12 maanden geleden

Het spreken in talen … tongen

Schriftplaatsen:

1 Korinthe 14 vers 20-22; Markus 16 vers 17.18; Handelingen 2 vers 1-36; Handelingen 10 vers 44-48; Handelingen 19 vers 1-7.

Ongeveer 100 jaar geleden werd het “spreken in talen” in het christendom weer populair. Je ziet daarbij vaak de heropleving van de krachtige gave, die ten tijde van de apostelen werkzaam was. Maar wat te denken van dit hedendaagse “spreken in talen”? Hoe moet dit fenomeen aan de hand van de Bijbel {de Heilige Schrift} beoordeeld worden?

Toen de Pinksterdag vervuld werd, kwam de Heilige Geest neer op aarde. Op deze dag spraken de discipelen voor het eerst in nieuwe talen: zij konden door Gods macht opeens in talen spreken, die ze niet geleerd hadden.

Vandaag verstaat men onder het spreken in talen vaak een extatisch spreken in een onbegrijpelijke taal. Dit “spreken in tongen”, wat meestal een lallen en lawaai maken is, moet zoals vaak wordt gezegd, voor hun eigen opbouwing belangrijk zijn en blijvend bewijzen dat men de Heilige Geest bezit.

Onverstaanbare klanken?

Men spreekt vandaag graag van een “spreken in tongen” en vermijdt de betere term “spreken in talen”. Dit maskeert het feit, dat het bij het spreken in talen eigenlijk om echte talen gaan moet. De term die voor het spreken in talen in de oorspronkelijke Griekse tekst gebruikt wordt (glossa), betekent nergens in het Nieuwe Testament een onverstaanbare “wartaal”. We vinden glossa in de zin van “talen” bijvoorbeeld in Openbaring 5 vers 9. “En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal [glossa] en volk en natie”. Het gaat op deze Schriftplaats duidelijk om de verschillende talen, die in de wereld gesproken worden.

Dat het bij het spreken in talen in de Bijbel om echte talen gaat, maakt ook 1 Korinthe 14 vers 20-22 duidelijk. Daar citeert Paulus uit Jesaja 28: “Ik zal in andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt [de] Heer”. Het thema in Jesaja 28 is dat de Israëlieten wegens hun ontrouw de taal van een vreemd volk te horen zouden krijgen: de taal van de Assyriërs die hun land zouden veroveren. Deze vreemde taal van de Assyriërs was een teken van Gods oordeel over Zijn volk, dat geen aandacht aan de profeten besteed had.

Om de onverstaanbare klanken bij het (huidige) “spreken in tongen” te rechtvaardigen, wordt ook gezegd dat het daarbij om een taal van de engelen gaat, waarmee ook Paulus naar verluidt gecommuniceerd heeft: “Als ik in de talen van de mensen en van de engelen spreek, maar ik heb geen liefde, dan ben ik klinkend koper … “ (1 Kor. 13:1). Afgezien daarvan, dat de taal van de engelen niet tot een gestamel verlaagd zou worden, zegt het geciteerde vers niet dat Paulus daadwerkelijk in de taal van de engelen sprak. Paulus wil veeleer zeggen: ‘Stel dat ik alle talen van de wereld en zelfs de taal van de engelen zou spreken, zou dit niets waard zijn zonder liefde’. Bij alle voorbeelden in de eerste drie verzen in 1 Korinthe 13 spreekt Paulus van mogelijkheden en niet van de werkelijkheid. Paulus bezat niet eens alle kennis (vergelijk vers 2 met vers 9), en hij heeft ook niet zijn lichaam overgegeven om zich te beroemen1 (vs. 3). Het zijn hypothetische veronderstellingen die op indrukwekkende wijze moeten tonen, dat ook de grootste gave of de meest toegewijde dienst zonder liefde waardeloos is.

Dialecten van het oerwoud?

Jaren geleden vroeg ik een christin uit de charismatische beweging, die enthousiast was over “het spreken in tongen”, in welke taal ze dan daarbij spreken. Zij antwoordde: “Moeilijk te zeggen, het gaat zo in het Hebreeuws of Chinees in elkaar over”. In één woord: het was koeterwaals. Maar ze probeerde het met echte talen te verbinden.

Wordt bij het “spreken in tongen” in moeilijk verstaanbare of weinig bekende talen gesproken? Zijn het misschien bepaalde dialecten van het oerwoud? Is dat de reden waarom de woorden niet begrepen worden? Dat is geen goede verklaring. Want als de gave van het spreken in talen er vandaag nog zou zijn, zou ook de gave van uitleg van talen nog aanwezig zijn, zodat het “spreken in talen” in de samenkomsten van de gemeente vertaald en toegelicht zou kunnen worden (verg. 1 Kor. 14:27-28). Maar waar gebeurt dit  op een geloofwaardige en transparante wijze? Dat zou het geval zijn, wanneer bijvoorbeeld twee uitleggers onafhankelijk van elkaar uit het gestamel van het huidige “spreken in tongen” hetzelfde “beluisteren” konden.

Een broeder in Christus, die tien jaar lang het “spreken in tongen” intensief gepraktiseerd had, schreef in een boek dat hij in deze jaren het niet had meegemaakt, dat hij zelf of iemand anders in een echte, bestaande taal gesproken had. Deze eerlijke verklaring spreekt een duidelijke “taal”!

De aankondiging (Markus 16)

Het spreken in talen komt in het Nieuwe Testament op deze plaatsen voor: Markus 16, Handelingen 2, 10 en 19 en in 1 Korinthe 12 tot en met 14. Laten we eens kijken bij deze Schriftplaatsen.

De Heer, Die Zelf niet in talen gesproken heeft, kondigt dit teken aan: “Hen nu die geloven, zullen deze tekenen volgen: In Mijn naam zullen zij demonen uitdrijven, in <nieuwe> talen zullen zij spreken, <en met hun handen> zullen zij slangen opnemen, en als zij iets dodelijks drinken, zal het hun geenszins schaden; op zieken zullen zij [de] handen leggen en zij zullen beter worden” (Mark. 16:17,18). Deze tekenen, zoals het spreken in “nieuwe talen”, moesten het evangelie bevestigen, dat in de hele wereld gepredikt werd (Mark. 16:15; verg. Hebr. 2:4).

Wanneer deze tekenen er vandaag nog zouden zijn, moesten alle vijf tekenen aanwezig zijn, die in Mark 16 genoemd worden. Het is niet toegestaan om het spreken in talen afzonderlijk te behandelen, door te beweren dat iedere christen in talen zou moeten spreken. Waar wordt dan iets dodelijks gedronken, zonder dat er iets gebeurt? Of waar pakt men vandaag onbeschadigd giftige slangen aan? In de tijd van de apostelen werden slangen daadwerkelijk “opgenomen”, zonder dat er iets gebeurde (Hand. 28:3-6) – en er werd ook in nieuwe, andere talen gesproken.

Het historische verslag (Handelingen 2,10,19)

Handelingen 2 vers 1-36: De Heer Jezus had na Zijn opstanding aangekondigd, dat de Heilige Geest binnen enkele dagen uitgestort zou worden en dat de de discipelen in de kracht van die Geest Zijn getuigen tot aan de einden der aarde zouden zijn (Hand. 1:8). Toen de dag van het pinksterfeest vervuld werd, kwam de Heilige Geest naar beneden en kwam in de vergadering (gemeente) en in elke gelovige wonen (Hand. 2:1-4). Tot op dat moment waren er geen christenen uit de volkeren. God werd dan ook (overwegend) in de Hebreeuwse of in de Aramese taal vereerd. Maar binnen korte tijd zou God in vele talen geprezen worden. Van deze geweldige waarheid werd al op de Pinksterdag getuigenis gegeven: De Joodse discipelen spraken in andere talen over de grote daden van God, zoals de Geest van God het hen ingaf. De toehoorders, die hun eigen taal hoorden, vroegen zich in verbazing af: “Hoe horen wij [hen] dan ieder van ons in zijn eigen taal waarin wij geboren zijn” (vs. 8-11). Voor anderen, die hun eigen taal of hen bekende dialect niet hoorden, waren de woorden van de discipelen onbegrijpelijk. Ze meenden dat de discipelen te veel wijn gedronken hadden (vs. 13). Petrus stelde daarna dan duidelijk, dat dit een werking van de Heilige Geest was, die ervoor zorgde dat de discipelen in werkelijk bestaande talen spreken konden, die ze voorheen niet geleerd hadden.

In Handelingen 10 vers 44-48 komt voor de tweede maal het spreken in talen voor. Nadat de innerlijke weerstand van de Joden door Petrus door een goddelijke gezicht overwonnen was, bezocht hij een man uit de volken om hem het evangelie te brengen. Cornelius en anderen namen de boodschap in geloof aan. Zij ontvingen de Heilige Geest en begonnen in talen te spreken en God groot te maken. God had het zegel van bevestiging op de verkondiging van het evangelie aan de volkeren gedrukt! Toen Petrus de sceptische Joodse broeders deze ervaring berichtte had dit tot gevolg: “… en zij verheerlijkten God, zeggende: Dus ook aan de volkeren heeft God de bekering tot het leven gegeven” (Hand. 11:18). Zij konden door het teken van het spreken in talen onderkennen, dat God hen die uit de volken waren de Heilige geest gegeven had – net als aan hen.

In Handelingen 19 vers 1-7 lezen we van de apostel Paulus, dat hij in Efeze joodse discipelen ontmoette, die het evangelie van de verlossing door de gekruisigde en verheerlijkte Heer niet kenden en daarom niet  met de Heilige Geest verzegeld waren (Ef. 1:13). Ze wisten niet eens, dat de Heilige Geest op de aarde gekomen was. Deze discipelen waren opnieuw geboren – maar nog geen christenen. Toen Paulus hen het volle evangelie predikte, namen ze het graag aan. Nadat ze gedoopt waren en Paulus hen de handen had opgelegd, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken in talen en profeteerden.

Het spreken in talen bij deze drie gelegenheden was blijkbaar iets bijzonders – het waren gebeurtenissen van baanbrekende betekenis. In Handelingen 2 kwam de Geest op aarde, en het evangelie werd om zo te zeggen legaal (de jure2). In Handelingen 10 bereikte het evangelie daadwerkelijk (de facto3) de volken: Cornelius vernam door de apostel van de Joden, Petrus, het evangelie (Hand. 15:8,9). In Handelingen 19 zien we, hoe de apostel van de heidenen, Paulus, het evangelie verkondigde aan diegenen hun vertrouwen stelden in het werk van de Heer Jezus, die alleen maar het onderwijs van Johannes de Doper kenden.

Opvallend is dat allen die de Geest ontvingen en in talen spraken, al enige tijd gelovige, vrome en wedergeboren mensen waren (de discipelen van de Heer; de gelovige Cornelius; de discipelen van Johannes). Het spreken in talen markeert daarmee duidelijk de overgang van het Oude Testament naar het Nieuwe Testament, van de wet naar de genade: Nu, in deze bedeling, bezitten de gelovigen, uit welke achtergrond ze ook vandaan komen, zonder onderscheid de Heilige Geest, en ze vormen allen het ene lichaam van Christus. Dat was iets, wat vooral de Joden leren en begrijpen moesten, omdat ze op een door God gegeven godsdienst steunen konden, die God nu terzijde stelde. God maakte dat duidelijk door het spreken in talen.

De leerstellige beschouwing (1 Korinthe 12-14)

In Handelingen hebben we gezien, dat bij bijzondere gelegenheden collectief in talen gesproken werd. In de brief aan Korinthe gaat het ook over het spreken in vreemde talen – maar het gaat om gaven, die individuen bezaten en uitoefenden (1 Kor. 12:10,28). De retorische vraag van de apostel in 1 Korinthe 12 of allen in talen spraken (vs. 30), moet uiteraard ontkend worden. Daarom is de veel gehoorde bewering, dat alle christenen in tongen moeten spreken, niet houdbaar.

In 1 Korinthe 13 wordt het spreken in tongen genoemd. Met de verklaring in vers 1 hebben we ons al beziggehouden, zodat we ons hier beperken kunnen tot vers 8: “De liefde vergaat nooit; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden”. Profetie en kennis zullen weggedaan worden – dat gebeurt wanneer de volmaaktheid van de hemel voor de gelovigen werkelijkheid wordt (vs. 9,10). Van de talen echter wordt gezegd, dat zij zullen ophouden. Het woord in de grondtekst, dat met “ophouden” vertaald werd, betekent ook “langzaam verdwijnen”. Dus het is iets, dat langzaam ophoudt en verdwijnt. In Handelingen 20 vers 1 wordt dit woord gebruikt met het oog op een tumult, dat oploste. En zo houdt de gave van het spreken in talen langzaam op en verdwijnt uiteindelijk helemaal. In tegenstelling daarmee, weten we dat andere gaven blijven zullen – “… totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God” (Ef. 4:11-13).

In 1 Korinthe 14 gaat Paulus uitvoerig in op het spreken in talen en vermaant de vleselijke Korinthiërs, de gave van het spreken in talen in de samenkomsten als gemeente juist te gebruiken. Laten we eens kijken naar een paar wezenlijke punten en zien, in hoeverre ze vandaag bij het (vermeende) spreken in tongen worden waargenomen:

  • Het profeteren is belangrijker dan het spreken in talen, omdat het direct  tot opbouw van de toehoorders dient (vs. 1-5). – Het spreken in talen wordt vandaag soms een betekenis toegemeten, zoals het zelfs niet aan het begin van het christendom, toen de gave gegeven werd, gehad heeft.
  • Het spreken in talen is alleen zinvol, wanneer het uitgelegd en daarmee door de doelgroep begrepen wordt (vs. 6-19). – Een ondefinieerbaar gebrabbel, wat niemand begrijpt, kan aan dit belangrijke criterium niet voldoen.
  • Het spreken in talen is een teken voor ongelovigen, waardoor God duidelijk maakt dat dit nieuwe evangelie van Hemzelf komt, en ook dat God Zich van Zijn aardse volk afgewend en Zich tot de volken toegewend heeft (vs. 20-22). – Het is vandaag volledig duidelijk, dat God de volken de bekering ten leven gegeven heeft. Het teken van het spreken in talen is daarom niet meer nodig.
  • Een boodschap dat niemand begrijpt, is zinloos en verwart onwetende bezoekers (vs. 23-25). – Hoevelen, die in het christelijk geloof geïnteresseerd waren, zijn door het gebrabbel van de “tongensprekers” afgeschrikt?
  • In een samenkomst moeten hoogstens drie achter elkaar in talen spreken en ook alleen dan, wanneer het uitgelegd wordt (vs. 26-33). – Een gebrabbel van stemmen in een christelijke bijeenkomst is niet in overeenstemming met de gedachten van God. De reden, dat dit een persoonlijk gebed tot God zou zijn, heeft geen zin, omdat het samenkomen als gemeente juist niet voor het persoonlijke, maar voor het gemeenschappelijk gebed is bedoeld.
  • Vrouwen moeten in de christelijke samenkomsten zwijgen (vs. 34-36). Het is hen dan ook niet toegestaan om in talen te spreken. – Maar juist bij het “spreken in tongen” spelen vrouwen vandaag een belangrijke rol.
  • Het moet alles welvoeglijk en met orde gebeuren (vs. 37-40). – Waar mensen in extase gedreven worden, ontstaat echter onrust en wanorde.

Het spreken in talen vandaag?

“Maar is God dan niet machtig” zo wordt gevraagd, “ook vandaag nog taalwonderen tot stand te brengen?” Zeker, God zou dat kunnen doen, maar de vraag is of Hij het wil. We moeten duidelijk zijn over het feit dat God bijzondere tekenen voor bijzondere tijden gereserveerd heeft. Denk maar aan de wolk- en vuurkolom, die het volk van Israël gedurende hun omzwervingen in de woestijn – van Egypte naar Kanaän – zien kon. Zoals eeuwen later Joden uit de Babylonische ballingschap naar hun eigen land terugkeerden, waren deze zichtbare wegwijzers door goddelijke macht er niet. God werkte aan het begin van de geschiedenis van Zijn volk dit dagelijkse wonder, maar later, in dagen van vernedering en zwakte, niet meer.

De zogenaamde kerkvader Augustinus (354-430 n Chr.) schreef met het oog op de tekenen en wonderen in het begin van het christendom: <<Het waren voor hun tijdsperiode aangepaste tekenen. Zij dienden ertoe om de komst van de Heilige Geest aan de mensen van alle talen aan te kondigen, om te bewijzen dat Gods evangelie in alle talen van de wereld gepredikt moest worden. Dit teken gebeurde om iets aan te kondigen, daarna verdween het>>.

Het “spreken in tongen” vandaag is in mijn ogen een mislukte en misleidende imitatie van de gave van God aan het begin van de christelijke jaartelling. De basis voor het moderne “spreken in tongen” met zijn onverstaanbare klanken zijn groepsdynamiek, manipulatie, hypnose, suggestie, auto-suggestie, demonische kracht of geleerde gewoonte. Het verlangen naar bijzondere belevenissen en de ervaring van de macht van God is zeker begrijpelijk. Maar we hebben niet iets nodig, wat onze oren kietelt, maar de gezonde leer van het Woord van God en nuchterheid in alles (2 Tim. 4:3-5).

NOTEN:
1. A.l. ‘om verbrand te worden’.
2. De jure, in klassiek Latijn gespeld als de iure, is een uitdrukking die “volgens het recht” betekent.

3. De facto is Latijn voor “in feite” of “in de praktijk”.

Gerrid Setzer, © www.bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol