2 jaar geleden

I’m a girl – Ik ben een meisje

Jesaja 3 (HSV):

16. Verder zegt de HEERE: Omdat de dochters van Sion uit de hoogte doen, met uitgestrekte hals lopen, met de ogen lonken, met kleine pasjes lopen, en hun enkelringen laten rinkelen,
17. daarom zal de Heere de schedel van de dochters van Sion schurftig maken, en hun schaamdelen {of ‘hun voorhoofd’} zal de HEERE ontbloten.
18. Op die dag zal de Heere de mooiste sieraden wegnemen: de enkelringen, de voorhoofdbanden, de maantjes,
19. de oorhangers, de armbanden, de sluiers,
20. de hoofddoeken, de enkelkettinkjes, de gordels, de reukflesjes, de amuletten,
21. de ringen, de neusringen,
22. de feestkleren, de mantels, de omslagdoeken, de tasjes,
23. de handspiegels, de onderkleding, de mutsen en de sluiers.
24. Dan zal er in plaats van balsemgeur stank zijn, en er zal een touw zijn in plaats van een gordel, kaalheid in plaats van haarvlechten, het aandoen van een rouwgewaad in plaats van een pronkgewaad, een brandmerk in plaats van schoonheid.

Vooraf

Voor u verder leest, wil ik u aangeven, dat een en ander voor sommigen schokkend kan zijn. Voor de een schokkend, omdat deze dingen onder gelovigen gevonden worden, voor de ander omdat zij zich mogelijk aangesproken voelen en zich daaraan storen. Je moet immers met je tijd meegaan? We leven toch in een moderne wereld? Dan moet je je daar ook aan aanpassen. Wel, als u, geliefde lezer, hierover zo denkt en zegt Christen te zijn, wil ik eraan herinneren wat de Heer Jezus Zelf vraagt aan Zijn Vader in Johannes 17, namelijk: “… Ik heb hun uw woord gegeven; en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn zoals Ik niet van de wereld ben. Ik vraag niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze. Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben …” (Joh. 17:14-17). De dingen die we in dit gedeelte uit Jesaja vinden, hebben juist alles te maken met deze wereld en haar boosheid. De Heilige Geest beschrijft ons door middel van de apostel Johannes het volgende: “Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” (1 Joh. 2:15-17). En de duivel is de overste van deze wereld (Joh. 16:11), laten we dat goed bedenken.

Als we open staan voor wat de Heer door Zijn Woord ons zegt, zullen we ongetwijfeld een zegen ontvangen en bewaard worden voor de invloeden die vanuit de wereld komen. Dan kunnen we wel geschokt zijn, omdat de Heer ons op iets wijst, maar als we ons daar gewillig en gehoorzaam onder buigen en belijden wat verkeerd was, zal Hij ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle ongerechtigheid omdat Hij getrouw en rechtvaardig is (1 Joh. 1:9). Dan is onze gemeenschap met Hem weer hersteld … en kunnen we met vreugde genieten van Hem en onze wandel in het licht met blijdschap vervolgen.

Nu gaan we kort overdenken wat Jesaja ons mocht doorgeven.

Wereldgelijkvormigheid of innerlijke schoonheid

In Jesaja 3 vers 16 tot 24 vinden we een beschrijving van de invloed die de god “mode” ook had in de dagen van Jesaja. Het oordeel van God hierover wordt hier tevens ook duidelijk beschreven. De vrouwen van Jeruzalem waren zo bezig met hun uiterlijk, dat heel hun verschijning wees op lichtzinnigheid, verkwisting van tijd en het bezig zijn met hoe knap ze wel niet waren. Dit ging gepaard met het aandacht trekken van het andere geslacht (lonken, kleine pasjes lopen, rinkelende enkelringen).

Hier zien we wel een opvallende overeenkomst met onze huidige tijd. Veel vrouwen en meisjes – vooral in de westerse wereld – doen hun uiterste best om in de ‘picture’ te komen. Niets is dan te gek, alles moet kunnen. Echter niet alleen ongelovigen, helaas ook veel meisjes en vrouwen die belijden Christen te zijn. Daarover hoeven we niet geheimzinnig doen, je ziet het gewoon om je heen, zelfs soms op plaatsen waar je dit niet zou verwachten, namelijk in samenkomsten van de gelovigen.

Er zijn meisjes die uren lang bezig zijn met hun uiterlijk. Als je ze daarover aanspreekt, zou je ten antwoord kunnen krijgen: “I’m a girl” (ik ben een meisje). Met andere woorden, dan kun je en mag je immers niets anders verwachten. Daar moet je niet zo moeilijk over doen. Dat is toch normaal voor een meisje, voor een vrouw. Inderdaad is dat normaal, tenminste … in deze wereld wel. Maar als je een kind van God bent, mag ik je dan misschien vragen hoeveel tijd, geld, energie je besteedt aan je ‘innerlijke’ schoonheid. Want dat is immers voor een kind van God het allerbelangrijkste? Dat vindt God tenminste wel! Daarmee wordt niet bedoeld, dat je er dan maar ‘slordig en slonzig’ bij moet lopen en totaal geen aandacht besteden moet aan je uiterlijk. Zorg goed voor je uiterlijk, maar wees tegelijkertijd dankbaar dat je er uit ziet zoals God je geschapen heeft. Heb je Hem daarvoor al eens gedankt? Zó, zoals je bent, ben je voor God uniek, ook in je uiterlijk. Laat je smaak niet bepalen door deze wereld noch door de (af)god mode, maar laat je door God’s scheppingsmacht en schoonheid … én liefde – betoond in de Heer Jezus – imponeren en wees tevreden met wie je bent en hoe je er uit ziet. Dat maakt je pas echt gelukkig!

Uiteraard spreek ik hier in algemene zin. Er zijn ook situaties waarin je verdrietig kunt zijn met ‘hoe’ je er uit ziet. Dan denk ik aan bepaalde ziekten die het lichaam aantasten, aan een ongeluk die je kreeg en waardoor je er naar je idee ontoonbaar uit bent gaan zien. Dat gebeurt en is heel ingrijpend en verdrietig, maar ook dan is God er om je hierin te helpen om dit ‘lijden’ met Hem te doorstaan. Dat kan alleen wanneer je innerlijk ‘schoon’ bent, waarmee ik bedoel dat God je hart – je innerlijk – gereinigd heeft van alle bezoedelingen van deze wereld en dat je weet dat je zonden gereinigd zijn door het bloed van de Heer Jezus.

Hierdoor kun je toch vrede hebben met hoe je er uit ziet en daardoor kun je zelfs een getuige voor de Heer Jezus zijn. Dan ben je geen ‘modepop’, maar een ‘leesbare brief van Christus’ (2 Kor. 3:3). Zou je dat niet willen zijn?

Als we verder nog kijken naar wat Jesaja hier opsomt over de vrouwen van Jeruzalem, vinden we ook overeenkomsten met onze tijd. Voorhoofdbanden, oorhangers, armbanden, sluiers, hoofddoeken, reukflessen, ringen, neusringen, feestkleren, handspiegels, tasjes, enzovoorts. De Heer zou hen dit allemaal afnemen, Zijn beoordeling cq veroordeling was duidelijk. In plaats van balsemgeur stank … ziet, ja, ruikt u het allemaal al? De Heer verwerpt dit hier. Ook de schedel van de dames uit Jeruzalem worden door God aangepakt, ze zullen schurftig worden. Deze vrouwen deden vanuit de hoogte, hetgeen duidt op de hoogmoed van het leven. Zij wekten de begeerten van het vlees op, hetgeen ook in onze dagen duidelijk het geval is. Met name wel op seksueel terrein. Hoe meer van de vrouw ontbloot wordt, des te liever heeft men het. Dit behoort allemaal tot het terrein van de begeerten van de mensen, waarover de apostel Petrus ook spreekt (1 Petr. 4:2-4). De Heilige Geest wijst daar op, om ons leven in het vlees – afgedaan met de zonde -, niet meer te leven naar de begeerte van de mensen maar naar de wil van God. In het verleden hebben wij (hier sluit dus Petrus zichzelf ook bij in) tijd genoeg besteed aan losbandigheid, begeerten, dronkenschappen, zwelgpartijen, drinkgelagen en misdadige afgoderijen. Dit behoeft verder geen uitleg. Deze woorden die eeuwen geleden door de apostel onder de leiding van de Heilige Geest zijn opgeschreven, zijn uitermate actueel in onze tijd. Als je hieraan niet mee doet, wordt je als uitschot beschouwd, als zijnde niet meer van deze eeuw, als spelbreker, enzovoorts. Dat wordt je wel goed duidelijk gemaakt wanneer je je distantieert van al deze dingen en zo getuigt van het reine leven met God en van de Heer Jezus en je uitstrekt om de wil van God te doen in je leven.

Dit leven in gemeenschap met God en de Heer Jezus heeft absoluut ook invloed op je uiterlijk, want dáár kun je direct zichtbaar maken wie je toebehoort. Als je als Christen of Christin door je kleding seksuele verlangens opwekt, doe je de vijand van onze zielen, – de satan – een groot plezier. Deze vijand wekt juist deze ‘begeerten’ op omdat hij weet dat deze lijnrecht tegen de gedachten van God ingaan. Satan wil niet dat wij ons als Christenen openbaren en ons gedragen – ook in ons uiterlijk – naar de gedachten en wil van God. Hierbij is het niet steekhoudend door als Christen of Christin je gedrag te rechtvaardigen door de houding van: ‘Wel, als men zich aan mijn kleding stoort, kijken ze maar de andere kant op; ze hoeven niet naar mij te kijken en bovendien laten zij zich blijkbaar door mijn gedrag/kleding van de wijs brengen en laten zij hun begeerten de vrije loop’. Door zo te denken en ongestoord verder te gaan, beseft men niet dat men geestelijke schade aanricht bij zijn of haar medegelovige. Dat laat geen liefde van Christus zien. Begrijp mij goed, het gaat hier niet om de kleur van een broek of rok, smaken verschillen nu eenmaal en maken het geheel daardoor juist aantrekkelijk. Het gaat om seksueel aanstotelijk gedrag en seksueel getinte kleding, waardoor een medegelovige onreine gedachten kan krijgen of zelfs krijgt. Daarom is het goed en noodzakelijk om ook eens te overwegen hoe het met mijn innerlijke schoonheid gaat en of mijn uiterlijk daarmee wel in overeenstemming is. Daarvoor wil ik u meenemen naar dezelfde Petrus-brief, hoofdstuk 3.

“Evenzo, vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig; opdat ook, als sommigen aan het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de levenswandel van de vrouwen zonder woorden gewonnen mogen worden, doordat zij uw reine levenswandel in de vreze des Heeren waarnemen. Uw sieraad moet niet bestaan in iets uiterlijks: het vlechten van het haar, het dragen van gouden sieraden of het aantrekken van mooie kleren; maar uw sieraad moet zijn de verborgen mens van het hart, met het onvergankelijke sieraad van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God. Want zo tooiden zich voorheen ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en hun eigen mannen onderdanig waren; zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde. U bent kinderen van haar geworden, als u goeddoet en niet bevreesd bent voor enig ding dat u angst zou kunnen aanjagen” (1 Petr. 3:1-6).

De dingen die hier beschreven worden, gelden in principe niet alleen voor getrouwde vrouwen maar voor elke vrouw, voor elk meisje. Dat moge duidelijk zijn. De vrouwen hier zijn gelovige vrouwen. Door hun wandel kunnen zij hun mannen, waarvan sommigen aan het woord ongehoorzaam zijn, winnen. Winnen voor wie? Voor God, voor Christus, Die zij zelf ook toebehoren. Deze vrouwen hier zijn vrouwen, die geroepen zijn uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht en deel hebben aan de barmhartigheid van God – de omarming van het hart van God. Zij zijn het eigendom van God en geroepen om de deugden te verkondigen van Hem die hen uit de duisternis riep tot Zijn wonderbaar licht. Dit in tegenstelling tot hen die ongehoorzaam (ongelovig) zijn (1 Petr. 2:8-10). Het is goed om ons dit vooraf te bedenken, voor we deze verzen wat nader bekijken.

Wel gaat het hier om het gezin, dat door God Zelf geschapen is. Een menselijk verband dat door God ingesteld werd. Uitermate belangrijk in de ogen van God. Het hoofd van de vrouw en het gezin is de man. Ook vandaag nog! De Schrift is hierin niet veranderd, wel de menselijke interpretatie ervan. Dit behoort tot de scheppingsorde van God. Ook al wordt in onze tijd heftig beweerd dat het hoofdschap van de man uit de tijd is, blijft deze toch bestaan in het oog van God. Zijn gedachten veranderen niet! Je zou vandaag bijna gaan vrezen om deze dingen te benoemen, zoals de Schrift, het Woord van God ze benoemt. Maar ik citeer uit Gods Woord: “Maar ik wil dat u weet, dat Christus het hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] hoofd van Christus” (1 Kor. 11:3; zie verder ook vs. 4-9). Door de zondeval nam Eva de leiding door haar ongehoorzaamheid aan God (Gen. 3:16,17). Zo nam zij de plaats in van haar man, hetgeen smartelijke gevolgen had, zoals we weten en nog dagelijks ervaren. Eva verliet zo haar plaats van onderdanigheid en sprak om zo te zeggen ‘voor haar beurt’. Ondanks haar droevige ervaring en de duidelijke woorden van God schijnt Eva weinig geleerd te hebben*.

Dat deed zij later ook bijvoorbeeld in het geven van namen (zie Gen. 2:19-24; 3:20; 4:1,25). Zij was echter niet de enige vrouw die haar plaats als onderdanig aan haar man verliet. Denk aan Saraï, die ook de smartelijke gevolgen ervan ondervond in haar leven in verband met Ismaël, hoewel we hier mogen opmerken, dat dit niet altijd haar geestelijke toestand geweest is. We vinden haar immers later in het Nieuwe Testament terug als een vrouw die aan haar eigen man onderdanig was en zelfs als voorbeeld gesteld werd (1 Petr. 3:6). Zij noemde haar man “heer”. Hieruit blijkt toch duidelijk haar onderdanigheid. Hoewel de Telos-vertaling een andere lezing er op nahoudt over Hebreeën 11 vers 11 (deze vertaling past dit toe op Abraham), wordt in vele vertalingen haar positieve houding ten opzichte van God als volgt verwoord: “… die zij trouw achtte die het beloofd had”.

En verder wat te denken van Izébel en Athália (1 Kon. 21; 2 Kon. 11)? Maar … hoe staat het dan met ons? Zijn wij Hem altijd van harte gehoorzaam? Dit is van toepassing op zowel man als vrouw.

De verborgen mens van het hart

Ja, hierover gaat het eigenlijk in dit stukje, “de verborgen mens van het hart”. Het gaat om het innerlijk. Dit is iets wat we vandaag zeker niet om ons heen zien. Vandaag, vooral in het westen – of zo u wilt in de zogenaamde christelijke landen (nou ja, christelijk, mogelijk ooit in het verleden) –  gaat het om het uiterlijk. Ongetwijfeld heeft dit alles te maken om de verdorvenheid van het innerlijk te camoufleren en daarmee maar vooral niet bezig te zijn. Maar in ons gedeelte uit de Petrus-brief gaat het zeker wel om ons innerlijk. Versiering mag en moet er ook zijn, maar dan niet de uiterlijke. Dit geldt ook voor meisjes die als teenagers te boek staan. In hun pubertijd hebben ze nogal eens de neiging om deze woorden van God te negeren en hun tijd, geld en energie overvloedig te besteden in dienst van het uiterlijk. Maar Gods Woord meldt hier toch duidelijk het volgende: “Laat uw versiering niet de uiterlijke zijn”. Vervolgens wordt er aangegeven waaruit die uiterlijke versiering dan bestaat, namelijk: “[het] vlechten van [het] haar en [het] omhangen van gouden [dingen] of [het] aantrekken van kleren …” (1 Petr. 3:3).

Het gaat er hier niet om dat je je haar niet vlechten mag, hoewel sommigen dat anderen proberen op te leggen, maar het gaat er hier om hoe men erop uit is door het vlechten van het haar hun uiterlijk zodanig ‘op te sieren’ dat de nadruk valt op hoe men eruit ziet, hoe men zichzelf probeert om te toveren tot de schoonste aller vrouwen door middel van het vlechten van hun haren. Puur dus om hun uiterlijk op te sieren. Hetzelfde geldt voor het omhangen met gouden dingen. Wat het aantrekken van kleren betreft, moeten we uiteraard niet denken dat het dus naar Gods gedachten zou zijn om geen kleding te dragen. Dit is wat de wereld er wel graag in wil lezen, omdat zij verdorven is in haar verstand en de gedachten van God absoluut niet verstaat en dat ook niet kan. Het is juist de vrouw die er de eerste oorzaak (2 Kor. 11:3) van was, dat kleding gedragen moest worden. En wel als gevolg van haar ongehoorzaamheid. Het was een gebod van God. God Zelf nam het initiatief om de mens te bekleden na zijn/haar val in de zonde (Gen. 3:21).

Maar ook hier gaat het erom dat men door middel van kleding zich zodanig wil versieren dat de aandacht op het uiterlijk komt te liggen. Er staat ook: “Laat uw versiering niet de uiterlijke zijn: …”. Niet dus! Hoe staat het met ons hiermee, geliefde medebroeder en zuster?

<<Het doel van kleding is om het lichaam te beschermen alsmede anderen te beschermen tegen dingen die onreine gedachten opwekken of aanstoot geven aan het zedelijk besef dat, hoewel zeer verzwakt door de zonde, toch nog in de mens aanwezig is als schepsel van God. Hoe heerlijk dat wij als gelovigen, zelfs deze dingen die een gevolg van de zonde zijn, doen mogen om de Heer welbehaaglijk te zijn. Zowel het lichaam als de ziel en de geest behoren Hem. Wij moeten altijd voor God leven, het oog op Hem gericht en voor Zijn aangezicht wandelende.>>*

Waar gaat het dan wel om?

Om “de verborgen mens van het hart, in de onvergankelijke [versiering] van de zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God” (1 Petr. 3:4). Dit – de verborgen mens van het hart die het sieraad van haar hart toont door een zachtmoedige en stille geest – is de versiering die kostbaar is voor God. Dat is nu precies wat niet in het natuurlijke hart aanwezig is. Wel in een hart dat Christus toebehoort en zich bezighoudt met Zijn heerlijkheid. Hoe gaat dat in zijn werk? Dat is niet een zich uitleven in de mystiek, maar eenvoudig het zich bezighouden als eigendom van de Heer Jezus met Hem in de heerlijkheid. Daardoor wordt een Christen gevormd in zijn praktische leven en zal de kenmerken van de Heer Jezus daardoor vertonen in zijn of haar wandel. Houden we ons dagelijks met Hem bezig? De gevolgen hiervan zullen niet uitblijven en zal ons vormen naar het beeld van Hem, Die ons kocht en betaalde met Zijn kostbaar bloed. Dan zullen we God verheerlijken in ons lichaam in het bewustzijn dat ons lichaam een tempel is van de Heilige Geest (1 Kor. 6:19-20). Dat heeft alleen de ware versiering nodig, een versiering die van hemelse oorsprong is en niet onderhevig is aan de modegrillen van deze wereld.

Wat waren dan de kenmerken van de Heer Jezus?

Onder andere toch zeker wel dat Hij zachtmoedig en nederig van hart was (Matth. 11:29). Dit is iets wat in de praktijk van het leven tot uitdrukking dient te komen. Wat we hier overdenken is ook een gebod van de Heer, het staat in de gebiedende wijs. Het is dus niet vrijblijvend. Maar voor iemand die de Heer Jezus toebehoort en de dingen zoekt en bedenkt die boven zijn, waar Christus is (Kol. 3:1-3), is dit geen probleem. Hoe meer we ons met Hem voeden des te meer zal deze ‘hemelse versiering’ ons deel worden. Daaraan ligt ook gehoorzaamheid ten grondslag. Een stille geest neemt in geloof en vertrouwen aan wat naar Zijn gedachten is. Een stille geest staat lijnrecht tegenover een opstandige geest, waar deze wereld vol van is. Maar een kind van God behoort niet meer tot deze wereld, hij is er nog wel in. Maar tot het systeem wereld, waarvan satan de overste is, behoort hij niet meer. Hij is een kind van God en wandelt in het licht. Dat zou de normale toestand van ons moeten zijn, geliefden. Dat maakt alles anders. Dan behoort ‘wereldgelijkvormigheid” niet meer tot onze versiering (Rom. 12:1-2). Maar hoe is het hiermee in ons leven?

Heilige vrouwen

Er worden ook voorbeelden genoemd uit vroegere tijden. Er wordt gememoreerd aan de “heilige vrouwen” en Sara wordt met name genoemd. We hebben haar al genoemd. Zij was haar man, Abraham, onderdanig en noemde hem zelfs “heer”.

Hoewel Sara alle reden had om zich op haar schoonheid te beroemen en zich daar op te oriënteren in haar wandel, richtte zij haar hart op God (Gen. 12:11,14-15). We lezen nergens dat zij haar man Abraham tegensprak toen zij naar Egypte vertrokken, ondanks dat Abraham hier een behoorlijke scheve schaats reed. Hij zette zelfs de eer van zijn knappe vrouw Sara op het spel. Sara echter gehoorzaamde aan haar man en werd noch door mensen noch door God hierom bekritiseerd of vermaand. Zij vertrouwde op God die haar ook beschermde voor een enorme tragedie (Gen. 12:14-20).

Van de heilige vrouwen worden twee heel mooie dingen gezegd, namelijk:

  1. Zij tooiden zich met de onvergankelijke versiering van de zachtmoedige en stille geest.
  2. Zij hoopten op God.

Wat een getuigenis! Zachtmoedigheid is een sieraad in het oog van God. De Heer Jezus kon zeggen: “… leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Matth. 1:29). Hoe meer ook wij dit van Hem leren des te meer rust ervaren we in onze zielen. Dat betekent helemaal niet dat zachtmoedigheid inhoudt, dat je alles over je heen laat gaan. Dat deed de Heer Jezus ook niet. Het verkeerde werd door Hem – indien Hij dat nodig achtte – benoemd op een liefdevolle wijze en op de juiste tijd door Hem. Het kwaad werd niet getolereerd. Denk onder andere maar aan de tempelreiniging (Matth. 5:12-17).

Bij zachtmoedigheid1 gaat het om het hart. Deze is zacht van aard. Niet stekelig, niet opstandig. Ook leidt de Heer de zachtmoedigen in het recht en leert Hij de zachtmoedigen Zijn weg (Ps. 25:9). Het heeft dus praktische invloed op het leven. We moeten verder ook niet denken dat het ‘slappe watjes’ zijn die alles maar over zich heen laten gaan. Het zijn juist ‘sterke pilaren’ die geleerd hebben hun oog en hart op de Heer gericht te houden, ook als het vlees aan hun fundamenten schudt of als anderen om hen heen het hen heel moeilijk maken. Zij kennen de weg van de Heer. Zij hebben ook blijdschap in de Heer (Jes. 29:19). Zij hebben geleerd zich te buigen, nederig te zijn omdat de Heer Jezus dat ook was. Zij kennen de “verborgen omgang” met God en kennen de vertrouwelijke omgang met Hem en hun ogen zijn voortdurend op de Heer (Ps. 25:14,15).

Wat hebben wij van Hem geleerd en hoe kennen wij Hem?

Mozes

Ook Mozes was zachtmoedig. Deze man zachtmoedig? Dat lijkt er toch niet op – zouden we misschien zeggen – als we zien hoe hij met de Egyptenaar omging die hij zelfs doodsloeg? (Ex. 2:11-15). Toch wordt van hem het volgende gezegd: “Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren” (zie Num. 12:1-16). Hoe zachtmoedig gedroeg hij zich hier! Blijkbaar heeft Mozes wel het een en ander geleerd en kon de Heilige Geest dit van hem getuigen. Daar kunnen ook wij heel wat van leren.

Heilige vrouwen. Wat een ‘eretitel’. Dat zijn vrouwen die voor de Heer afgezonderd zijn, die Hem toebehoren en in de praktijk van hun leven op Hem gericht zijn. Heilig zijn betekent ook: afgezonderd voor God. De gedachte daarbij is ook dat we het eigendom zijn van God. Dit vinden we al in het Oude Testament terug (verg. Gen. 2:3; Ex. 13:2). Daarvoor hebben we dus geen paus nodig om ons heilig te verklaren. Hebben we sowieso niet trouwens, maar dat is een ander onderwerp. Ook wij als Christenen worden als heiligen gezien, op grond van ons geloof in de Heer Jezus Christus, en wel “eens voor altijd” (Hebr. 10:10). Dit is onze positie die wij door de genade van God verkregen hebben. Onze Heer en Heiland moest vanwege de heiligheid van God op het kruis verlaten worden. Wat een verschrikking was dat voor Hem, Die volkomen heilig was in Zichzelf!!! God, Die heilig is, kon en kan het niet op een akkoordje gooien met de zonde. Dit zal ons er ook toe moeten brengen om het in onze praktische wandel ook niet op een akkoordje te gooien met de zonde. Helaas zijn we daartoe wel geneigd. Ook daarvan vinden we voorbeelden in de Bijbel.

In verband met dit onderwerp verwijs ik u alvast naar de volgende artikelen die D.V. in Frisse Wateren zullen verschijnen: “God is heilig” en “Hier ben Ik, zend Mij”.

De vrouwen die hier genoemd werden waren ‘heilige’ vrouwen. Zij waren er zich terdege van bewust dat zij voor God waren afgezonderd en wilden daarom Hem eren en dienen, ook in hun relaties tot hun mannen.

Stil

Deze vrouwen waren dus niet alleen zachtmoedig maar ook stil. Niet omdat hen door hun mannen de mond gesnoerd werd, maar omdat zij hun plaats kenden. Laten we ons herinneren dat dit kostbaar is voor God. Dit woord komt verschillende malen voor in de Petrus-brieven. Kostbaar om eens na te gaan.

God was kostbaar voor deze vrouwen en zij wisten daarom ongetwijfeld dat het hart dat versierd was door een zachtmoedige en stille geest, ook voor God kostbaar was. En dit is niet veranderd. Het is nog steeds ‘kostbaar voor God’. Dit bracht hen ook tot onderdanigheid aan hun eigen mannen, waarvan Gods Woord hier over hen getuigt. Dit is natuurlijk niet van deze tijd, dat beseffen we allen wel. Trouwens, dat is het ook nog nooit geweest, want het wordt in deze zin ook alleen maar gevonden bij hen die voor God afgezonderd zijn, die geheiligd zijn door het kostbare bloed van de Heer Jezus (Hebr. 10:10).

Onderdanigheid

Hopelijk denkt u, die dit leest, nu niet dat hier weer de vrouwen, zusters ervan langs krijgen, en dat natuurlijk weer door zo’n man die weer zijn geliefkoosde onderwerp te berde wil brengen. Geliefde zusters, u hebt een heel belangrijke plaats als vrouwen ten opzichte van de man, want het begin van dit gedeelte spreekt over onderdanigheid die een ‘hemels’ doel beoogt, namelijk het winnen van een ongehoorzame man. We moeten daarbij niet alleen denken aan een ongelovige echtgenoot, maar ook aan een echtgenoot die wel gelooft maar toch ongehoorzaam is aan het Woord. Er staat wel “ook als sommigen …”. Hieruit mogen we wel opmaken dat het niet een ‘normaal’ verschijnsel was. Hoe dan ook, u hebt als zusters een kostbare taak! Door onderdanigheid uw man winnen.

Hoe doe je dat dan? Wel, geeft daar vers twee niet antwoord op? Zonder woord een wandel hebben, dat gekenmerkt wordt door kuisheid (reinheid). Dit kan alleen als we de Heer eerbiedigen, vrezen, “een kuise wandel in vrees” dus.

We hebben al stilgestaan bij de ‘heilige’ vrouwen van wie ook staat dat zij hun eigen mannen onderdanig waren. Als u dit ook doet, kan uw naam daaraan toegevoegd worden. Dat is overigens wel iets wat God Zelf bijhoudt. Er zal dus niet voorgelezen worden in de samenkomsten van de gemeente dat uw naam daaraan toegevoegd is. Als Hij nodig vindt dat dit op een of andere wijze ruchtbaar moet worden, zal Hij daarvoor ook zorgen. Maar het gaat erom dat we de Heer in onze harten en in onze wandel eren door de plaats die Hij ons als mannen en vrouwen heeft toebedeeld ook met een gehoorzaam hart in te nemen.

Dit alles brengt ons wel tot de actuele vragen: “Wat wordt er vandaag nog van deze dingen gezien? Hoe staat het hierin met onze harten?”

De vrouw van een dronkaard

Hier tussendoor een getuigenis van Ernst Modersohn over de ‘innerlijke’ schoonheid van een vrouw die ook aan haar man onderdanig was.

<<Bijbelverzen: 1 Petr. 3:1-2.

Er zaten veel drinkers samen in de kroeg. Ze spraken over dit en dat; uiteindelijk kwamen ze over de vrouwen te praten. O, daarover had de een nog meer dan de ander te mopperen. Slechts één zweeg. Dat viel de anderen tenslotte op. “Nou?” vroegen ze, “je zegt helemaal niets?”

“Ja”, zei hij, “daar kan ik niet aan meedoen. Ik heb geen reden om over mijn vrouw te klagen. Zij spreekt geen kwaad woord tegen mij”.

Toen lachten de anderen en zeiden: “Zoiets bestaat toch helemaal niet”.

“Jazeker”, verdedigde hij nu zijn vrouw. “Ik ben er zeker van wanneer ik in het midden van de nacht haar zou opdragen dat ze op moest staan en voor mij iets te eten moest koken, dat zij het dan zou doen zonder enige tegenspraak!”.

De spot en het gelach van de anderen werd steeds luider. “Onzin! Je maakt ons iets wijs!”

“Wat houdt de weddenschap in?”

Ja, er werd gewed. Ze wilden zich direct overtuigen of hij de waarheid had verteld. Het hele dronken gezelschap ging op weg.

De vrouw was al naar bed gegaan want het was al laat. Het was al lang middernacht geweest toen de mannen thuiskwamen. Haar man commandeerde: “Kom op, vrouw, sta op en zet voor ons een lekker bakje koffie; ik heb gasten meegebracht”.

De gasten dachten dat zij nu een vloed van scheldwoorden te horen zouden krijgen, zoals zij dat gewoon waren; maar neen, er kwam geen kwaad woord. Na korte tijd hoorden zij het geluid van kopjes en het duurde niet lang, voor zij met een vriendelijk gezicht de dampende koffie binnenbracht.

Deze aanblik ontnuchterde de mannen zodat ze zich voor de stille, zachtmoedige vrouw begonnen te schamen. Tot slot vertelde een van hen haar van de weddenschap, die hen hierheen gevoerd had, en toen vroeg hij haar: “Hoe kunt u nu zo vriendelijk zijn voor zulke mensen als wij zijn? Hoe krijg je dat voor elkaar?”

Daarop zei ze: “Ik zie met smart dat mijn man doet wat hij kan om zichzelf te ruïneren. Hij heeft maar één leven. Een eeuwig leven is er immers voor drinkers niet. Ik wil nu graag het aardse leven, dat hij alleen heeft en dat hij op de koop toe ook nog verkort, zo aangenaam mogelijk maken voor hem”.

De ontgoochelde gasten gingen snel stil naar huis. De man echter zei tegen zijn vrouw: “Vertel me, vrouw, heb je echt zo veel zorg over mijn ziel?” En toen hij in haar vochtige ogen keek – want zo zacht hoorde hem anders nooit spreken -, braken er ook tranen uit zijn ogen, en hij beleed zijn schuld. Ze knielden samen neer, en de Heer hielp hem iemand anders te worden. – Bibelstudium.de>>

De titel van dit artikel was: “I’m a girl”. Wat fijn ook dat onder de kinderen van God zulke ‘girls’ zijn die hun hoop op God stellen en zich versieren met de innerlijke rijkdom van een zachtmoedige en stille geest, zoals omschreven in 1 Petrus 3 vers 1-6. Maar hoe zit het dan met de mannen?

Mannen

“Evenzo, mannen, woon met begrip met haar samen; geef de vrouw, als de zwakkere, haar eer; u bent immers ook mede-erfgenamen van de genade van het eeuwige leven; opdat uw gebeden niet verhinderd worden” (1 Petr. 3:7-9).

De mannen krijgen hier eveneens hun aanwijzingen! Zij worden opgeroepen om bij hen te wonen met verstand. Bij wie? Bij hun vrouwen. Hoe? Als bij een zwakker vat, het vrouwelijke. Een man die zijn vrouw liefheeft moet met zachtheid met haar omgaan, in liefde. Daartoe wordt een man nadrukkelijk opgeroepen door de Heilige Geest. Niet in bitterheid (Ef. 5:25; Kol. 3:19). Dat een man daartoe moet worden opgeroepen laat zien, dat hij juist daartoe gevaar loopt om haar liefdeloos en bitter te bejegenen. Dat geldt niet alleen de ongelovigen. Juist de gelovige man wordt hiertoe aangesproken.

En … moeten we dit niet erkennen, mannen, dat dit vaak ónze zwakheid is. Hiermee berokkenen wij onze vrouwen verdriet, soms veel verdriet. Zijn we ons dat bewust? God wil graag dat we haar eren in plaats van haar te negeren of te kleineren of op andere wijze jegens haar tekort te schieten. We behoren met onze vrouwen als met een zwakker vat om te gaan. Op zwakke vaten zijn we toch ook zuinig en die behandelen we toch ook voorzichtig. Als we nog met de hand afwassen, merken we dat bijvoorbeeld glaswerk voorzichtig behandeld moet worden. Overigens is dat best aan te bevelen, afwassen met de handen zonder een vaatwasmachine. Dan kun je heel rustig met elkaar spreken en heb je een poosje tijd voor elkaar om naar elkaar te luisteren, om de dingen te delen.

Bij een zwakker vat wordt dus aan het vrouwelijke gedacht. We moeten daarbij als mannen niet denken dat wij zo sterk zijn. Dat denken we misschien wel. Maar is dat wel zo? Zijn juist wij, mannen, ook niet vaak heel zwak? Hier wordt gesproken over het ‘zwakkere’. Zwakker dan de mannen dus. Goed, laten we dus met haar verstandig omgaan, omdat zij als ‘zwakkere’ wordt aangeduid. Dat betekent niet dat zij ‘watjes’ zijn. Er zijn heel veel vrouwen, zusters, die sterk in de Heer zijn en die voor ons mannen vaak tot voorbeeld zijn. Zijn het niet vaak de vrouwen die de huishouding ‘draaiende’ houden? Hebben zij ook niet vaak een gezond oordeel over veel praktische zaken? Als er ziekte is en de man tijdelijk ‘wegvalt’ (soms ook lang of zelfs helemaal wegvallen doordat zij ontslapen), komt alles op haar af. Hoe dikwijls blijkt dan, dat zij in de Heer krachtig zijn en het van Hem verwachten. Ja, zij verdient eer te ontvangen.

Hoe was dat ook weer bij die vrouw in Spreuken 31?

Laten wij, mannen, de ode aan de (huis)vrouw die we in het Woord van God vinden eens aandachtig lezen. Worden we dan niet stil? Maar ook u, vrouwen, zusters … het gaat met name over jullie …

Spreuken 31 (HSV):

10. Wie zal een deugdelijke vrouw vinden?
Haar waarde gaat die van robijnen ver te boven.
11. Op haar vertrouwt het hart van haar echtgenoot,
en bezit zal hem niet ontbreken.
12. Zij doet hem goed en geen kwaad,
al de dagen van haar leven.
13. Zij zoekt wol en vlas
en werkt volgens de wens van haar handen.
14. Zij is als schepen van een koopman,
zij laat haar voedsel van verre komen.
15. Zij staat op als het nog nacht is,
en geeft haar huisgezin voedsel,
haar dienstmeisjes het hun toegewezen deel.
16. Zij zet haar zinnen op een akker, en verwerft die,
van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard.
17. Zij omgordt haar heupen met kracht,
zij maakt haar armen sterk.
18. Zij merkt dat het met haar zaken goed gaat,
haar lamp dooft ’s nachts niet.
19. Zij steekt haar handen uit naar het spinnenwiel
en haar handen houden een weefspoel vast.
20. Zij opent haar hand voor de ellendige,
zij spreidt haar handen uit naar de arme.
21. Zij is niet bevreesd voor haar huisgezin vanwege de sneeuw,
want heel haar huisgezin is in scharlaken gekleed.
22. Zij maakt voor zichzelf dekens, mem
van fijn linnen en roodpurper is haar kleding.
23. Haar echtgenoot is bekend in de poorten,
als hij daar zit met de oudsten van het land.
24. Zij maakt onderkleding en verkoopt die,
zij levert de kooplieden gordels.
25. Kracht en glorie zijn haar kleding,
zij lacht de komende dag toe.
26. Zij doet haar mond open met wijsheid,
onderricht uit genegenheid ligt op haar tong.
27. Zij houdt de gangen van haar huisgezin in het oog,
en brood van de luiheid eet zij niet.
28. Haar kinderen staan op en prijzen haar gelukkig,
ook haar echtgenoot roemt haar:
29. Veel dochters hebben krachtige daden verricht,
maar jíj overtreft ze allemaal.
30. Bevalligheid is bedrieglijk en schoonheid vergankelijk,
een vrouw die de HEERE vreest, die zal geprezen worden.
31. Geef haar van de vrucht van haar handen
en laten haar werken haar prijzen in de poorten.

Laten wij daarom als mannen met verstand bij haar wonen, haar eer bewijzen. Zij is immers ook mede-erfgenaam van de genade van het leven; dát leven wat we van de Heer ontvangen hebben. Daaraan heeft zij ook deel, niet meer maar zeker ook niet minder! Als wij daarmee niet rekenen zullen onze gebeden verhinderd worden. Onze gemeenschap in de Heer zal dan verstoord worden. Onze gezamenlijke gebeden lijden schipbreuk. Dit is niet wat de Heer verlangt. Daarom … laten we met verstand bij haar wonen, haar eer bewijzen omwille van de Heer, omwille van haar.

Tot slot

Tot slot nog een opmerking over mijn eigen moeder. Eén van de dingen die mij als kind altijd erg troffen, was dat zij vaak zong als zij in de weer was in de huishouding. Zij zong liederen over de Heer terwijl zij aan het afstoffen was, of als zij met de was in de weer was. Als ik daaraan terugdenk ben ik haar daar nog altijd dankbaar voor, want het getuigde van haar geloof in haar Heer en Heiland. Als je vijf kinderen verliest, en je kunt dan nog zingen …. ja, zij was en is hierin voor ons een voorbeeld. Verschillende kenmerken van de moeder uit Spreuken 31 kon je bij haar terugvinden. Ja, ook zij had haar zwakheden en tekortkomingen. Maar haar vertrouwen in de Heer blijft me toch het meest bij, en dat wil ik ook graag blijven koesteren.

NOTEN:
1. Het woord ‘zachtmoedig’ verwijst naar een karaktertrek die getuigt van vriendelijkheid en goeiigheid. Iemand die zachtmoedig is, heeft een vriendelijk karakter en is zacht van aard. Zachtmoedige personen zullen een ander nooit opzettelijk schade berokkenen, aangezien dat tegen hun zachtmoedige aard indruist.
Personen die zachtmoedig zijn, zijn meegaand en welwillend. Ze zullen niet snel op hun strepen gaan staan en zullen problemen altijd vriendelijk en in goede verstandhouding proberen op te lossen. Door deze meegaandheid en welwillendheid zal een zachtmoedig persoon dan ook niet snel in een situatie van ruzie terechtkomen. Een zachtmoedig karakter wordt over het algemeen als positief ervaren door de omgeving.
De term zachtmoedig wordt ook veel gebruikt in het christelijke geloof, dat veel waarde hecht aan zachtmoedigheid. Zo is opgetekend dat Jezus en God beide zachtmoedig zijn, maar ook staat in het nieuwe testament dat Jezus sprak: “Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven” (Matth. 5:5). {ensie.nl}
* Bron: De eerste brief van Petrus, H.L. Heijkoop

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol