1 week geleden

“Maar er is brand!”

Een vreselijke gebeurtenis had jaren geleden in een schouwburg in het zuiden van Frankrijk plaats. Het eerste bedrijf van een toneelstuk was afgespeeld en toegejuicht. De toeschouwers wachtten met ongeduld het opgaan van het scherm en de voortgang van het stuk, de aanvang van het volgende bedrijf, af, toen de eerste acteur, die zeer populair was, plotseling op het toneel verscheen, en op een toon van vertwijfeling uitriep: “Brand! Brand!”

De opgewonden menigte beschouwde dit als een voorspel van een geweldig toneel, en antwoordde met: “Bravo! Bravo!”, zodat zij door haar toejuichingen de kreten van de acteur bijna overstemde, die al luider schreeuwde: “Brand! Brand!,” maar daardoor alleen een herhaald handgeklap en toenemende vrolijkheid uitlokte. Ten laatste riep hij vertwijfeld uit: “Maar er is brand!” en verdween onder het daverend applaus van de ongelovige menigte, die het nog steeds als een gedeelte van de opvoering beschouwde.

Nu verscheen evenwel de eigenaar van het theater in uiterste verslagenheid op het toneel, en het scherm terzijde schuivend, zei hij: “Waarom wilt u het niet geloven? Het theater staat in brand! Ziehier!“

Het akelige toneel, dat nu volgde, laat zich gemakkelijker denken dan beschrijven. De werkelijkheid van de brand trof als een donderslag de ontzette menigte schouwburgbezoekers, daar zij de vlammen reeds zagen naderen, en dichte rookwolken de zaal binnendrongen, die hen dreigden te verstikken. Een vreselijk gedrang volgde; mannen, vrouwen en kinderen, door de angst verwilderd, betwistten elkander woest de doortocht. In wanhoop vlogen zij naar de deuren, alleen op zelfbehoud bedacht, en zo elkander vertredend. O, die kreten van vertwijfeling, die zielenstrijd van de stervenden in deze ontzaglijke worsteling! Een groot aantal kwam om, en er ontkwamen slechts zeer weinigen, die niet voor hun leven verminkt waren.

In onze dagen zijn er velen, die niet geloven in het helse vuur, aan de verdoemenis van de onboetvaardige zondaar, aan de eeuwige straf. Toch is het waar; Gods Woord zegt het. Jezus Zelf heeft er meermalen voor gewaarschuwd. En Gods trouwe dienaren herhalen de woorden van de Heer. Maar men wil het niet geloven.

Bedrieg uzelf toch niet! Er is een komende toorn (Matth. 3:7) (1 Thess. 1:10). Er is een eeuwige straf. (Matth. 25:46) Er is een eeuwig verderf verwijderd van het aangezicht van de Heer, (2 Thess. 1:9), waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt (Mark. 9:43-48). Er is een poel, die brandt van vuur en zwavel. Er is een tweede dood (Openb. 21:8).

Behoud u om uws levens wil! Ontvlucht de toekomende toorn. Nu of nooit! Er is geen vergeving, geen bekering, geen herstel aan gindse zijde van het graf. In Johannes 3 vers 16 staat: “… maar wie de Zoon ongehoorzaam is [1], zal [het] leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.” In eeuwigheid dus geen verandering! Hier op aarde echter, is er een middel ter ontkoming. Hier en heden is er volkomen behoudenis uit vrije genade voor de grootste zondaar. “… zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van de behoudenis …” (2 Kor. 6:2).

 

NOOT:
1. Of ‘wie niet gelooft in de Zoon’.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW