2 jaar geleden

Hier ben Ik, zend Mij

Het is een groot verschil, dat is ingeklemd in het zesde hoofdstuk van Jesaja: van een “Wee mij, want ik verga!” naar “Zie, hier ben ik, zend mij!” (Jes. 6:5,8).

En daartussen ligt een indrukwekkende ervaring, waardoor de profeet veranderd wordt. In het gezicht dat hij ziet, komt een seraf, die zijn lippen aanraakt met een brandende kool uit het altaar, en zegt: “Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt. Zo is uw misdaad van u geweken en uw zonde verzoend” (Jes. 6:7).

Onreine lippen

Het is niet een of andere zondaar, die met het oog op de heiligheid van God  uitroept: “Wee mij!”, maar een door God geroepen profeet, die al aan zijn dienst was begonnen (verg. hfdst. 1:1 met  hfdst. 6:1). Maar de opdracht die God nu voor hem had, vereist een bijzondere voorbereiding. In een gezicht verschijnt God aan hem in een nooit bevroede heerlijkheid. Zelfs de hoogste hoogwaardigheidsbekleders die God omringden, de serafs, bedekten hun gezichten en riepen elkaar toe: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten” (vs. 3). “Geen mens kan Mij zien en in leven blijven”, had God tegen Mozes gezegd, en ook Gideon wist het en was doodsbang, toen hij de engel van de Heer ontmoette (Ex. 33:20; Richt. 6:22,23). Zo kunnen we de gevoelens van Jesaja goed begrijpen, als hij zegt: “Ik verga”.

Maar naast het fundamentele bewustzijn van de eigen onwaardigheid voor de heerlijkheid van God richten de gevoelens van de profeet zich op een heel specifiek punt. Jesaja vraagt zich – diep onder de indruk van de reine en hoge lofprijzing van de serafs – af: Hoe kan iets van mijn lippen komen dat God welgevallig is, daar ze niet reiner zijn dan die van de mensen om mij heen, die zo veel met hun lippen zondigen? Met welk recht kan ik eigenlijk tegen deze mensen het Woord van God spreken?

De gloeiende kolen

Vuur betekent oordeel van God; en op het altaar betekent het, dat het oordeel het slachtoffer getroffen heeft en dat daarom de zonde is verzoend. Zo onverbiddelijk is het oordeel, dat de seraf alleen met de tang in het vuur komen kan. Maar wat daaruit voortkomt, is zegen: de gloeiende kolen “in de hand” van de seraf kunnen “de mond” van de profeet aanraken. “Zo is uw misdaad van u geweken en uw zonde verzoend”. Deze mond is nu geheiligd om de boodschap van God uit te spreken. Wij begrijpen dat de profeet een gezicht ziet van hemelse dingen, en toch geeft het aardse altaar van Israël ons die uitleg.

Geheiligde lippen

Heeft de ontzagwekkende verschrikking van Jesaja ook onze harten al eens bewogen? “Wij dan gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus” (Rom. 5:1), dat is waar.

En in deze vrede treden we zonder angst als aanbidders voor God, onze Vader. Maar zou het niet heel goed kunnen, dat we soms uit gewoonte hoge dingen zeggen, en eraan voorbij zien hoezeer de “gloeiende kool” van het altaar voor onze lippen nodig is? Het gaat hier over praktische godsvrucht, om een diep besef van onze eigen onwaardigheid voor God.

Geheiligde lippen spreken eenvoudige woorden. En als we soms al tastend de juiste uitdrukking moeten zoeken, moet dat niemand ontmoedigen om zijn mond te openen, want God komt aan onze zwakheid genadig tegemoet. Maar wanneer de ernst van het offer van Christus indruk op ons maakt, zullen we ook in dit opzicht “niet op hoge dingen zinnen”.

Geheiligde lippen geven nederigheid te kennen. Hoewel de aanbidder niet in het stof voor God ligt als een verloren zondaar, past toch diepe nederigheid degenen die als priesters dienend voor Hem staan. Alleen het feit dat de Heer Jezus het “vuur” van Gods oordeel voor mij verdroeg, geeft me het recht “een woord voor God uit te spreken”. Dit bewustzijn moet heel diep in ons zijn.

Geheiligde lippen spreken van Hem en niet van ons. “Dit zei Jesaja omdat hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak”, wordt er later gezegd over de aansluitende, zo ernstige boodschap van de profeet aan het volk (Joh. 12:41).

“Zie, hier ben ik, zend mij!

Plotseling ligt er de vraag van de Heer: “Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor ons gaan?” (Jes.6:8). God richt zich niet tot Jesaja: Wilt u voor ons gaan? Nee, Hij is op zoek naar een vrijwillige boodschapper, en de man die tevoren nog het “Wee mij!” uitgeroepen had, durfde nu te zeggen: “Zie, hier ben ik, zend mij!” De “gloeiende kool” van het altaar heeft zijn werk gedaan. Geheiligde lippen zijn bereid om woorden van God te spreken: profetie, niet door de wil van de mens naar voren gebracht, maar van God komend. Voor Jesaja was het geen “winstgevende boodschap”, zoals men uit plaatsen als Jesaja 49 vers 4 en 53 vers 1 opmaken kan. Maar hij deed het voor de eer van God. Hoeveel lijkt hij daarin op die “Grotere”, van Wie hij een zwak beeld zijn mag!

Zijn ook wij bereid om op de roep van God te antwoorden? Bereid ook om het impopulaire woord te zeggen, als de waarheid het vereist? Hoe nodig zijn dan de deugden, die alleen de “gloeiende kool” van het altaar kan overbrengen: goddelijke voorbereiding, reinheid, eenvoud, nederigheid en de bereidheid om miskend te worden! Alleen het diep besef van wat onze Heer in het vuur van het oordeel voor ons verdragen heeft, kan ons daartoe bekwaam maken en ons daarvoor beschermen, dat de “wil van de mens” zich daarin mengt.

Een groter dan Jesaja

Verschillende malen hebben we waarschijnlijk aan de tafel van de Heer het achtste vers: “Hier ben ik, zend mij!” gelezen, om de vrijwillige bereidheid en  toewijding van de Heer Jezus tot uitdrukking te brengen, die Hem bewoog het raadsbesluit van God te vervullen. Ja, het “wie” van God kon slechts één antwoord vinden: het “Hier ben Ik” van Hem, Die het eeuwige “Woord” is. Slechts Hij kon zeggen: “Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem die Mij heeft gezonden en Zijn werk volbreng” (Joh. 4:34). Alleen de geur van Zijn vrijwillige overgave, die van het altaar van het kruis omhoog steeg, kon Gods volkomen welgevallen vinden. Dat verheft onze harten steeds weer en laat ons aanbidden.

Toch moeten we niet zwichten voor het idee dat de raadsbesluiten van God zo tot stand gekomen zouden zijn, dat de Vader een plan opvatte en dan de vraag stelde: “Wie zal Ik zenden?”, waarna in een zekere mate een zucht van verlichting door de hemel ging, toen de Zoon zich bereid vond. “Ik en de Vader zijn één” (Joh. 10:30), dat was al van eeuwigheid af zo. Het raadsbesluit van God is zonder de Zoon helemaal ondenkbaar. Christus is niet alleen de Vervuller van dit raadsbesluit, maar ook het onderwerp. God heeft ons uitverkoren “in Hem” en ons voorbestemd tot het zoonschap “door Jezus Christus”. En “alles onder één hoofd samen te brengen in Christus”, dat heeft de Zoon uitdrukkelijk voorondersteld (Ef. 1:4,5,10).

Hier hebben we een voorbeeld daarvoor, dat men bij de toepassing van Oudtestamentische gedachten het kader van het beeld niet overschrijden mag. In de gelijkenissen van het Nieuwe Testament is dat overigens ook zo. De Geest van God wil ons door middel van dergelijke beelden een heel specifiek gezichtspunt voorstellen. Dit moeten we erkennen en we mogen in onze interpretatie daar niet boven uitgaan.

Wat de wereld-godsdiensten loochenen, is dat God een Zoon heeft; wat valse leraren ontkennen, is dat Christus de eeuwige Zoon is, in de schoot van de Vader, maar toch in de wereld kwam en tot de Vader terugkeerde: dat is de basis voor de raadsbesluiten van God en voor ons aanleiding tot een voortdurende aanbidding.

Ernst Eugen Hücking, © Bibelpraxis.de

Erschienen in: Ermunterung und Ermahnung, 1995, S.226

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol