14 jaar geleden

Mefibóseth (20)

Mefibóseth

2 Samuël 4:4; 9; 2 Samuël 16:1-4; 2 Samuël 19:24-30

Voordracht 8a

Een goede afloop (I)

De geschiedenis van Mefibóseth is uitermate interessant, omdat het in beeld laat zien wat de mens in zijn natuurlijke verloren toestand is, en hoe de genade van God iemand kan ontmoeten waar hij ook is, en wat het effect van die genade zal zijn op het hart die dat ervaren heeft.

Waarom vluchtte zij? Waarom pakte deze voedster (oppas) dat kind van vijf jaar op om zich met hem in veiligheid te brengen? Zij oordeelde over David op precies dezelfde manier als de mens over God. Zij concludeerde uit het gedrag van Saul tegenover David, wat logischerwijze het gedrag van David tegenover de nakomelingen van Saul zijn moest. We hebben in het voorgaande al gezien met welk een haat Saul David vervolgde; hoe hij hem opgejaagd had als een veldhoen op de bergen. Zij wist dat Saul David haatte. Zij concludeerde dat David Saul en al zijn nakomelingen ook zou haten. Zij argumenteerde: “Hier is de ware troonopvolger nadat Saul en Jonathan zijn gestorven. De directe troonopvolger is dit kind, Mefiboseth; en nu zou David de troon bestijgen, want geheel Israel weet dat God David tevoren heeft bestemd voor de troon en hij zal zeker het nageslacht van Saul uitroeien. Maar ik zal dit kind uit zijn wraak redden”. Zij wilde met Mefiboseth vluchten en hem zo redden van de toorn van David, maar in haar haast liet zij het kind vallen. Hij werd daardoor zodanig geblesseerd dat hij kreupel werd voor zijn leven.

Is God voor of tegen mij?

Het is de mens die tegen God is. Het zijn jij en ik die van nature tegen God zijn. Wij zijn in vijandschap tegen God en niet omgekeerd. Nee, mijn vrienden, het kruis van de Heer Jezus Christus laat deze kwestie zeer duidelijk zien. “Als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn? Hoe zal Hij, die Zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft …” (Romeinen 8:31-32), bewijst overtuigend dat God voor ons is. Hij is niet de vijand van de mens. Wij horen soms dat God met de mensen verzoend heeft. Zo spreekt de Schrift niet. “En u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend …” (Kolosse 1:21-22). Het is de mens die van God verwijderd is en verzoening nodig had. Het is jouw en mijn hart dat ver van God is; maar nu heeft de liefde van God verzoening met God tot stand gebracht voor een ieder die in de Heer Jezus gelooft! Door de zonde van de mens werd God onteerd, maar de dood van de Heer Jezus heeft verzoening bewerkt. God heeft Zijn verzoeningswerk aangenomen en gaat het er nu om dat de mens deze verzoening accepteert. “Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door Zijn leven. En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in God door onze Heer Jezus Christus, door Wie wij nu deverzoening ontvangen hebben” (Romeinen 5:10-11). Waardoor wordt het hart van de mens met God verzoend? Het is het bewustzijn: God heeft mij lief toen ik Hem niet liefhad; Jezus stierf voor mij, toen ik niet naar Hem vroeg.

Dit negende hoofdstuk uit het boek Samuël brengt ons tot het zeer belangrijke punt in het leven van Mefibóseth. Hier leert hij het hart van David echt kennen. Het koningschap is opgericht. David is gekroond. Zijn vijanden zijn neergeworpen. Hij heeft de troon bestegen en in de vredige rust van het koningschap kan David vragen: “Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?” (vers 1). Wat een prachtig beeld van de goedheid van God! Wat een prachtige illustratie van de genade van God op dat ogenblik! Waarom zijn we vanavond in deze zaal samengekomen? Ik geloof dat de oorsprong van deze bijeenkomst in de hemel ligt. Het werd door God ingegeven en ik hoor als het ware Zijn stem, die vraagt: “Zijn er hier nog uit het verloren geslacht van Adam die Ik goedheid bewijzen kan om Jezus wil? Zijn hier nog mensen die verloren gaan? Is er hier vanavond nog iemand die nog niet gered is, een onverzoend mens?” In Zijn genade horen wij God zeggen: “Ik wil goedheid bewijzen aan hem/haar om Jezus wil”. God is in volledige overeenstemming met Zijn gerechtigheid wanneer Hij tegenover de mensen zo handelt. De mens heeft zwaar tegen God gezondigd, maar voor de dag van het rechtvaardig oordeel van God kwam Zijn eigen veelgeliefde Zoon in deze wereld, waarin de mens gezondigd had, om verzoening te doen voor onze zonden, doordat Hij Zelf voor ons, zondaars, de dood inging. Zo kan God ieder mens, die in de Heer Jezus en Zijn volbrachte werk gelooft, in gerechtigheid zegenen. Is er [onder de lezers – vertaler] hier nog iemand van het huis van Adam? God wil vanavond [nu – vertaler] goedheid aan hem/haar bewijzen! Dit genadeaanbod geldt voor alle tegenstanders, vijanden en tegensprekers van God. God heeft Zijn vijanden lief. Hij had ons lief toen wij Hem niet liefhadden. “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:16).

Op de vraag van David kan Ziba, een knecht uit het huis van Saul, een nuttig uitsluitsel geven. “Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht” (vers 2). In de Bijbel heeft ieder woord zijn betekenis. Ziba betekent: “geplante” of “aangestelde” en dat drukt uit wat wij later van deze man lezen. Hij was een man die altijd zijn eigen interesses diende, die – zoals men dat wel zegt – altijd op het beste voor zichzelf uit was. Dat deed Ziba zolang het hem mogelijk was. Zo geeft hij ook getuigenis van iemand aan wie David goedheid bewijzen kon. De koning zei: “Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe?” (vers 3) “De weldadigheid van God” is een opmerkelijk woord. Een prachtig woord! David keek om hem heen, en zei: “Mijn hart is vol erbarmen. Is er uit het huis van mijn vijand nog iemand overgebleven? Is er nog een nakomeling van de man die mij najoeg, die mij probeerde om te brengen, die driemaal de spies naar mij toe slingerde – dat ik mij aan hem wreken kan? O nee! – dat ik de goedheid van God aan hem bewijze”. Wonderbaar woord! Het is “de goedheid van God, onze Heiland” – niet “God onze Rechter”. Wanneer wij aan God dachten, dachten we aan Hem als een rechter. Er is niemand die niet, als hij eerlijk is tenminste, bekennen moet dat God in eerste instantie de strenge rechter was. “God onze Heiland”, lees ik hier. “Maar toen de goedertierenheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, verschenen is, heeft Hij ons behouden, niet op grond van werken in gerechtigheid die wij hadden gedaan”, – dat betekent dat jouw en mijn werken aan de kant zijn gezet – “maar naar Zijn barmhartigheid” (Titus 3:4-5). Wie van jullie kan werkelijk zeggen: “Ik ben gered?” Wanneer je nog niet gered bent, zo moge God je helpen het evangelie te geloven en de waarheid te erkennen. Dan kun je zeggen: “Ik ken de goedheid van God; Hij heeft mij gered door het geloof in de Heer Jezus Christus”.

Net zoals David op zoek was naar mensen uit het huis van Saul om hen te zegenen, is ook God op zoek naar mensen om hen te zegenen. Als er ook maar een* mens die nog niet gered is, voor hem/haar heb ik een boodschap van God. Ik heb een boodschap van de God van liefde, en die boodschap is een boodschap van Zijn goedheid. Het grote punt is: Hoe vind ik de mens voor wie deze boodschap bestemd is? In de dagen van David was het Ziba, die David deze mensen aanwees. Hij zei: “Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten” (9:3b). Hij was kreupel. Van deze man, verlamd aan beide voeten, kan men weinig verwachten. Wat heb je nu bij een wedloop aan een man die verlamd is aan beide voeten? Welk resultaat kan een verlamde bij het bergklimmen bereiken? Verwacht jij, die verlamd bent aan beide voeten, dat je de weg zult vinden naar de hemelse heerlijkheid? Nooit!

De volgende vraag van David luidt: Waar is hij? “En Ziba zei tot de koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiël, te Lodebar” (vers 4). Mefibóseth woonde dus vele kilometers verwijderd van Jeruzalem in Lodebar. Zo leefden jij en ik in “een ver land”, net zoals de verloren zoon (Lukas 15). Dat is waar de meeste mensen een tamelijk groot deel van hun leven door [velen ook hun hele leven – vertaler]. “Lodebar” betekent “land zonder weide” of “niets” of “geen wereld”. Denk jij dat de weiden van Lodebar vergeleken konden worden met dat wat in het paleis van de koning gevonden werd? Denk jij dat “de peuleschillen1 die de varkens aten” (Lukas 15:16) te vergelijken waren met “het gemeste kalf” uit het huis van de vader? Denk jij dat de genoegens van deze wereld te vergelijken zouden zijn met de rijkdom van hen, die de Heer Jezus als Heiland en God als Vader kennen? Ik verzeker jullie dat ik de genoegens van de zonde heb uitgeprobeerd, maar ze konden mij niet bevredigen. Niets kan je hart werkelijk bevredigen dan alleen het kennen van God, en Hem kun je alleen in de Persoon van de Heer Jezus Christus leren kennen. Misschien ben je nog ver van Hem verwijderd, maar zoals het oog van de vader de verloren zoon zocht toen deze nog ver weg was, zo zoekt het oog van God ook jullie vanavond [ook jullie die dit vandaag leest – vertaler].

NOTEN:

1. Dit zijn de schillen van de peulvormige vruchten van de Johannesbroodboom, die in het oosten als veevoer gebruikt werden.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM