2 jaar geleden

Na de Babylonische ballingschap (27,28)

Nehemia 1 vers 3 en 4:
3. Zij zeiden tegen mij: De overgeblevenen, die uit de gevangenschap daar in het gewest zijn overgebleven, verkeren in grote ellende en in smaad. In de muur van Jeruzalem zijn bressen geslagen en zijn poorten zijn met vuur verbrand.
4. Het gebeurde, toen ik deze woorden hoorde, dat ik ging zitten en begon te huilen. Ik bedreef enkele dagen rouw, terwijl ik voor het aangezicht van de God van de hemel vastte en bad.

XXVII

Nehemia’s gebed

Nehemia, de schenker van de Perzische koning, had een hoge, vertrouwde positie, want hij was verantwoordelijk om het geluk van de koning te dienen, en ook te zorgen voor de veiligheid van de koning. Zijn hart echter was bij zijn volk in Jeruzalem, waar de plaats was, waar de Heer Zijn Naam gevestigd had en waar de tempel van God was. Toen Nehemia van zijn broer Hanani en andere bezoekers van Juda gehoord had over de gebroken muren, de verbrande poorten en van de schrijnende, schandelijke toestand van het volk, weende, rouwde, vastte en bad Nehemia.

Zijn gebed was een diep gevoelig, God erend gebed van belijdenis, een ‘wij’ gebed, niet een beschuldiging. Hoewel hij persoonlijk een godvruchtig man was, identificeerde hij zich met de zonde van zijn volk Israël en met de gebeden van andere dienaren van God. Hij herinnerde God aan wat Hij beloofd had, en vroeg Hem: “Doe uw dienaar vandaag toch slagen en geef hem barmhartigheid bij deze man”– de koning (vs. 11)! Hij ging enkele dagen in deze geest verder met vasten en bidden, voor het aangezicht van de God van de hemel (vs. 4).

“Het hart van een koning is in de hand van de HEERE als waterbeken. Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt” (Spr. 21:1). De dag kwam dat de koning zag dat Nehemia bedroefd was. Als je bedroefd was in het bijzijn van de koning, kon het je fataal worden want deze Perzische koningen stonden erop als goden te worden behandeld. Van God alleen kan met recht gezegd worden: “U maakt mij het pad ten leven bekend; overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd” (Ps. 16:11). God beantwoordt Nehemia’s gebed, en de koning zorgt ervoor dat Nehemia naar Jeruzalem wordt gezonden als gouverneur om de verwoeste stad Jeruzalem te herbouwen.

 

XXVIII

 

Nehemia 2 vers 13,17-18:
13. Ik ging ’s nachts door de Dalpoort de stad uit, voorbij de Drakenbron, naar de Mestpoort, en inspecteerde de muren van Jeruzalem, waarin bressen waren geslagen en waarvan de poorten door vuur waren verteerd.
17. Toen zei ik tegen hen: U ziet de ellende waarin wij verkeren, dat Jeruzalem verwoest ligt, en zijn poorten met vuur verbrand zijn. Kom, laten we de muur van Jeruzalem opbouwen, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn.
18. En ik vertelde hun over de hand van mijn God, die goed over mij geweest was, alsook de woorden van de koning die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laten wij opstaan en gaan bouwen! En ze grepen moed voor het goede werk.

Stille voorbereidingen

 Nehemia verspilde geen tijd. Drie dagen nadat hij in Jeruzalem gearriveerd was, gingen hij en een paar mannen ‘s nachts om te kijken hoe de situatie erbij lag. Nehemia vertelde aan niemand wat zij aan het doen waren, ondertussen gingen zij helemaal rondom de stad kijken naar de ruïnes van de afgebroken muren en haar verbrande poorten, een bedroevend aanzicht!!

Hij riep de leiders en het volk bijeen, en sprak tot hen over “de ellende waarin wij verkeren”. “Kom, laten we … opbouwen’’, zei Nehemia tot hen. Hij bemoedigde hen doordat hij sprak over de goede hand van God over hem en over de koninklijke toestemming die hij had gekregen. Hun reactie erop was: “Laten wij opstaan en gaan bouwen!’’ En onmiddellijk grepen ze moed en pakten dit hele grote project grondig aan.

We zien hier bekwaam godvruchtig leiderschap. Nehemia handelde snel nadat hij in Jeruzalem aangekomen was. Hij handelde zonder luid tamtam. Rustig onderzocht Nehemia de situatie, niet alleen vertrouwend op zijn eigen oordeel in de zaak, maar hij nam ook een paar anderen mee. Toen riep hij de mensen bijeen. Hij meldde de bedroevende situatie van de muren en de poorten van Jeruzalem, maar gaf niemand een standje of de schuld ervan. Integendeel, hij noemde een positieve oplossing: ‘’Kom, laten we opbouwen’’. Hij bemoedigde het volk door te vertellen dat de goede hand van God over hem geweest was, en de gunstige woorden van de koning tot hem.

Het resultaat had twee kanten. Het volk zei: “Laten wij opstaan en gaan bouwen’’, en ondernam positieve stappen om dit te doen; en de vijanden lieten hun vijandschap zien door de mensen te verachten en verwijten te maken.

Eugene P. Vedder jr.

 

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol