van allen gingen los … Dit was voor de gevangenbewaarder werkelijk een “rampsituatie”. Toen hij wakker werd en de toestand overzag, kon hij volgens hem nog maar één ding doen, namelijk het zwaard nemen en zichzelf doden. Maar waarom? De gevangenen waren er toch nog? Daar stond hij garant voor. Wel, dan was er toch niets aan de hand? Inderdaad! Maar hier zie je de invloed van satan. Deze bracht hem in paniek en hij vergat zich eerst te overtuigen of de gevangenen inderdaad wel waren gevlucht. Het was immers donker en dan zie je niets. Zo liet satan de gevangenbewaarder in de waan dat de gevangenen waren gevlucht en wilde hem tot deze wanhoopsdaad brengen. Maar het Woord van God is niet geboeid! (2 Timotheüs 2:9), ook niet in deze gevangenis.Want God grijpt nu in . Nu was het de tijd voor deze man om gered te worden. Hoe? Door zijn dienstknechten. Want dit was de weg waarlangs de gevangenbewaarder tot geloof moest komen … tot de Heer Jezus moest komen. Daarom Paulus en Silas de gevangenis in. Daarom die aardbeving. Dan klinkt het verlossende woord met luide stem van Paulus: “Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier!” Dan komt de gevangenbewaarder tot bezinning. Hij vroeg om licht, sprong naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas neer. Daarna brengt hij hen naar buiten. Zijn geweten is door alles wat hij gehoord en gezien heeft, geraakt, en daarom vraagt hij: “Heren, wat moet ik doen om behouden te worden”. Dat is wat de genade van God bewerkt! Deze vraag komt regelrecht uit zijn hart en toont dat hij overtuigd is van zijn zondige toestand, dat hij eenverloren zondaar is. Daarom hoeft de apostel hem ook niet nog eens op te wekken om zich te bekeren. Dat was hij al. Waartoe zij hem wel oproepen is om de Heer Jezus en daarmee ook Zijn werk aan te nemen: “Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden, u en uw huis” (Handelingen 16:31). Ja, God laat ook de aarde beven om een mens te redden en om hem af te brengen van zelfmoord. Wat een verandering vond er toen plaats in het leven van deze man. Zo wil God ook vandaag u redden, u helpen. Daarvoor kan Hij alle middelen aanwenden, zoals we zagen. De duivel dacht een goede slag geslagen te hebben door twee arbeiders in de gevangenis te werken en hen zo uit te schakelen, maar hij heeft een heel huisgezin voor altijd verloren. Dat blijkt uit de rest van deze geschiedenis.

Als u als ongelovige, die dit leest, ook met zelfmoordgedachten rondloopt, vraagt God u: “Doe uzelf geen kwaad … Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden”. Als u als Christen dit leest en ook met zelfmoordgedachten rondloopt, wil God u eveneens, door middel van Zijn Woord, vragen: “Doe uzelf geen kwaad … Geloof in de Heer Jezus …”; maar ook: “De Heer is nabij. Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging uw verlangens bekend worden bij God. En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus”.

Tot slot

Er is natuurlijk nog veel meer te zeggen en te schrijven over deze materie. Dit echter wilde ik graag doorgeven in de hoop en bede dat wij allen – zij die “wanhopig” zijn en zij die om hen heen staan – “samen” ons vertrouwen op Hem alleen stellen in het hulp “zoeken en aanvaarden” en in het hulp “bieden”. Dit alles tot eer en verheerlijking van Hem die onze ziel bemint.

Gebed

 

Houd U mijn handen beide

met kracht omvat

geef mij uw vast geleide

op het smalle pad.

Alleen kan ik niet verder,

geen enkele schrêe,

neem trouwe zieleherder,

mij met u mee.

 

Op de ongewisse bare

van de oceaan,

in stormen en gevaren

grijp, Heer, mij aan.

Ik zie Uw aanschijn blinken

in duistere nacht,

behoed mij dan voor zinken

door Uwe macht.

 

En blijft mij ook soms verborgen

Uw grote macht,

U voert mij tot de morgen

ook door de nacht.

Neem dan mijn beide handen

en leid Uw kind,

tot ik aan de eeuwige stranden

de ruste vind.

Lied 224 – Geestelijke Liederen

 

* Bronnen: Correspondente Esther Gotink in een landelijk blad;Folge mir nach.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol