10 maanden geleden

Laat uw licht schijnen

Mattheüs 5 vers 14-16:
“U bent het licht van de wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn. Ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de kandelaar, en zij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader Die in de hemelen is, verheerlijken.”

 

De Heer zegt tegen Zijn discipelen, en dus ook tegen ons in deze tijd: “U bent het licht van de wereld” (Matth. 5:14). We hebben ons al beziggehouden met het feit aan wie de Heer Jezus dit zegt. Het zijn slechts degenen, die eens duisternis waren, maar nu “licht in de Heer” (Ef. 5:8). Wat een verandering! Als zodanig zijn we geschikt gemaakt voor de heerlijkheid van het Vaderhuis, waar alles licht en liefde is.

Maar we leven nog steeds in een wereld van geestelijke duisternis. En het is juist deze wereld, waarin de Heer ons achter heeft gelaten, zodat we mogen schijnen “temidden van een krom en verdraaid geslacht” als lichten in de wereld “terwijl u [het] woord van [het] leven vertoont”, zoals Paulus schreef aan de Filippenzen (Fil. 2:15). Dit licht ontvangen we van onze Heer, het “ware licht”, zodat we het hier kunnen laten schijnen, in de wereld waarin Hij werd afgewezen.

We hebben al gezien dat zout een conserverende en vasthoudende functie heeft. Zout kan een bepaalde toestand behouden, maar als eenmaal een proces van bederf is begonnen, kan het dat proces niet meer omkeren. Het kan niet herstellen. Licht daarentegen blijft in werking. Als we nog eens aan de Heer Jezus denken, heeft Hij mensen in het licht van God gesteld en dat gebeurt ook vandaag nog. In dit licht wordt de hele zondige toestand duidelijk. Maar in Zijn genade gaf Hij ook licht, zodat degenen die in Hem geloven niet in het duister zouden blijven (Joh. 12:46). Ook vandaag – en voor dit doel zou de Heer u en mij willen gebruiken – moet de duisternis van de zielen verlicht worden en geleid worden tot “de lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus” (2 Kor. 4:6).

De Heer Jezus spreekt dan verder over een stad bovenop de berg. Daarmee spreekt Hij over de normale toestand van een discipel. Zo’n stad kan niet verborgen blijven. Vooral ’s nachts geeft het een schijnsel van licht af, dat al van ver te zien is. En zo is het ook met een discipel. Hij is het licht van de wereld! En dat licht wordt gezien. Laten we aan Mozes denken, die net in de tegenwoordigheid van God was geweest en met God had gesproken. “En het gebeurde, toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde – de twee tafelen van de getuigenis waren in Mozes’ hand, toen hij van de berg afdaalde – dat Mozes niet wist dat de huid van zijn gezicht glansde, omdat de HEERE met hem gesproken had” (Ex. 34:29). Hoe meer we in de tegenwoordigheid van de Heer zijn, hoe helderder ons licht in deze wereld zal schijnen! Dat kan – eigenlijk – helemaal niet verborgen blijven; eigenlijk, want de Heer verder gaat met een waarschuwing.

Het beeld dat de Heer voor deze waarschuwing gebruikt, is dat van een lamp in een huis die onder een korenmaat – een ondoorzichtig vat – is geplaatst. Dat doet eigenlijk geen mens, want een lamp is er om licht te geven en het huis te verlichten. Daarom wordt het op de standaard geplaatst. In Markus 4 vers 21 wordt het beeld uitgebreid met een ander aspect. Daar vraagt ​​de Heer: “Komt de lamp soms om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden, [en] niet om op de kandelaar gezet te worden?” In het natuurlijke leven zou niemand van ons op het idee komen zoiets te doen. Dat zou volkomen absurd en contraproductief zijn. Niemand zou dat doen.

Helaas doen we dat in het geestelijke leven wel, of niet? Kan het niet zijn, dat we zo bezig zijn met de natuurlijke dingen in het leven – en daarbij hoeven we niet eens aan zondige dingen te denken -, dat we geen tijd en geen rust hebben om ons met geestelijke dingen bezig te houden? Dat we helemaal geen gemeenschap met onze Heer zoeken? Tijd is natuurlijk een schaars goed. En vaak hebben we geen tijd – dat zeggen we tenminste. Maar dat is gewoon een flauw excuus! Als ik zeg, dat ik voor het een of ander geen tijd heb, dan heb ik er ook geen tijd voor! Ik heb wel tijd voor iets anders. Of ik hier tijd voor heb, is een kwestie van prioriteiten stellen. Waar geef ik de voorrang aan? Wat is belangrijk voor mij? We hebben misschien weinig tot geen tijd, maar voor sommige dingen moet je gewoon de tijd nemen.

Voor sommigen kan veel activiteit – waar juist de korenmaat het over heeft – een probleem zijn. Voor anderen is het het “bed” – een leven dat wordt gekenmerkt door comfort, luiheid en egoïsme. Ja, met geestelijke dingen bezig zijn is inspannend. Het daagt ons niet alleen mentaal uit, maar ook geestelijk. Mensen hebben door inspanning geweldige dingen bereikt. Vaak waren we bereid om grote ontberingen en inspanningen aan te gaan, omdat we een doel hadden dat ons motiveerde. Maar op geestelijk gebied is dat niet anders. Denk maar eens aan de discipelen in Mattheüs 17. Voordat ze boven op de berg getuigen van de heerlijkheid van de Heer konden zijn, moesten ze omhoog de berg op. Dat was vermoeiend, maar hoe werd het beloond! Door ons met geestelijke zaken bezig te houden, worden we gesterkt en geven we richting aan ons leven. Als degenen die zich met de Heer hebben beziggehouden, zullen we ook als aanbidders voor de Vader verschijnen en kunnen we als het ware voor Hem neerleggen, wat we weten over Zijn Zoon. En hoezeer verheugt zich de Vader, wanneer Hij, door ons bezig zijn met Zijn Zoon, steeds meer kenmerken van Zijn Zoon in ons ziet! Daarnaast zullen we zelf ook in staat zijn, om geestelijke waarheden uit Gods Woord aan anderen over te brengen en zo onze functie als “licht van de wereld” echt te vervullen.

De Heer Jezus beëindigt de gelijkenis met de woorden: “Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken” (Matth. 5:16). Wat hiermee niet bedoeld wordt, is dat we “goede werken” in de populaire betekenis doen en ervoor zorgen, dat men het ook ziet – dus de typische overdreven weergave in de krant. Als dat bedoeld was, zou het de woorden van de Heer in Mattheüs 6 vers 1-4 rechtstreeks tegenspreken. Als we weldadigheid betonen, moeten we het niet over de hele wereld bazuinen, maar het in het verborgene doen, en de “Vader die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden” (vs. 4). En dat zou zeker niet “de Vader die in de hemelen is, verheerlijken” (Matth. 5:16), maar onszelf.

We zagen aan het begin dat “licht” spreekt over wat God openbaart over Zichzelf en Zijn gedachten. Als we ons licht willen laten schijnen, dan moet er iets van God en Zijn gedachten daardoor zichtbaar worden. In die zin zijn “goede werken” alles, wat de wil en doeleinden van God in ons leven weerspiegelt. Het is dan niet iets, dat we hier en daar sporadisch in ons leven eens doen. Dat is dan een blijvende toestand. Hoeveel kansen hebben we dagelijks om iets daarvan te laten zien!

 

Friedemann Werkshage; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 28.12.2020.

(Dit artikel kan ook als Podcast op YouTube/BibelimFokus beluisterd worden, weliswaar in het Duits)

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW