16 jaar geleden

Jonge mensen in de Bijbel (12)

Mozes: zijn afstand doen en zijn keus (12)

Hebreeën 11: 24-28

Voordracht 5

Het volgende wat we hier over Mozes lezen is, dat hij “de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte” (Hebreeën 11:26). Ik twijfel er niet aan dat Mozes veel vreugde kreeg toen hij tot het besluit kwam om aan de kant van God te komen en zich te identificeren met het volk van God. Je moet niet vergeten wat ze waren. Ze waren slaven onder farao. Toen Mozes tot het volle besluit was gekomen twijfel ik er niet aan dat zijn oude bekenden hem uitlachten, hem verachtten en hem bespotten en zeiden: wat een dwaas is die Mozes! Mozes was geen dwaas. Dwaasheid ligt op de weg van de “landkaart” van degene die de eeuwigheid binnengaat zonder te letten op de nood van de ziel. Mozes kon wel met heel veel soorten scheldnamen genoemd zijn. Maar het doet een mens niet veel kwaad om uitgescholden te worden. Het hindert niet als de mensen die je metgezellen zijn geweest, je een “blauw licht”, een “heilssoldaat”, of een “refo” noemen. Het hindert niet, mijn vriend, als je van de Heer bent, ofschoon je kameraden in de klas, op de boekhoudafdeling of in de werkplaats je voor de gek houden. De Christen heeft over de gehele linie het beste van alles gekregen – dwars door de tijd heen en tot in eeuwigheid. Hij heeft God als zijn Vader, Christus als zijn Redder, de Heilige Geest als zijn Trooster, de bijbel als zijn gids, en de kinderen van God als zijn metgezellen. Gelukkig mens! Gezegend mens! Wat is het dat hij verliest? Hij verliest zijn zonden; en het verlies om geoordeeld te worden voor je zonden is niet iets om treurig over te zijn.

“Achtende de smaad van Christus groter rijkdom dan de schatten van Egypte” was een uitstekend werkend principe. Ik ben er van overtuigd dat Mozes, zodra hij die stap nam, hij in de ene weegschaal legde wat voor een tijd hij had in verbinding met de afgoderij van Egypte, en in de andere schaal de smaad van Christus legde. Hij woog de schatten van de wereld af tegen “de smaad van Christus” en achtte toen gelukkig “de smaad van Christus groter rijkdom dan de schatten van Egypte; want hij zag op de beloning”. Hij keek in de toekomst. Ik smeek je, kijk in de toekomst. Bedenk wat de eeuwigheid is. Heb je ooit werkelijk nagedacht over wat de eeuwigheid is? Het is een verschrikkelijk woord voor iemand die niet gered is. Je kunt het niet voorstellen. Je kunt het niet overzien. Als het mogelijk was dat een vogel van deze aarde naar de dichtstbijzijnde waargenomen ster zou vliegen en zijn vlucht net zo snel zou zijn als het licht, zou het duizenden jaren duren. Als het zijn plicht was om deze aarde korrel voor korrel daarheen te verplaatsen, zou de tijd door het heen en weer reizen in beslag genomen zijn totdat de hele aarde op deze wijze naar gindse waargenomen ster gedragen was; het zou onmeetbaar en volkomen ontelbaar zijn. Maar wanneer dat werk is gedaan, is de eeuwigheid pas net begonnen. Je toestand en feitelijke positie als een zondaar zonder God, waarover de Schrift spreekt als van “de poel van vuur” waar “de worm niet sterft”, is dan slechts het begin. Oh! ik smeek je, denk erover na.

Maar hoor ik je zeggen, ik geloof niet in de hel. Mijn vriend, jouw ongeloof kan dit niet laten verdwijnen. Mensen willen ons tegenwoordig doen geloven dat de hel een niets betekende fabel is; maar dat is onmogelijk – het feit dat Christus stierf, lijdende als “de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons ons tot God zou brengen” (1 Petr. 3:18) en dat de poorten van de heerlijkheid voor ons geopend zijn, is een overtuigend bewijs van de eeuwige realiteit van de plaats waar de niet-wedergeboren mens moet lijden. Als er niet een onmetelijke schuld ingelost moest worden, waarom heeft Jezus dan vrijwillig het verlaten-zijn van God op de kruis verdragen? Er staat geschreven dat Hij “eenmaal voor de zonden geleden heeft, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen”; en het lijden van de Redder is voor mij een absoluut overtuigend bewijs van de onvermijdelijke straf voor de zondaar die onverzoend de eeuwigheid ingaat met zijn zonden.

De mens die nu de eeuwigheid ingaat in een ongeredde, onbekeerde, onverzoende, ongelovige toestand, doet dat met geopende ogen, want God heeft duidelijk gesproken. Het licht dat jij hebt is oneindig meer dan dat wat Mozes had, – maar hij “zag op de beloning”. “De wereld is slechts voor deze tijd”, zei hij, “ik moet iets voor de eeuwigheid. De wereld haast zich voort en vergaat; ik wil iets wat duurzaam is en eeuwig. Deze wereld gaat voorbij! Geef mij dat wat in eeuwigheid blijft – de gemeenschap met het volk van God in deze tijd, en met God Zelf voor eeuwig”. In Lukas 9 hebben we gezien dat zijn beloning heerlijkheid was; want daar vind je Mozes met de Heer Jezus in de heerlijkheid. Ik zal je nooit in de hel ontmoeten, en Mozes zul je er ook nooit ontmoeten; en als je zijn stem uit de hemel zou kunnen horen, dan zou hij zeggen: “Jonge vriend, je kunt beter mijn pad volgen. De mensen hielden mij voor een dwaas op mijn aardse loopbaan, maar zie eens waar ik nu ben; ik ben in heerlijkheid met Christus”. Hij “zag op de beloning”, en die was inderdaad groot.Maar er was grote kracht in Mozes geloof, want we lezen: “Door het geloof verliet hij Egypte, en vreesde de toorn van de koning niet; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzienlijke” (Hebreeën 11:27). Maar wat gaf hem de moed deze weg te gaan? Wat droeg hem op deze weg? “Hij bleef standvastig, als zag hij de Onzienlijke”. Hij hield zijn ogen op God gericht. Hij kende God. De Christen kent God. De jonge Christen kent God als zijn Vader en de Zoon als zijn redder. Hij weet dat zijn zonden vergeven zijn.

Het vergoten en het gesprenkelde bloed

Wel, waarom, zo zou ik willen vragen, is hier van besprenkeling sprake? Omdat geloof in het loutere feit dat Christus stierf, mij niet zal redden. Ik moet het mij toeeigenen en moet het mij eigen maken, en dat is wat geloof doet; het besprenkelt het bloed. Er zijn zoveel mensen vandaag die geloven dat Jezus stierf, maar die Zijn bloed niet op hun eigen ziel toegepast hebben. Die lijken op de mensen in Egypte die weliswaar het lam geslacht en het bloed in de schaal gedaan hebben, maar het bloed niet op de bovendorpel en de beide zijposten van zijn deur hebben gesprengd. Het vergoten bloed betuigt het feit dat Jezus stierf; het gesprenkelde bloed toont aan dat ik geloof dat hij voor mij stierf; ik heb het mij toegeeigend voor mijn eigen behoefte. Er is geen echte persoonlijke toepassing van deze waarheid, totdat dit punt is bereikt. Er moet een persoonlijke toepassing van deze waarheid zijn. Gods redding is individueel. Het gaat niet per familie, kerk of natie. “Nauw is de poort, en smal is de weg die tot het leven leidt”. En waarom? Omdat je altijd alleen voor jezelf binnen kunt gaan. Het is heel persoonlijk. Je moet het voor jezelf hebben; je moet het voor jezelf verkrijgen. Ik kreeg het, God zij dank!

Wil je niet Christus vandaag aannemen? Je kunt niet beter doen dan Mozes na te volgen. Ten eerste: kies voor Christus; ten tweede: keer de wereld je rug toe; en ten derde: stel je onder de bescherming van het bloed van Jezus Christus. Geloof doet alle drie. Heb jij geloof?

Wordt vervolgd D.V.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW