8 jaar geleden

Jezus leeft!

De Opstanding van Jezus vanuit historisch oogpunt

God maakt in de bijbel duidelijk, dat het historische feit van de lichamelijke opstanding centraal is voor het christelijk geloof (1 Kor. 15:12-19). Maar is de opstanding van Jezus dan met de historische feiten verenigbaar? Op deze vragen gaat het volgende artikel in. Ons geloof wordt door “wetenschappelijke bewijzen” niet zekerder. Maar dat betekent toch niet, dat de uitspraken van de bijbel in tegenspraak met de feiten staan zouden. Veel gebeurtenissen en data van de klassieke oudheid worden door historici in het algemeen als feiten geaccepteerd, hoewel de historische bronvermelding vaak zeer vaag is. Mijn professor voor “oude geschiedenis” pleegde graag te zeggen: “We weten niet, of Plato geleefd heeft, we weten alleen, dat hij blind was”. Daarmee duidde hij de onzekere bronvermelding van menige historische data aan. Maar daarover gaan zelden de verhitte discussies, want of Plato geleefd heeft of niet, beïnvloedt mijn leven vandaag heel weinig. Dat is echter bij het feit van de opstanding van Jezus volledig anders. De opstanding van Jezus is zo omstreden, omdat het juist “ongeloofwaardig” en onovertroffen is. Dat God de gekruisigde en gestorven Jezus op de derde dag opgewekt heeft, weerspreekt alles, wat men ooit gehoord heeft en voor mogelijk houdt. Het gaat immers niet daarom, dat een schijndode weer opstaat of dat iemand als Lazarus (Joh. 11) of de dochter van Jaïrus (Mark. 5) in hun oude lichaam en hun aardse leven terugkeert, om daarna weer te sterven, hoewel alleen dat ook al “ongeloofwaardig” is. Want dit is immers niet de inhoud van het Nieuwtestamentisch getuigenis over de opstanding van Jezus. Belangrijk is de opstanding van de Gekruisigde ook nog in een ander opzicht: Als het zou kloppen, dat de gekruisigde en gestorven Jezus door God opgewekt is, dan is Zijn kruis niet de weerlegging van Zijn gezaghebbende aanspraak als Koning en Heer, maar integendeel – het werk en de verkondiging van Jezus worden daardoor bevestigd. Daarom probeert men de historische gebeurtenis van de opstanding te loochenen. Maar hoe ziet de vermelding van de feiten er nu werkelijk uit? De volgende feiten behoeven een verklaring:

  • Jezus werd gekruisigd
  • stierf aan het kruis
  • werd in een graf begraven
  • na drie dagen was het graf leeg
  • meerdere mensen zeiden, dat hen de opgestane Jezus verschenen is.

De vraag of de overlevering van de opstanding van Jezus geloofwaardig is, is overigens niet uitsluitend een vraag van de zogenaamde “modernen”, “verlichte” mensen, maar het was volgens het bericht van de evangeliën al voor de tijdgenoten van Jezus een probleem – in het begin zelfs voor Zijn discipelen (verg. Mark. 16:14).

De bronvermelding

Vaak hoort men het argument, wonderen (en de opstanding is een van de grootste wonderen) is natuurwetenschappelijk niet aantoonbaar en daarmee onmogelijk of tenminste onwaarschijnlijk. Maar hier ligt een denkfout. Wonderen zijn per definitie geen feiten die overeenkomen met de natuurwetten, maar eenmalige historische gebeurtenissen. Geschiedenissen laten zich niet door pogingen in het laboratorium herhalen. Daarom werken historici niet als natuurwetenschappers, maar eerder als juristen. Ze reconstrueren voorbijgegane gebeurtenissen op grond van bronnen, aanwijzingen en getuigenverklaringen. Als we de bronnen van de opstanding bezien, dan vallen er twee dingen op: • Geen schrijver onderneemt het, de opstandingsgebeurtenis zelf te beschrijven. Er wordt het feit van de opstanding betuigd, en er worden gebeurtenissen aan het lege graf en de verschillende verschijningen van de Opgestane beschreven. De opwekking van Jezus zelf werd door geen menselijke ogen waargenomen. • Met het oog op de veelvoud en de leeftijd van de opstandingsgetuigenissen beschikken we over een voor verhoudingen van de oudheid buitengewone goede bronvermelding. Daartoe behoren de berichten in de vier Evangeliën en de Handelingen. De oudste teksten gaan tot aan de 60er/70er jaren van de eerste eeuw na Christus terug. Geen wonder dat satan probeert, deze geschriften als leugen voor te stellen en de tijd van hun vervaardiging naar de 2e of 3e eeuw te verleggen. Met Paulus, die voor zichzelf in aanspraak neemt, de Opgestane zelf gezien te hebben, hebben we een verdere  authentieke, literaire bron van “ooggetuigen” van de Opgestane. De brieven van Paulus werden ten dele zelfs vóór de evangeliën geschreven. De opstanding gebeurde op een concrete geografische plaats – namelijk Jeruzalem -, en het gebeurde op een nog geen generatie terugliggend historisch tijdstip, toen deze geschriften geschreven werden. Het vragen om inlichtingen aan de nog levende getuigen was zonder grote moeilijkheden mogelijk, zodat een bezwaar tegen deze feiten in de literatuur terug te vinden zou moeten zijn.

Het lege graf

De bijbelse berichten spreken er ondubbelzinnig over, dat het graf leeg was. Het lege graf werd in de oudheid, in een tijd, waar een onderzoek naar de echtheid nog mogelijk was, niet bestreden. Omstreden was, hoe het tot een leeg graf kwam. Voor de geloofwaardigheid van de bijbelse uitspraken vanuit historisch oogpunt (als de bijbel voor mij het Woord van God is, geloof ik haar uitspraken toch al) spreken de volgende redenen: • De eerste getuigen van het lege graf waren vrouwen. Getuigenverklaringen van vrouwen hebben in de Joodse maatschappij voor het rechtswezen geen gewicht (“Het getuigenis van een vrouw is niet rechtsgeldig vanwege de lichtvaardigheid en sluwheid van het vrouwelijk geslacht”, volgens de Joodse historicus Flavius Josephus 38-100 na Christus). Niemand kwam op het idee om een geschiedenis te bedenken en dan “niet-zekere” getuigen te kiezen. De enige verklaring daarvoor is, dat het juist daadwerkelijk zo was. • De Jeruzalem-factor: Als Christus niet opgestaan zou zijn, zou men alleen Zijn dode lichaam als bewijs gebruiken en het christendom zou in Jeruzalem, waar Jezus gekruisigd en begraven werd, “geen voet aan de grond gekregen hebben”. Maar juist daar ontstond een grote gemeente. • Het getuigenis van de vijanden: De vijanden van de Heer hebben hebben juist niet het lege graf en degene die daar begraven was, laten zien, maar een “alternatief-theorie” ontworpen (zie onder). De verbreide bewering, dat het lijk van de Heer Jezus gestolen was (Matth. 28:13), om een opstanding voor te spiegelen, toont, dat ook de vijanden van Jezus van de lijfelijke (lichamelijke) opstanding uitgingen. Anders zou de bewering van lijkroof zinloos zijn. Het vertonen van het lijk zou dan niets bewezen hebben, evenals het ontbreken ervan. Het is duidelijk, dat de Joden het getuigenis van de opstanding als een lichamelijk opgewekt worden van Jezus uit het graf begrepen hebben, en in het openbaar konden ze zijn lijk niet laten zien.

De verschijningen van de Opgestane

Na de identieke omschrijving van alle evangeliën hebben noch de discipelen noch de vrouwen met het oog op het lege graf reeds geloof in de opstanding gevonden. Daartoe was nog nodig de verschijning van de Opgestane. Het doel van de verschijningen is volgens alle berichten van de evangeliën identificatie [vaststellen van het feit – vertaler]. De vrouwen en de mannen, die Hij ontmoette, moesten Hem als de Opgestane erkennen. Zij moeten erkennen, dat Jezus, de Gekruisigde, niet in de dood gebleven is, maar leeft: “Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het Zelf ben” (Luk. 24:39). Een niet gering aantal mensen betuigt, dat hen de opgestane Heer verschenen is. Niet alleen christelijke historici houden de voorstelling voor geloofwaardig (zonder haar noodzakelijk te kunnen verklaren).

De geschiedenis van het resultaat

In 1 Korinthe 15 noemt de apostel Paulus een reeks van getuigen, van wie de getuigen-verklaringen zo maar nagegaan konden worden. Daarnaast zijn er nog twee belangrijke argumenten voor deze getuigen-verklaringen: • Een veel voorkomend argument luidt, dat Jezus alleen door Zijn aanhangers gezien werd, daarmee is het getuigenis twijfelachtig. Naast het feit, dat dit argument voor een historicus onbruikbaar is, (want er zijn honderden historische feiten, die erkend zijn, maar waarover we alleen uit bronnen, verwanten, aanhangers, vrienden, enzovoorts iets weten), is het ook verkeerd. Minstens één, zo niet twee van de “kroongetuigen” kwamen oorspronkelijk uit de rij van de sceptici en tegenstanders: Saulus van Tarsus en Jakobus, de broer van de Heer. • De christen-vervolger Saulus werd de ijverigste verdediger van het geloof. De verklaring die hij daarvoor aangeeft, luidt: De opgestane Heer Jezus Christus is hem verschenen1. • Jakobus geloofde, evenals de andere broers van de Heer, gedurende Zijn leven niet in de Heer (Joh. 7:5). De Heer verscheen aan Jakobus persoonlijk (1 Kor. 15:7). Hij werd later een “steunpilaar van de gemeente” in Jeruzalem (Gal. 2:9). Als men de feiten redelijkerwijze niet bestrijden kan, maar het bijbelse bericht ook niet geloven wil, dan moet men een andere verklaring vinden. Daaraan heeft het in de loop der jaren niet ontbroken. Maar hoe geloofwaardig zijn deze verklaringspogingen?

De onmacht-theorie

Deze theorie zegt, dat Jezus Christus onder het lijden van het kruis slechts in onmacht gevallen en later in het graf weer tot zichzelf gekomen was en het graf weer verlaten heeft. Reeds de pijniging van de geseling hebben slechts weinig mensen overleefd. Het verschrikkelijke proces van de kruisiging leidde bij het uiterste tot het breken van de benen om te doden. Toch werd dit bij de Heer uitdrukkelijk niet voltrokken, omdat Hij al gestorven was. Daarop doorstak een soldaat met een speer Zijn zijde (waarschijnlijk door hart en longen). Ook deze handeling zou dodelijk geweest zijn. De theorie van een schijndood is volledig onhoudbaar. Bovendien zou dan de Heer (die immers volgens de verdedigers van deze theorie slechts een normaal mens was) door de gevolgen van de zwaarste folteringen getekend, met doorboorde handen een zware steen moeten verwijderen, de wachten moeten overweldigen, de weg naar Emmaüs en terug lopen moeten enzovoorts: een ondenkbaar scenario.

De hallucinatie-theorie

Deze theorie zegt, dat de discipelen en andere getuigen de opstanding in hun rouw slechts een hallucinatie gehad en niet werkelijk de Heer gezien zouden hebben. Dat de discipelen of 500 personen opeens dezelfde hallucinatie hebben, is uiterst onwaarschijnlijk. Daarbij verklaart deze theorie op geen enkele wijze het lege graf en de levensverandering van Paulus. De Joodse Nieuwtestamenticus Pinchas Lapide houdt deze theorie voor ondenkbaar: “Als de verslagen en murw gemaakte discipelen-schaar zich in één nacht in een overwinnende geloofsbeweging veranderen kon, enkel slechts op grond van zelfsuggestie of zelfbedrog – zonder een doorslaggevende geloof-belevenis -, dan zou dat in principe een veruit groter wonder zijn dan de opstanding zelf”. Andere theorieën zijn zo in strijd met het gezond verstand, dat ik ze hier niet verder behandelen zal (bijvoorbeeld de tweeling-theorie en de “verkeerde-graf-theorie”2.

De theorie van de gestolen Jezus

Dit is de enige verklaringstheorie, die al in eht begin van de eerste eeuw rond ging en die daarbij probeert, het lege graf te verklaren. Ze wordt al in de bijbel genoemd (Matth. 28:11-15). “Terwijl zij nu heengingen, zie, enigen van de wacht kwamen in de stad en berichtten aan de overpriesters alles wat er was gebeurd. En nadat zij waren bijeengekomen met de oudsten en hadden beraadslaagd, gaven zij de soldaten veel geld en zij zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn ‘s nachts gekomen en hebben Hem gestolen terwijl wij sliepen. En als dit de stadhouder ter ore komt, zullen wij hem overtuigen en maken dat u zonder zorg bent. Zij nu namen het geld en deden zoals hun geleerd was. En dit woord is bij de Joden verbreid tot op de dag van heden”. Het hoofdprobleem van deze theorie is, at zij voor de gedragsverandering van de discipelen geen verklaring biedt. Uit angst slaan zij vóór de kruisiging op de vlucht. Dan moeten zij het lichaam stelen en plotseling met moed en ijver de boodschap van de opstanding verkondigen! Voor deze boodschap sterven zij vermoedelijk allen (misschien met uitzondering van Johannes) de marteldood. Volgens deze theorie zouden de bang geworden discipelen de Romeinse wachten overweldigd moeten hebben, het lichaam weggenomen moeten hebben, en dan een geschiedenis hebben moeten bedenken waarvoor zij dan bereid waren in de dood te gaan. Bovendien hadden ze er niet het geringste voordeel van. Er is voor zo’n optreden helemaal geen motief bij de discipelen. Zeker zijn ook mensen in de strijd voor een denkbeeld gestorven, dat leugen of dwaling is. Maar niet voor een leugen, die ze zelf uitgedacht hebben en waar ze van weten, dat het een leugen is. Op zijn laatst onder de pijn van de tegenstanders zou de zaak mislukt zijn3.

De legende-theorie

Anderen beweren eveneens, dat de hele geschiedenis van kruisiging, graflegging en opstanding een legende zou zijn, die de volgelingen van Jezus bedacht zouden hebben. Daartegen spreken enkele belangrijke feiten: • Wat voor zin heeft een legende, waarvan de gebeurtenissen na te gaan zijn? • Het zou onzinnig zijn zo’n legende in Jeruzalem te verkondigen, op de plaats waar het gebeurde, waar alles direct nagegaan kon worden. • Geen “legenden-verzinner” zou het lege graf door vrouwen laten ontdekken. Zoals al gezegd hadden getuigenverklaringen door vrowuen voor het rechtswezen geen gewicht . De beslissende feiten (het lege graf; de verschijningen van de Opgestane; de levensverandering van Zijn discipelen en van Paulus) laten zich ook vanuit het oogpunt van de historici altijd nog het beste met de bijbelse feitenberichten verklaren. Ik geloof in de opstanding van de Heer Jezus, en wel niet naast de historische feiten, maar ook in het licht de historische feiten!

Wat heeft dat met mij te maken?

Zoals reeds gezegd heeft de vraag, of de opstanding van Jezus als historisch feit bewezen is, veruit persoonlijker consekwenties dan bijvoorbeeld de vraag, wie Rome in brand gestoken heeft. De Heer Jezus zegt, dat Zijn opstanding het bewijs voor de waarheid van Zijn woorden en aanspraken is (Joh. 2:18-22). De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Welk teken toont U ons, dat U deze dingen doet? Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten. De Joden zeiden dan: In zesenveertig jaar is dit tempelhuis gebouwd, en U zult het in drie dagen oprichten? Maar Hij sprak over het tempelhuis van Zijn lichaam. Toen Hij dan uit [de] doden was opgewekt, herinnerden `Zijn discipelen zich dat Hij dit gezegd had; en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had”. Enkele uitspraken met met levens-veranderende betekenis zijn: Jezus Christus zegt, dat God u liefheeft. “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft” (Joh. 3:16). Jezus Christus zegt, dat Hij ook voor uw zonden stierf, als u Hem aanneemt. “Want dit is Mijn bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden” (Matth. 26:28). “Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen; en anderen zeiden: Wij zullen u daarover nog wel eens horen. Zo ging Paulus uit hun midden weg. Sommige mannen sloten zich bij hem aan en geloofden, onder wie ook Dyonysius de Areopagiet, en een vrouw genaamd Dámaris, en anderen met hen” (Hand. 17:32-34). Deze drie groepen toehoorders zijn er vandaag ook nog – in de 21e eeuw -, als er over de opstanding van Jezus gesproken wordt:

  1. Spotters, sceptici; ongelovigen
  2. Afwachtenden, zij die aarzelen, onverschilligen, eeuwige twijfelaars
  3. Gelovigen en zij die overtuigd zijn

Ieder wordt persoonlijk gevraagd een beslissing te nemen. De Heer Jezus verandert ook vandaag nog mensenlevens.

NOTEN:
1. Buiten in de bijbel bij Paulus en Lukas bevinden zich aanwijzingen van de bekeringsgeschiedenis van Saulus ook bij Polycarp; Tertullian, Clemens van Rome (volgens Milce Licona). 2. De tweelingstheorie zegt, dat Jezus een tweelingbroer gehad heeft, die aan het kruis in Zijn plaats gestorven zou zijn (wat bijvoorbeeld betekenen zou, dat Maria aan het kruis haar eigen zonen niet uit elkaar gehouden zou hebben). De “verkeerde-graf-theorie” zegt, dat de discipelen naar een ander graf gegaan zouden zijn (dit weerspreekt het feit, dat de vrouwen de graflegging gezien hebben, dus precies wisten waar het graf was). 3. Ook de in het graf achtergebleven linnendoeken en het opgevouwde zweetdoek (Joh. 20:4 en volgende verzen) spreken tegen een lijkroof, want men wikkelt een lijk, dat men roven wil, niet tevoren uit.

© Folge mir nach; Michael Vogelsang

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol