2 jaar geleden

Jeremia 33 vers 18

… en aan de Levietische priesters zal geen man voor Mijn aangezicht ontbreken die het brandoffer brengt, het graanoffer in rook laat opgaan en het slachtoffer bereidt, alle dagen.

Deze plaats brengt ons in het Duizendjarig Rijk en men ziet ondubbelzinnig dat dan weer de verschillende offers – weliswaar op een andere grondslag dan die van de genade – gebracht zullen worden. Men mag niet vergeten dat Israël een aards volk is, dat weliswaar onder de vredesscepter van zijn grote Koning tijden van onvermoede zegen zal genieten, maar dat echter zolang de ‘toekomstige eeuw’ duurt, zijn aards karakter niet verliest. Daarom zal er ook weer een aards heiligdom opgericht worden en in verbinding daarmee een aards priesterdom, een van de overige Israëlieten afgezonderde klasse van personen, die het volk daar vervangt waar het zelf niet mag naderen. Daarmee zullen dan ook aardse offers verbonden zijn.

Verder is op te merken dat in het Duizendjarig Rijk wel de gevolgen van de zonde weggedaan zijn en dat daarmee het zuchten van de schepping ophoudt, echter niet dat de toestand van onschuld of zondeloosheid weer hersteld wordt, zoals dat voor de zondeval bestond. Zonde en dood zijn nog niet afgeschaft. Daarom is een voortdurende herinnering aan het Offer nodig, dat eens op Golgotha tot afschaffing van de zonde volbracht werd. Deze toestand is van voorbijgaande aard omdat het verbonden is met de aarde; het duurt alleen gedurende duizend jaar. Het mag daarom ook op geen enkele wijze met onze tegenwoordige hemelse positie of met de eeuwige toestand in de nieuwe schepping vermengd of verwisseld worden.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol