4 maanden geleden

Hulp in benauwdheden …

“God is ons een toevlucht en kracht; Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden” (Ps. 46:2).

In Psalm 46 worden ons twee waarheden voorgesteld, die van groot praktisch belang zijn voor gelovigen in elke bedeling. Ten eerste, gezien de revoluties en conflicten van een goddeloze wereld, worden we eraan herinnerd dat God een hulp is, “in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden” (vs. 2). Ten tweede, als we deze overvloedige hulp van God willen herkennen en gebruiken, moeten we het “opgeven” (of “kalm zijn”) en erkennen dat Hij God is (vs. 11). Alleen door geloof hebben we toegang tot deze waarheid. Het vlees rust op de arm van het vlees; maar het vlees kan God niet vertrouwen noch “opgeven” en God laten handelen.

Vers 2 stelt ons het hoofdthema van de Psalm voor: God is onze toevlucht, kracht en in hoge mate een hulp in benauwdheden. De verzen 3 en 4 beschrijven de problemen en onrust van de wereld waar we doorheen gaan. In de verzen 5 tot en met 12 vinden we de middelen waarmee God het geloof van Zijn volk versterkt, zodat zij in staat is “rustig te zijn” en erkennen dat God “in hoge mate een hulp [is] gebleken in benauwdheden”.

Vers 2: We moeten acht slaan op het kleine woord “ons” in het tweede vers. Het is waar dat God een toevlucht is, maar gelovigen mogen zeggen: “God is onze toevlucht”. De wereld heeft mensen van wie zij in tijden van verdrukking bescherming en begeleiding verwacht. De gelovigen vinden hun toevlucht bij God tegen de stormen en beproevingen van het leven. Bovendien is God onze “kracht” in zwakheid en “in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden”.

Om te erkennen, dat God een overvloedige hulp is, moet het geloof actief worden, want Gods hulp is niet altijd onmiddellijk zichtbaar. Soms moeten we wachten tot Zijn hulp wordt geopenbaard. Ons natuurlijke streven is om onszelf door onze eigen inspanningen uit onze nood te bevrijden en God laat ons, tot onze zegen, misschien zolang wachten tot we geleerd hebben, dat we absoluut geen kracht hebben om de beproeving te doorstaan, en dat ons niets over blijft dan rustig te zijn en te erkennen dat Hij God is.

Handelde de Heer zo ook niet met Martha en Maria, toen hun broer ziek was? Ze waren erg bezorgd en in hun nood was de Heer hun toevlucht. Ze keerden zich terecht tot Hem en stortten hun nood voor Hem uit. Ze zeiden: “Heer, zie, hij die U liefhebt is ziek”. De hulp van de Heer was werkelijk voorhanden, hoewel die niet onmiddellijk opdook. Na het dringende verzoek van de zusters te hebben gehoord, lezen we: “… bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was” (Joh. 11:3,6). Hij leek niets te doen. Hij wachtte tot de dood alle hoop op menselijke inspanning vernietigde en de twee zussen geen andere keus hadden dan rustig te zijn en te erkennen dat Hij God is.

Dit was werkelijk een beproeving van het geloof. Martha’s geloof was niet genoeg om “stil” daar te zitten, omdat we lezen: “Toen Martha dan ze hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet; maar Maria zat in huis” (vs. 20).

Dan zien we hoe genadig de Heer Zichzelf aan Martha openbaart als een overvloedige hulp bij beproevingen. Martha zegt: “Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag”. De Heer antwoordt: “Ik ben de opstanding” (vs.24,25). Dan dwalen Martha’s gedachten terug naar wat in het verleden over de Heer was besloten, want zij zegt: “Ja Heer, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, die in de wereld zou komen” (vs. 27). Ze geloofde in de grote dingen die de Heer de komende dagen zou doen; ze geloofde ook in de Heer in verband met alle raadsbesluiten van God in voorbij gegane tijden, maar haar geloof was niet sterk genoeg om stil te zijn en in de Heer als de grote “Ik ben” – de in hoge mate gebleken tegenwoordige Hulp in benauwdheden – te geloven.

Moeten we niet toegeven, dat dat ook al te vaak ons probleem is? We geloven in de kracht van God, die Hij in het verleden heeft geopenbaard en dat Zijn kracht in de komende dagen zal worden geopenbaard, maar we kunnen niet geloven dat God zo’n tegenwoordige Hulp is, dat we rustig kunnen zijn en kunnen wachten tot Zijn hulp wordt geopenbaard.

Vers 3 en 4: Het derde en vierde vers beschrijven de verdrukking die een “toevlucht” nodig maakt, “kracht” vereist en “hulp” nodig maakt. De wereld waarin de godvruchtige zich bevindt, is in beroering en verandering. Het water bruist en de bergen in de zee beven als gevolg van de storm. De Bijbel gebruikt vaak de zee en haar rusteloosheid als een symbool voor de volkeren in een staat van onrust (verg. Jes. 5:30). Horen we vandaag de dag nog steeds niet het bruisende water als we landen over de hele wereld zien opkomen, rebelleren en in conflict zijn? Oude orden en gevestigde regeringsvormen, die zo solide leken als bergen, worden door een golf van geweld en toenemende verdorvenheid van de mens overspoeld. Geen wonder dat “mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen” (Luk. 21:26). Maar de psalmist zegt: “Daarom zullen wij niet bevreesd zijn”, want “God is ons een toevlucht en kracht; Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden”.

Wat is het geheim van de kracht van het volk van God, wat hen in staat stelt om door deze angstaanjagende omstandigheden van de wereld te kunnen gaan zonder angst en waardoor ze, ondanks verandering en onrust, in staat zijn rustig te zijn en te erkennen, dat God een hulp is, “in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden”?

Vers 5 tot 7: Ten eerste versterkt God het geloof van Zijn volk door de verborgenheid van Zijn voornemen voor hen te ontvouwen. Op deze plaats wordt ons Gods voornemen in de rivier en in de stad van God voorgesteld: “De beekjes van de rivier verblijden de stad van God”. Door alle tijden heen – met haar veranderingen, omwentelingen en conflicten – stroomt de rivier van het welgevallen van God. Geen macht van de vijand, geen geweld en verdorvenheid van de mens, geen falen van de gelovigen kan God beletten Zijn eeuwige raadsbesluiten uit te voeren. Bedelingen komen en gaan; wereldrijken staan op en gaan ten onder; elk getuigenis dat God aan menselijke verantwoordelijkheid heeft toevertrouwd, wordt in de handen van de mensen geruïneerd. Maar bovenal staat het raadsbesluit van God, die Hij tot heerlijkheid van Christus en tot aardse en hemelse zegen voor Zijn volk zal uitvoeren.

Ten tweede verenigen zich alle zegeningen die God voor Christus en Zijn volk heeft voorzien, in de stad van God. Door het geloof kijkt de psalmist verder dan de troosteloosheid van het toenmalige Jeruzalem en ziet de stad in overeenstemming met de raadsbesluiten van God. Een stad van vreugde rijst voor zijn ogen op, een “heiligdom”, een stad die “niet zal wankelen” en in haar midden is God. Zo leeft ook de gelovige vandaag, ten aanschouwen van alle onrust en verwarring in de wereld om hem heen en ten aanschouwen van de verdorvenheid van het christendom, in het licht van de hemelse stad. We zien het “nieuwe Jeruzalem” – een stad van vreugde waar alle tranen worden afgewist, waar geen dood en geen rouw, geen geschrei en geen pijn meer zal zijn (Openb. 21:4). We zien ook, dat het een heilige stad is waar niets wat verontreinigd ooit zal binnenkomen. We zien dat het niet zal wankelen omdat het een stad met fundamenten is. Bovenal zien we, dat God in haar midden is, omdat we lezen dat de troon van God en het Lam in haar zal zijn. Ons geloof wordt zo versterkt door de stroom van Gods welgevallen en door “de stad die de fundamenten heeft, waarvan waarvan God ontwerper en bouwmeester is” (verg. Openb. 21; Hebr. 11:10).

Ten derde ziet de psalmist dat God de stad “bij het aanbreken van de morgen haar zal helpen”, ook als de heidenvolken tegen haar woedt. Over de hele wereld zien we de woede van de volkeren – het water bruist en schuimt en de bergen beven -, maar zo, dat de psalmist zou kunnen zeggen: “Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg”, zo wachten ook wij op de stem van de Heer, wanneer Hij ons zal toeroepen: “Sta op, Mijn vriendin, en kom, Mijn allermooiste!” (Hoogl. 2:13).

Vers 8: Ten vierde kunnen we met de psalmist in temidden van de donker wordende schaduwen van de nacht en tot het aanbreken van de dag zeggen: “De HEERE van de legermachten is met ons; de God van Jakob is voor ons een veilige vesting”. De HEER, aan Wie alle macht ter beschikking staat, en de God van de genade, die een arme, zwakke man als Jakob oprichten en zegenen kon, is met ons en is onze vesting. Wanneer de dag aanbreekt, zullen we bij Christus zijn in de heerlijkheid van die dag en met Hem leven. En omdat Hij zei: “Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten”, kunnen wij vrijmoedig zeggen: “[De] Heer is mij een helper <en> ik zal niet vrezen; wat zal een mens mij doen?” (Hebr. 13:5-6).

Vers 9 en 10: Ten vijfde, erkent de psalmist dat God Zelf alle kwaad in deze wereld in oordeel handelen zal. En na de “verwoesting” van het oordeel, zal Hij de zegen van Christus’ regering invoeren en de oorlogen doet ophouden tot aan het einde van de aarde. Mensen proberen door hun eigen inspanningen en wijsheid, door verbonden, verdragen en conferenties wereldwijde vrede te bereiken en een duizendjarig rijk van welvaart zonder God en zonder Christus te vestigen. De christen weet dat zijn zegeningen verbonden zijn met de stad van God en dat God in oordeel met alle kwaad van deze wereld handelen zal. Daarom weigert hij betrokken te zijn bij de vergeefse inspanningen van de mens om een einde te maken aan de onrust in de wereld.

Opdat we in het aangezicht van zoveel dingen die het menselijk hart beangstigen, bevrijd kunnen worden van alle angst, worden we onderwezen in het verborgen voornemens van God, dat niet falen kan. We zien in geloof de stad van God voor ons, in al haar stralende heerlijkheid en schoonheid; we verwachten het aanbreken van de dag; en in de tussentijd hebben we de Heer bij ons, Die ons bevrijdt van alle angst en Die voor elke storm een vesting is. We weten bovendien, dat God op Zijn tijd de boosheid van de mens zal oordelen en wereldwijde vrede zal invoeren.

Vers 11 en 12: Alleen als we met een levendig geloof in ons hart vasthouden aan deze grote waarheden, zullen we in staat zijn temidden van de rusteloosheid van de wereld rustig te zijn – zoals de Heer Zelf, die in temidden van de storm kon slapen. We lopen het risico dat we in het licht van toenemende boosheid te veel bezig zijn met gebeurtenissen in deze wereld, de stad van God uit het oog verliezen en ons daardoor laten verleiden, om aan de inspanningen van mensen om het kwaad te bestrijden deel te nemen. Zo te handelen betekent God uitsluiten en proberen het kwaad te bestrijden met menselijke wijsheid en kracht.

Als dergelijke inspanningen succesvol waren, zou dit alleen maar ertoe leiden, dat de mens zichzelf verhoogt. Onze rol bestaat daarin, om rustig te zijn en op Gods handelen tot Zijn eigen verheerlijking te wachten, want Hij heeft gezegd: “Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken, Ik zal geroemd worden op de aarde”.

Alleen als we “opgeven”, blijven we ons ervan bewust dat de Heer met ons is, onze ”toevlucht en kracht; … in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden”.

Hamilton Smith; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 23.04.2014.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW