14 jaar geleden

Loslaten en wachten

1. Wachten is “out”

Is wachten niet het vervelendste van de wereld, hoogstens iets voor oma’s – absoluut mega-out? Geen generatie werd zo gevormd door het bewustzijn van het geen-tijd-hebben als de onze. Tijd is geld, beter direct de mus in de hand dan de duif op het dak. Ook het stijgen van de consumentenkredieten en koop op afbetaling documenteert, dat geen mens meer op iets wat hij zou willen hebben, wachten wil. Niets anders karakteriseert het al gewoon geworden intieme partnerschap van jonge teenagers. “Intensief leven” is het credo van vooral de jongere generatie.

Met een fijn gevoel voor de geest van onze tijd hebben allereerst moderne auteurs het geformuleerd. Ernest Hemingway laat zijn held Robert Jordan (in “Wem die Stunde schlagt” ) tot de overtuiging komen: “Het moet toch mogelijk zijn in zeventig uur uit je leven net zo veel te halen als in zeventig jaren, vooropgesteld dat men tot dan toe volop geleefd … heeft”. Nog radicaler geformuleerd – en uitgeleefd – wordt deze instelling dan door intellectuele vaderen en vertolkers van de Rock-Pop-cultuur. Hun “geloofsbelijdenis”, die zich al ontelbare jonge mensen eigen gemaakt hebben, luidt: “Live fast, love hard, die young” (“Leef snel, bedrijf de liefde intensief, sterf jong”). Deze levensinstelling, die zich ook vandaag in eisen als “Ik wil alles en ik wil het direct” manifesteert, vormt tenslotte de denkwijze en levensinstelling van onze generatie, in het bijzonder van onze jonge mensen, en zij doen dit vaak al onbewust. Niemand kan zich aan van de invloed van deze tijdgeest volledig onttrekken.

Het is duidelijk dat wachten in dit levensconcept geen plaats meer heeft. Waarvoor zou dat ook goed zijn? Het leidt immers slechts daartoe, dat men het beste voorbij laat gaan. Moderne schrijvers hebben het al lang bekend en ons nadrukkelijk voor ogen gesteld: Wachten is zinloos, ja het is ronduit absurd. Dat geldt in het bijzonder dan, wanneer men op God wacht.

Zijn wij als Christenen werkelijk vrij van deze geest van onze tijd? Kunnen wij nog op Gods tijd wachten? Hebben wij ook niet de onbedwingbare drang, onze voorstellingen direct om te zetten? Wij leven “in de wereld”, en het is niet eenvoudig ons van deze levensinstelling, die ons op school en op het werk dagelijks omgeeft, te distantieren. Het gevaar is groot dat wij – misschien onbewust – de maatstaf van onze tijd overnemen. Volgens welke principes kopen wij een huis of schaffen wij andere dingen aan, hoe gedragen wij ons bij onze beroepskeus en verandering van werk? Wordt niet menige keus van een huwelijkspartner gedaan onder invloed van de idee, eenvoudig niet meer langer te kunnen wachten?

En hoe worden de jongere brusters door de oudere geadviseerd? Krijgen zij werkelijk geestelijke leiding? Ondersteunen niet vaak ook de oudere vaak eerder de mening, dat het tijd wordt de dingen in (eigen) hand te nemen? Wie geeft de jonge brusters werkelijk Bijbelse raad en geeft hen moed te wachten op God?

2. Zonder wachten gaat het niet

Menigeen zal nu misschien vragen: Is dat dan werkelijk zo erg? Onze snellevende tijd duldt nu eenmaal geen lange wachttijden meer. Het is toch alleen maar natuurlijk, dat zich de jonge Christenen hier ook aan hun tijd moeten aanpassen. We kunnen toch niet helemaal wereldvreemd leven.

Misleiden we onszelf niet. Het gaat hier niet om een randprobleem, om een voetnoot onder ons leven als Christen. Het gaat juist om de kern van ons Christen-zijn. Hier wordt beslist, of het meer is als een lippenbelijdenis. Werkelijke navolging is zonder dit wachten-op-God helemaal niet mogelijk. Zonder de bereidheid, op Gods tijd te wachten, kunnen wij ook niet Gods weg gaan. Beide behoren onafscheidelijk bij elkaar.

Hier toont zich, of het ons ernst is en ons werkelijk door God willen laten leiden. Het is het beslissende kenmerk, dat wij het roer van ons leven werkelijk aan de Heer over hebben gegeven. Alleen zo beleven wij dat het Gods vreugde is, Zijn kinderen het beste te geven. Aan de andere kant houdt op het moment dat wij de dingen zelf ongeduldig in de hand nemen, onverbiddelijk zijn verborgen bijstand en zegen op. Wij missen juist dan iets, wanneer wij niet willen wachten – namelijk het goede dat God ons zo graag zou willen schenken. De Bijbel toont ons dit door vele voorbeelden, waarvan er enkele hier nu genoemd worden.

Abraham

Abraham moest vijfentwintig jaar op de zoon wachten, in wie in zekere mate alle beloften en alle zegen van God voor hem samengevat waren. Was deze lange wachttijd naar menselijke maatstaven niet onzinnig? Zou het niet op vele duidelijke gronden zinvoller geweest zijn, wanneer hij de zoon in jongere jaren gekregen zou hebben? Maar alleen zo wordt getoond, dat Gods beloften en Zijn zegen voor hem belangrijker waren dan alle eigen twijfel en de spot van de mensen. Alleen zo is hij tot geloofsman gerijpt. In Romeinen 4:16-25 wordt deze groei van het geloof indrukwekkend beschreven.

Maar ook deze geloofsman heeft een zwak moment. Nadat zijn vrouw hem daaraan beantwoordend toegesproken had, geloofde hij nu niet meer langer te kunnen wachten, en nam de zaak zelf in de hand. Ismael werd geboren en heeft hem en zijn nakomelingen alleen maar narigheid en problemen gebracht – tot op de dag van vandaag. In principe zijn in deze geschiedenissen van Abraham al de beslissende vragen van ons leven aangesproken: Willen wij beslissen op “Izaak” te wachten – dat alleen God geven kan -, of kiezen wij voor onze “Ismaël”, die ons geen wachttijd kost?

Jozef

Een verder voorbeeld is Jozef. Gods plan heeft voor hem de positie van tweede heerser in Egypte voorzien – een van de machtigste mannen van de toenmalige wereld. Maar eerst moet hij een onbegrijpelijk schijnende wachttijd in de gevangenis doorbrengen. Toch was deze tijd juist voor hem een beslissende voorbereidingstijd en tijd van zegen, waarin God op een bijzondere wijze met hem kon spreken. In Psalm 105:19 wordt er over deze levensperiode van nauwe gemeenschap met God gezegd: “… de rede des HEEREN heeft hem doorlouterd”.

Mozes

Mozes heeft als jonge man het plan het onderdrukte volk te redden. Hij bracht eigenlijk de beste voorwaarden voor een resultaat mee: een voortreffelijke opleiding, een aanzienlijke en invloedrijke positie als medelid van de Egyptische koningsfamilie, een hart voor zijn volk. Maar als hij de zaak in zijn hand neemt, beleeft hij een volledig mislukking en moet hij naar de woestijn vluchten. Pas na een veertigjarig durende wachttijd “achterin de woestijn”, waar God hem ontmoet en hem volledig verandert (vergelijk Handelingen 7:22 met Exodus 4:10!), kan God hem voor de grote opdracht gebruiken. Eerst dan is Gods tijd daar, en Mozes beleeft hoe de HEERE door het ene wonder na de andere het resultaat zelf veroorzaakt.

David

Totaal onbegrijpelijk was ook de wachttijd voor David. Nadat hij allang tot koning gezalfd was, en al grote successen had geboekt, gaat zijn weg aanvankelijk door verachting en vervolging. Hij wordt jarenlang opgejaagd “zoals men een veldhoen op de bergen najaagt” (1 Samuël 26:20). Evenwel hebben deze jaren hem als wel geen andere in zijn leven zo tot geestelijke groei geleid. De Psalmen die hij in deze tijd dichtte, getuigen daarvan hoe hij juist toen de Heere heeft leren kennen en door Hem gevormd werd. Het was de beslissende voorbereidingsperiode voor zijn koningsschap. Het was ook de tijd, waarin hij het meest het leven van de Heer Jezus mocht voorafschaduwen.

De Heer Jezus

De Bijbel laat er geen twijfel over bestaan dat wachten een beslissend kenmerk voor al diegenen is geweest, die Gods weg wilden gaan. Dat het ook voor ons Christenen niet zonder wachten gaat, maakt Hebreeën 10:36 duidelijk, waar staat: “Want u hebt volharding nodig …”.

“Laat af en weet, dat Ik God ben” (Psalm 46:11). God doet ons een grandioos aanbod tot ontspanning en rust: Wij mogen onze problemen aan Hem overlaten. “… terwijl u al uw bezorgdheid op Hem werpt, want Hij zorgt voor u” (1 Petrus 5:7). En wat zou ontspannender zijn, dan onze aangelegenheden in de handen van een pleitbezorger te leggen, die over een almachtige kracht beschikt, volkomen wijsheid bezit en die ons oneindig liefheeft? Wij mogen ophouden zelf te arrangeren, en in plaats daarvan “stilzwijgend toezien” (vergelijk Genesis 24:21) wat God voor ons doet. Wij mogen loslaten.

Hoewel het eigenlijk volkomen logisch zou zijn, wanneer wij deze vriendelijke uitnodiging tot ontspanning volgen en de dingen volledig aan Gods handen zouden overlaten, merken wij dat ons dit ongelooflijk zwaar valt. Waarom?

In dit opzicht zijn er ook gevaren voor ons gebedsleven. In plaats van los te laten en de Heer de aangelegenheid vertrouwensvol over te geven, bidden wij misschien met nadruk om dingen, die wij absoluut zouden willen hebben. Dan kan het zijn dat God dit ons daadwerkelijk geeft. Wij worden daar echter niet gelukkig bij en ondervinden geestelijke schade. Psalm 106:15 bericht van zulke treurige ervaringen: “Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid”.

Armin Unterberg

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM