5 jaar geleden

Lukas 15 vers 17-21

“Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; maak mij als één van uw dagloners. En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog ver af was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig. De zoon nu zei tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten”.

Terug naar God

De vergeefse pogingen van de ‘verloren’ zoon om zich te bevrijden uit zijn benarde situatie maakten, dat hij zijn positie begon te overwegen. Hij wilde liever een dagloner van zijn eigen vader zijn dan een verachte bedelaar onder een vreemde meester. Hij overwon zijn gekwetste trots: hij stond op en ging naar zijn vader, klaar om de consequenties te aanvaarden. Dit is wat we allemaal moeten doen: terug naar God en erkennen: “Ik heb gezondigd”. God neemt dan ieder aan die dit zo doet. De gelijkenis zegt: “Toen hij nu nog ver af was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig”.

Dit is hoe God de Vader tot ons komt in Jezus Christus, omdat onze   ellende Hem raakt. “Hierin is de liefde, niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden” (1 Joh. 4:10).

De vader kuste zijn zoon toen hij nog in zijn vodden liep. Zo is het met ons: God ontvangt ons omdat wij onszelf niet kunnen helpen in de toestand waarin we zijn. Die kus, de uitdrukking van liefde, bevestigde dat de verzoening plaatsvond. De verloren zoon kwam niet verder dan te zeggen: “ik ben niet meer waard uw zoon te heten”. De vader viel hem in de rede voordat hij vroeg om hem een dagloner te maken. Zijn bevelen toonden, dat hij hem weer als zoon in zijn huis wilde opnemen (vs. 22-25). God wil geen “huurlingen”, maar kinderen die Zijn geliefden zijn. Dat is wat overeenkomt met Zijn natuur van genade en liefde.

© The Good Seed

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW