14 jaar geleden

Hoofdschap en hoofdbedekking (III)

We gaan weer verder met dit onderwerp uit 1 Korinthe 11 (zie ook nummer 38 en 39) dat lijnrecht ingaat tegen de geest van deze tijd. Als het over deze dingen gaat, is men bijzonder snel bereid om het af te doen met “middeleeuws” of “onderdrukkend” of “niet meer van deze tijd”. Toch kent de Bijbel gewoonten (inzettingen, zie 1 Korinthe 11:2). Deze zouden wij daarom ook moeten kennen en ons daaraan ook moeten onderwerpen. Tradities zijn namelijk per definitie niet verkeerd, zoals vandaag, helaas ook onder kinderen van God gepropageerd wordt. Dingen die God ons heeft overgeleverd door middel van de apostelen, moeten door ons vastgehouden worden. Ik noem u twee voorbeelden. Het eerste voorbeeld: “Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften … (1 Korinthe 15:3). Als je dit los laat, bent u nog in uw zonden en zult u voor eeuwig verloren gaan. Er zijn echter ook dingen die vastgehouden moeten worden, die niet met onze “eeuwige” behoudenis van doen hebben. Daarover – onder andere – gaat in dit artikel de volgende traditie: Het beantwoorden aan en het handelen in overeenstemming met datgene wat de natuur leert.

Citaten over hoofdschap en hoofdbedekking

uit: “Aantekeningen over de eerste brief aan de Korinthiërs” door W. Kelly (1 Korinthe 11:3-16).

Dit is een meest karakteristiek voorbeeld van de wijze, waarop de apostel een zaak van orde behandelt. Hij ontleent de oplossing uit de grondbeginselen, die onthuld zijn door Goddelijke uitdeling vanaf het begin. Het is een bewonderenswaardige wijze van het regelen van vragen, niet alleen maar door theoretisch gezag, ook niet door zijn positie, maar door mededeling van andere wegen van God in de schepping en vooruitziendheid, welke de bewondering evengoed als de onderworpenheid van zijn hart opwekte. Het is geen vraag van een nieuwe schepping. Daar verdwijnt elk onderscheid. “Daar is geen Jood of Griek; daar is geen slaaf of vrije; daar is geen man of vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus” (Galaten 3:28).

Maar hier op aarde is er een betrekkelijke orde van God opgericht; en zo is de man het hoofd van de vrouw; zo is Christus het hoofd van iedere man, en God is het hoofd van Christus.

Het zou een nog gevaarlijker onwaarheid zijn, deze woorden te gebruiken om Christus in diskrediet te brengen, dan zich af te wenden van hun door de onderworpenheid van de vrouw aan de man te ontkennen. De Christus wordt als zodanig gezien, niet in Zijn eigen innerlijke, persoonlijke heerlijkheid, of in verbinding met de Goddelijke natuur, maar in de plaats die Hij binnenging en innam als de Gezalfde. God is daarom het hoofd van de Hoogste; en zo is de vrouw gebonden de plaats in te nemen die haar door God gegeven is, dus behoort de man op passende wijze zijn eigen toegewezen plaats te vervullen.

Het principe wordt gebruikt om sommige Christelijke vrouwen in Korinthe terecht te wijzen, die de grenzen van gepastheid overschreden. De apostel neemt de gehele zaak, en ook de fouten van de man in dezen, hoewel het schijnt dat het alleen een vraag voor het andere geslacht was. Want een man die zijn hoofd bedekt heeft, geeft een verkeerde voorstelling van zijn getuigenis voor Christus; zo zal een vrouw niet zijn. Het wordt niet beweerd op grond van gewoonten, eerbaarheid, of iets dergelijks, maar op de feiten die door God geopenbaard zijn.

Het zou het teken zijn van gezag dat door de vrouw overgenomen is, van de door de man opgegeven gezag. Een vrouw zonder bedekking is gelijk een man, zonder metterdaad het te zijn. Het is ook het afstand doen van – in zoverre de handeling gaat – de onderworpenheid die zij verschuldigd is aan de man; het is één en hetzelfde, alsof zij geschoren was. Laat haar maar ook het haar afknippen, zegt de verontwaardigde apostel van de Heer; maar als het voor een vrouw schande is, zich het haar te laten afknippen, voegt hij er aan toe, dan moet zij zich dekken (vers 2-6).

Er is nog meer wat duidelijkheid geeft in de zaak betreffende de man en de vrouw in de volgende verzen (vers 7-12). Op deze manier wijst de apostel aan, dat de man direct bekleed is als het beeld en de heerlijkheid van God: de vrouw is de heerlijkheid van de man en heeft niet zo’n plaats van openlijke vertegenwoordiging voor God. Wat zij toch betrekkelijk heeft, is bemiddelende en afgeleide werkelijkheid. De schepping is het bewijs, natuurlijk niet de gewone gang van zaken sindsdien. Het is daarom onmogelijk een juiste beoordeling te vormen, zonder naar het begin te zien. Wanneer vers 7 dan verwijst naar de oorsprong van respectievelijk de man en de vrouw, vermeldt vers 8 de schepping van de vrouw voor – en later dan – de man, als grond voor de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man. Het is eenvoudig te zien, dat waar de schepping ontkend wordt, of ook niet willen weten, mensen op natuurlijke wijze spreken en werken aan hun goede eigenschappen.

Maar er is een ander overweging die slechts vertrouwen kon krijgen – het getuigenis van de Goddelijke orde die door de man en de vrouw behoren gegeven te worden aan deze geestelijke dingen, die bekend maakt over het hebben van de meest vertrouwelijke verbinding met de erfgenamen die verlost zijn. “Daarom moet de vrouw een macht1 op het hoofd hebben, terwille van de engelen” (1 Korinthe 11:10; vergelijken met Efeze 3:10). Dit is een gedachte die helemaal misverstaan wordt door het merendeel van de uitleggers, die afgedwaald zijn; sommigen tot vernederende gedachten over slechte engelen, anderen – Christelijke profeten, voorgangers van gemeenten … – die het Woord verlagen door zichzelf te rechtvaardigen.

Zo heeft ook de uitdrukking: “macht op het hoofd” aanleiding gegeven tot eindeloze discussies. Macht op het hoofd te hebben betekent ontegenzeggelijk het teken te dragen van een bedekking of sluier. Aan de andere kant – in vers 11 en 12 – is de apostel vol zorg door aan te dringen op het gemeenschappelijke van de man en de vrouw, hun onafhankelijkheid van elkaar te ontkennen; God bevestigt de oorsprong van hen elk voor zich, en van alle dingen. Verder doet de apostel een beroep op het onderscheidingsvermogen van welvoeglijkheid, gegrond op de samenstelling van de man en vrouw beide. “Oordeelt zelf: is het betamelijk dat een vrouw ongedekt tot God bidt? Leert ook de natuur zelf u niet, …” (vers 13). Als het natuurlijk is voor de man kort haar te hebben en voor de vrouw lang haar te hebben, is het dan niet een in opstand komen tegen de natuur van ieder door dit in de praktijk om te keren? De schepping van God moet regeren waar het Woord van Zijn genade de hogere dingen niet noemt, en dit kan hier niet misverstaan worden.

Tenslotte, het is geen kleinigheid om de gewoonte van de gemeenten, door apostolische wijsheid geregeld, te niet te doen, en de apostel pakt dit met grote morele kracht aan.

“Doch als iemand lust heeft tot twisten, wij hebben zulk een gewoonte niet, evenmin de gemeenten van God” (vers 16). Het is een minachtende manier van onafhankelijkheid, die zichzelf verheft, niet alleen tegen de geestelijke gevoelens van al het openlijke getuigenis in de gemeenten van God, maar is ook gericht tegen allen die hemelse wijsheid ontvangen hebben. Het is noch geweten noch geestelijk leven, maar vleselijke liefde dat zich onderscheid van anderen, en wel op grond van pure ijdelheid. De “gewoonte” te verwerpen, hield in dat de Korinthiërs de vernieuwing erkenden die de orde van God in de natuur verwarde; niet twistziek, zoals vele oude en moderne onbekendheden concluderen.

(Slot)

W. Kelly

NOOT VERTALER:
1. Dit is een teken van de macht (van het gezag) waaronder zij staat.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW