13 jaar geleden

Maarten Luther (10)

Luther was een Augustijner monnik en zijn reformatorische gevoelens vonden spoedig ingang bij zijn orde-genoten, vooral in de Nederlanden. In het bijzonder het Augustijner klooster te Antwerpen, de grote handelsstad in de zuidelijke Nederlanden, dat nauwe relaties onderhield met Wittenberg, werd een …

Vergeten (of verzwegen?) feiten

Luther was een Augustijner monnik en zijn reformatorische gevoelens vonden spoedig ingang bij zijn ordegenoten, vooral in de Nederlanden. In het bijzonder het Augustijner klooster te Antwerpen, de grote handelsstad in de zuidelijke Nederlanden, dat nauwe relaties onderhield met Wittenberg, werd een centrum van de hernieuwde leer van het evangelie. Het klooster bestond nog maar kort, sinds 1513, toen de invloed van hun prediking al groot was op de stadsbevolking. In 1518 schreef Erasmus al dat het niet moeilijk was om in Antwerpen in het bezit te komen van de boeken van Luther. In 1520 moest de kloosterkapel met gaanderijen worden vergroot om de vele bezoekers een plaats te geven.

Aleander, de pauselijke nuntius1, had in Antwerpen ook goede relaties en de keizer regeerde zelfstandig in zijn erflanden: hij kon er meer bereiken dan in Duitsland. Het begon met een verbod om liederen op Luther te dichten en aan de kerkdeuren te bevestigen, alsmede om een beeltenis van Luther te bezitten, die blijkbaar in menig huis hing. De Dominicaner bedelmonniken, oude tegenstanders van de Augustijners, verleenden graag hun hulp bij de opsporing van ketters. Na het edict van Worms was er dan ook een grootse verbranding van Lutherse geschriften. De haard moest echter worden uitgeroeid, wilde men iets bereiken. In 1521 werd de prior2 van het Augustijner klooster, Jacobus Praepositus, gevangen genomen wegens prediking tegen de aflaathandel. Hij was juist gepromoveerd tot doctot in de theologie. Praepositus herriep na enkele maanden gevangenschap. Zijn opvolger, Hendrik van Zutphen was echter eveneens een aanhanger van de Reformatie. Ook hij had in Wittenberg gestudeerd en was zeer met Luther bevriend. De overheid begreep dat krachtiger maatregelen moesten worden genomen.
Op een vroege morgen in juli 1522 verschenen de heren van de inquisitie3 met een gewapende macht in het kleine klooster. Ze namen alle monniken gevangen en voerden ze op wagens naar Vilvoorde. Daar namen enkele hoogleraren van de Leuvense universiteit hen in verhoor. Allen herriepen hun gevoelens, behalve drie van hen. Deze drie werden door de inquisiteur, Jacob van Hoogstraten, nader aan de tand gevoeld. De inquisiteur achtte hun ketterij zo groot dat ze te Brussel voor een rechtbank van de inquisitie moesten verschijnen. Uit de 62 punten, waarin hun afwijking van de kerkleer was vastgelegd, bleek duidelijk hoezeer zij onder de invloed van Luther stonden. Zij hielden niet alleen vol dat het pausdom niet door Christus werd ingesteld en dat er slechts drie sacramenten bestaan, namelijk doop, avondmaal en biecht, en dat de aflaathandel uit de boze is, maar ze benadrukten ook “dat niemand iets geloven mag dat niet in het Woord van God geleerd wordt en dat in het werk van verlossing alles afhangt van de genade van God”. In hun herhaald beroep op het geweten hoort men een echo van het getuigenis van Luther voor de Rijksdag te Worms: het was niemand geraden iets tegen het geweten te doen.Er bestond geen twijfel aan de afloop van het proces: de brandstapel. Twee van de drie, zij waren de jongsten, begeerden voor hun geloof te sterven; dit waren Henricus Voes en Johan van den Esschen. De derde verzocht vier dagen bedenktijd.

De brandstapel

Op 15 juli 1523 werd op het fraaie marktplein te Brussel de brandstapel opgericht. Nadat de kerkelijke rechtbank de twee jonge priesters had ontwijd, werden ze aan de wereldlijke rechter over gegeven om het vonnis te voltrekken, want … de kerk vergoot geen bloed. Toen ze aan de paal waren vastgebonden – zo vertelde Erasmus, zijn zegsman was de beul zelf – en de vlammen hen begonnen te naderen, begonnen de jonge martelaren te zingen. Ze zongen: “Ere zij aan God de Vader” en het Te-Deum4 “Wij loven U, o God!” Het loflied ging over in het Kyrië5: “Heer Jezus, Zoon van David, erbarm U over ons”. Zo klonk het over het marktplein, totdat hun stem verstikte in rook en vuur.
De dood van deze beide jonge martelaren had een geweldige indruk gemaakt in heel Europa. Het allermeest op Luther zelf. Droefheid en blijdschap vervulden zijn hart. De Nederlanders die toch al een grote plaats in zijn hart innamen, hadden nu voor goed zijn liefde. Hij schreef hun een open brief, dat wil zeggen aan alle geliefde broeders in Christus die in Holland, Brabant en Vlaanderen woonden, tevens aan alle gelovigen in Christus. Hierin sprak hijk over het lijden voor Christus, hetgeen het evangelie ten goede kwam.In deze dagen dichtte Luther zijn eerste lied, namelijk “Een lied van de twee martelaren Christi”.

De Wederdopers

We hebben het al over Thomas Munzer, de roemruchte geestdrijver, gehad. Nadat deze in 1525 terecht was gesteld en de boeren verstrooid waren, verhief zich een andere secte, de “Wederdopers”. Dezen werden zo genoemd omdat zij al hun bekeerlingen indompelden, nadat zij al eenmaal gedoopt waren.

Deze secte veroorzaakte de Hervormers veel overlast en moeilijkheden. Wat de gnostieken. waren voor de kerkvaders en de Manicheërs voor de Roomsen, waren de wederdopers voor de Hervormers. Zij waren niets anders dan dweepzuchtigen. Hun aanvoerders beweerden dat zij ingevingen van God ontvingen, en onmiddellijk en herhaaldelijk met de Godheid omgang hadden; terwijl hun misleide volgelingen daarin geloofden. Zij hadden visioenen en openbaringen betreffende het verleden en de toekomst. Hun aantal wies met grote snelheid, en zij volgden overal de gang van de Hervorming. Alom luidde het geroep van deze geestdrijvers: “Geen tienden, geen belasting, alle dingen in het gemeenschappelijk, geen overheidspersonen. Het koninkrijk van Christus is ophanden; het dopen van kinderen is een uitvinding van de duivel”. Zij gaven veel bekommernis aan Luther, daar zij van zichzelf spraken als de echte en de grondige Hervormers. Hijzelf spreekt zich op de volgende wijze omtrent hen uit: “De satan woedt; de nieuwe sektariërs, wederdopers geheten, nemen toe in aantal, en maken veel vertoning van een uitwendig nauwgezet leven, zowel als van een onbevreesdheid voor de dood hetzij door vuur of door water”.
Binnen een tijdsverloop van twee jaren hadden deze dwepers zich in grote getale verspreid over Silezië, Beieren, Zwaben en Zwitserland. Daar echter enkele van hun beginselen de strekking hadden om de maatschappelijke orde te verstoren, werden door de overheid besluiten tegen hen uitgevaardigd. De vervolging begon, en daar zowel de Saksische als de Zwitsersche Hervormers tegen hen gekant waren, werden zij door de overheid allerwege met de uiterste gestrengheid behandeld. Zij verdroegen hun lijden met grote geestkracht. Noch het zwaard, noch de galg kon hen bewegen tot herroeping of betoning van vrees. In Duitsland had vroeger Thomas Munzer zich aan hun hoofd gesteld; in Zwitserland Hetzer en Grebel; in Nederland later Jan Matthijssen, bakker van Haarlem, Jan van Leiden, Knipperdollingk, enzovoorts. In Munster richtten zij het zogenaamde koninkrijk van Sion op, aan welks hoofd zich na de dood van Matthijssen, Jan van Leiden stelde, die met de grootste losbandigheid en barbaarsheid het schrikbewind voerde, totdat na een langdurig beleg Munster in 1536 ingenomen, en aan de overgebleven wederdopers bloedige wraak genomen werd. Hierna schijnt de geestdrijvende sekte verlopen te zijn; terwijl de bezadigde doopsgezinden, die de dweepzieke gruwelen van de wederdopers verfoeiden, of, waar zij zich eerst lieten medeslepen, dit later diep betreurden. Zij sloten zich tot een broederschap aaneen, waarvan Menno Simons – in 1496 te Witmarsum, in Friesland geboren – de voornaamste grondvester was.

De twist omtrent de sacramenten

In hetzelfde jaar dat de wederdopers verschenen, ontstond een lange en noodlottige woordenstrijd onder hen, die zich aan de gemeenschap van de Roomsen onttrokken hadden, over de vraag op welke wijze het lichaam en het bloed van Christus aanwezig zijn in het Avondmaal. Luther en zijn aanhangers, terwijl zij de roomse dwaling van de transsubstantiatie verwierpen – dat namelijk het brood en de wijn, na de wijding door de priester, geen brood en wijn bleven, maar veranderd werden in het lichaam en het bloed van de Heer – hielden niettemin vol dat zij, die het Avondmaal gebruikten, met het brood en met de wijn tegelijk het lichaam en het bloed van Christus deelachtig werden. Deze stelling werd uitgedrukt in het woord consubstantiatie. Ulrich Zwinglius, de Zwitserse Hervormer, en zijn aanhangers waren veel eenvoudiger, daar zij veel vrijer waren van de overleveringen van Rome. Zij zeiden dat het lichaam en het bloed van de Heer niet tegenwoordig zijn in het brood en de wijn van het Avondmaal; maar dat het brood en de wijn alleen zinnebeelden of tekenen zijn, waardoor de gelovige herinnerd wordt aan het sterven van Christus en aan de zegen, die hieruit voortsproot.
Daar bijna al de Zwitserse godgeleerden, en niet weinigen in noordelijk Duitsland, de lering van Zwinglius volgden, en Luther alsmede zijn vrienden krachtig ijverden voor het andere gevoelen, ontstond hieruit grote tweedracht onder de ware vrienden van de Hervorming, die door de pausgezinden listig aangeblazen werd. Later horen wij meer hiervan. nu keren wij ons tot de staatkundige hoofden van de Hervorming.

De staatkundige hoofden van de Hervorming

De verwarde toestand, waarin de Europese naties zich bevonden, de gedurige oorlogen tussen Karel V en Frans I, en de dreigende houding van de Turken hielden de keizer zo bezig, en brachten hem in zulk een verlegenheid, dat hij gedurende verscheidene jaren niet veel acht kon slaan op de aangelegenheden van Duitsland, en vooral niet op het moeilijke punt van de nieuwe ketterij. In dit alles is de hand van de Heer duidelijk op te merken. Terwijl Karel behoedzaam waakte over zijn Franse, Spaanse en Italiaanse zaken, gingen Luther en de zijnen voort door met hun geschriften, voorlezingen en opwekkingen de waarheid te verbreiden, en haar macht op de harten van het volk te versterken. De staatkundige hoofden of evangelische vorsten sloten zich hoe langer hoe nauwer aaneen, ter verdediging van hun geloof en hun staatkundige vrijheid.
De trouweloze paus Clemens VI en zijn bekwame nuntius, Campeggio, waren vast besloten om op de uitvoering van het edikt van Worms en de gehele uitroeiing van de Lutherse ketterij aan te dringen. Zonder de medewerking van machtige vorsten was daaraan echter niet te denken. Karel maakte geen haast met het gehoorzamen aan de pauselijke bevelen. Doch allerlei omstandigheden schenen op dit ogenblik samen te werken om de staatkunde van het Vaticaan te begunstigen, en dreigden de jeugdige Hervorming te verstikken. God is nochtans boven allen. “De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen de HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. Die in de hemel woont, zal lachen, de HEERE zal hen bespotten” (Psalm 11:2-4).Het zwaard van de keizer, dat gewet was om de Hervormers te doden, werd door het verraderlijk gedrag van de pausen tegen Rome zelf gekeerd. Dit ging als volgt.
In de slag van Pavia, 1526, werd Frans I door Karel V overwonnen en gevangen genomen. Daar de gevangen koning van Frankrijk de paus niet meer van nut kon zijn, droeg hij onmiddellijk zijn vriendschap op de overwinnaar over. Er werd een verbond gesloten met de keizer, de koning van Engeland en de aartshertog Ferdinand. Het voornaamste artikel van dat verbond was: “Dat alle partijen hun legermachten zouden verenigen, en gewapend optrekken tegen de verwoesters van de Katholieke godsdienst en de beledigers van de paus, over elke hoon, de roomse Stoel aangedaan, wraak nemende”. Door de list van satan had dezelfde geest de overhand bij andere onderhandelingen van de grote mogendheden op dat ogenblik. Het verdrag van Madrid,. waardoor Frans I de vrijheid herkreeg, bepaalde, dat hij tot het verbond zou toetreden.Zo waren thans de drie machtigste vorsten van Europa met de paus in verbond tot het opzettelijke doel om de besluiten van Worms ten uitvoer te leggen, en de verenigde Lutheranen te vuur en te zwaard uit te roeien.

De eerste Rijksdag van Spiers

De rijksdag van Spiers, die in juni 1526 geopend werd, had ten doel den beslissende slag te slaan. Ferdinand, de broer van de keizer, bekleedde het voorzitterschap. De dikwijls herhaalde keizerlijke boodschap aan de rijksdag werd voorgelezen. Zij eiste, dat alle twisten over godsdienstige onderwerpen zouden eindigen; dat dekerkelijke gewoonten geheel in stand gehouden zouden worden; dat het edikt van Worms met spoed uitgevoerd zou worden, en de Lutheranen met geweld tegengaan.De Duitse vorsten, niet alleen een gemeenschappelijk doel beogende, maar een gemeenschappelijk gevaar vrezende, sloten zich nauwer aaneen. De voornaamsten van hun waren: Johannes, keurvorst van Saksen; Filips, landgraaf van Hessen; de aartshertog van Pruisen; George en Casimir, markgraven van Brandenburg; de keurvorst van de Palts; de hertogen van Lunenburg, Pommeren en Mecklenburg; en de vorsten van Anhalt en Henneberg. Zij hielden een vergadering, en namen het volgende besluit: “Dat zij al hun pogingen zouden inspannen om de eer van God te bevorderen, en een leer te handhaven die in overeenstemming was met Zijn Woord, Hem dankende dat Hij in hun tijd de ware leer van de rechtvaardiging door het geloof – zo lang begraven geweest onder tal van bijgelovigheden – weer had doen opleven; en dat zij niet zouden dulden dat de waarheid, die God pas aan hen openbaar gemaakt had, weer zou worden uitgedoofd”.
Dit was het eerste besluit van de vorsten, tevens het eenvoudigste en zuiverste, dat zij ooit namen. Er is niets van staatkundige, maatschappelijke of financiële beweegredenen hier te bespeuren. De standvastigheid van de evangelische partij, hun weigering om het edikt van de keizer te gehoorzamen verbaasde de pausgezinden. Maar een stem van Hem, die hoger staat dan allen, bracht de beraadslagingen van de rijksdag tot een spoedig einde. Er kwamen afgezanten van de koning van Hongarije, die verslag deden van de ellende, waarmee dat land overstroomd, en het gevaar, waardoor heel Europa bedreigd werd van de zijde van de zegevierend doordringende Turken. Dit trok de aandacht van Ferdinand van Luther af, en dreef hem met spoed naar zijn eigen bezittingen, welke die kant uit gelegen waren.
Wat de zegevierende wapens van Soliman bewerkten in de zaak van Ferdinand, bracht de verraderij van Clemens te weeg in die van Karel. Nauwelijks was Frans I aan zijn gevangenschap ontkomen, of de paus, voor Karels macht in Italië beducht, ging een verbond aan met de Fransen, de hertog van Milaan en de Venetianen tegen Karel. Terzelfdertijd ontsloeg hij Frans van zijn eed, en wettigde de schending van het tractaat van Madrid. Dit wekte zozeer de gevoeligheid van de keizer op, dat hij het pauselijk gezag over Spanje ophief, in Italië de paus beoorloogde, de stad Rome door middel van zijn veldheer, Karel van Bourbon, innam, en haar overgaf aan al de ijselijkheden van een plundering. Leven en eigendommen van de Romeinse burgers waren in handen van de verwoede Duitse en Spaanse krijgsknechten. De paus zelf werd behandeld met veel persoonlijke belediging en verlaging; en de geschiedenis toont weinig voorbeelden, waarin de hand van een vergeldende Voorzienigheid duidelijker te onderscheiden is.
Temidden van al deze verwarring, werd een vormelijke resolutie genomen, die zeer ten gunste van de Hervormden uitliep. Zij had ten gevolge dat “een smeekschrift aangeboden zou worden aan de keizer, waarbij hem verzocht werd zonder uitstel een vrije kerkvergadering bijeen te roepen; en dat in die tussentijd een ieder vrij zou zijn de godsdienstige aangelegenheden van zijn land naar gelieven te regelen, onder verantwoordelijkheid nochtans aan God en aan de keizer”.
De Hervormden, huiswaarts kerende, maakten ijverig van de gelegenheid gebruik, om aan hun zaak kracht en uitbreiding te geven. Grote veranderingen werden ingevoerd in hun vormen van eredienst en de regeling van hun godsdienstzaken; en menige ingewortelde bijgelovigheid werd afgeschaft. Vorsten en volken spraken zich meer en meer openlijk uit; en de grond van het ophanden zijnde uiteengaan in katholieke en protestantsche Staten, werd gelegd in de geschiedenis van de Hervorming van de jaren 1526 tot 1529.

De tweede Rijksdag van Spiers

In het vroege voorjaar van 1529 riep de keizer de vermaarde tweede rijksdag te Spiers bijeen. De Staten van het rijk verschenen met grote bereidwilligheid. De pauselijke partij vooral monsterde haar hele macht, en nam een oorlogzuchtige en honende houding aan. Nooit bij enige gelegenheid was er een zo grote bijeenkomst van edelen, die tot de geestelijke stand behoorden,. gehouden; en dezen, meer dan iemand, gaven door hun blikken en gedragingen de boosheid van hun bedoelingen. te kennen. Een of twee vorsten, die tot hiertoe beschouwd waren als onverschillig of zelfs gunstig voor de Hervorming gezind, verklaarden er zich nu tegen. Anderen kwamen, vergezeld door aanzienlijke escortes ruiterij, wraak ademende en een uitdagende houding vertonende. Aan niets minder werd gedacht dan de onmiddellijke uitroeiing van de ketterij door middel van het zwaard.
De keizerlijke boodschap was in een hooghartige en despotieke geest gesteld. De keizer beklaagde zich over de verandering in de godsdienst, over de kleinachting jegens zijn eigen gezag aan de dag gelegd, daar hij er toch aanspraak op maakte de eerste vorst van de Christenheid te zijn, en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan zijn besluiten eiste. Hij merkte op dat de godsdienstige nieuwigheden, die hij verboden had,. dagelijks in getal toenamen; en dat nog wel onder het voorwendsel van het edikt van Spiers in 1526, welk edikt hij uit kracht van zijn absoluut gezag, als in lijnrechte strijd met zijn bevelen, van onwaarde verklaarde.
De woorden van de keizer waren zeer grievend en beledigend voor de Duitse edelen. Er lag een gehele vernietiging in van hun rechten en hun onafhankelijkheid. De evangelische vorsten en de afgezanten van de vrije steden namen een sterke stelling in, die hun billijk toekwam. Zij verklaarden, dat het edikt van Spiers in wettige vorm tot stand gekomen was; dat de keizerlijke commissarissen in zijn naam er in toegestemd hadden; dat het de wettige handeling was van de hele gemeenschap van het rijk; en dat de keizerlijke macht niet zover reikte om het edikt nietig te kunnen verklaren.

Het protest – de Protestanten

De woordenwisseling over dit onderwerp was langdurig en menigmaal zeer hevig. De Roomsen hadden hun bekwaamste en listigste redetwisters bij zich, zoals de beroemde doctor Eck. Bij het dikwijls herhaalde geroep om “de uitvoering van het edikt van Worms” voegde zich nu dat om “de afschaffing van het edikt van Spiers”. Doch de Hervormers waren standvastig en verenigd, en zij redeneerden met grote juistheid. Ten laatste vroeg Ferdinand, die de voorzitterstoel innam, op gebiedende toon, dat de Duitse vorsten zich onvoorwaardelijk zouden onderwerpen aan de uitspraak van de vergadering. De Hervormden protesteerden. Een en ander had plaats op 19 april 1529. Die eenvoudige daad, door de pausgezinden niet in aanmerking genomen zijnde, boden de Hervormden de volgende dag schriftelijk een tweede en meer uitgewerkt protest aan, zich beroepende op de keizer en een toekomstige kerkvergadering. Uit dien hoofde ontvingen de Hervormden de naam van Protestanten, waarmee op dit ogenblik aangeduid worden al die talrijke kerkgenootschappen en secten, welke uit beginsel protesteren tegen de leer, de kerkvorm en de plechtigheden van de kerk van Rome.
Deze edele verklaring, welke door hare beslistheid en juistheid de pauselijke partij wel in grote verlegenheid brengen moest, was ondertekend door Jan, keurvorst van Saksen, Filips, landgraaf van Hessen, George van Brandenburg, Ernst en Frans van Lunenburg, Wolfgang van Anhalt en de afgevaardigden van veertien keizerlijke steden. Doch de handtekeningen van doctoren in de godgeleerdheid en professoren van een universiteit komen er niet op voor. De grote Hervorming of godsdienstige omkeer was overgegaan in handen van de machten van deze wereld. Er bevond zich te Spiers geen Luther, zoals te Worms. Toch gingen hij en zijn vrienden voort om met hun studies, predikaties en academische lessen de vreedzame voortgang van Gods Woord en de zegepraal van het evangelie van Zijn genade te bevorderen. En de Heer weet, hoe Hij het werk van Zijn dienstknechten te schatten en te belonen heeft. “Oordeelt daarom niets vóór [de] tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen, en de raadslagen van de harten zal openbaren; en dan zal ieder zijn lof hebben van God” (1 Korinthe 4:5).
Hier kreeg het pauselijke Christendom zijn dodelijke wond. De regering van Isebel met haar onbeperkt gezag wordt als een onverdragelijke dwingelandij gebrandmerkt. De Teutoonse geest, die nooit geheel zijn aangeboren onafhankelijkheid verliest, werpt nu het knellend juk van Rome van zich. Geschiedkundig beschouwd eindigt hier het tijdvak van Thyatire. De protestantse periode vangt aan, die voorgesteld wordt in de brieven aan Sardis, Filadelfia en Laodicéa, hoezeer alle vier voortlopen tot aan het einde. Dan zal elke ware Christen in al de onderscheiden stelsels van de Christenheid worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht; en later met Hem verschijnen in volle, geopenbaarde heerlijkheid, wanneer het ogenblik gekomen zal zijn, om het Goddelijk oordeel uit te oefenen over de volslagen afval.

NOTEN:
1. Nuntius: diplomatieke vertegenwoordiger van de Heilige Stoel bij een regering.
2. Prior: kloosteroverste, hoofd van een monnikenklooster.
3. Inquisitie: a) Onderzoek naar misdrijven tegen geloof en zeden bij de leden van de Rooms Katholieke Kerk van wege de overheid van die kerk. b) Instelling, rechtbank belast met dit onderzoek en met het terecht wijzen en straffen van de afvallige ketters, dat waren in die tijd hen die de Reformatie aanhingen.
4. Te Deum: Rooms Katholieke zege- en dankhymne, naar de beginwoorden Te Deum laudamus: U, God loven wij.(5) Kyrie eleison: Heer, ontferm U! Heer, erbarm U! De eerste woorden der als beurtzang gezongen of gebeden liturgische smeekbede in het begin van de mis, dadelijk na de introïtus (= psalmvers als inleiding tot de mis).
Bronnen:
Luther – zijn weg en werk, W.J. Kooiman;
Geschiedenis der kerk, dr. H. Berkhof;
Grote geïllustreerde wereldgeschiedenis, verschenen bij Bosch & Keuning n.v. te Baarn;
Geschiedenis in Thema en Taak, deel I, W.F. Kalkwiek en J. Wilschut.
Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk, A. Miller.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol