4 weken geleden

Het Pascha (3a) – Bijlage

Het Pascha in de woestijn

 

Er was een jaar verstreken sinds die vreselijke nacht toen de engel van het oordeel door Egypte was getrokken en alle eerstgeborenen had gedood. De Israëlieten, beschermd door het bloed van het Lam, hadden het land met haast verlaten en de genade en macht van de Heer ervaren. In de woestijn werden ze  nu aan deze nacht van bevrijding, het startpunt van hun reis, herinnerd. De Heer Zelf gebood het volk (Num. 9:2,3) het Pascha te houden: “op zijn vastgestelde tijd. Op de veertiende dag in deze maand, tegen het vallen van de avond, moet u het houden, op zijn vastgestelde tijd; u moet het houden volgens alle bijbehorende verordeningen en bepalingen”. Niets werd aan het goeddunken van het individu overgelaten. Men heeft niet geprobeerd de dingen te “vereenvoudigen”, omdat men zich in de woestijn bevond.

Het Pascha wordt in Numeri 9 het “offergave van de HEERE” genoemd (vs. 7 en 13). Het werd gebruikt in Egypte; in de woestijn moest het een herdenkingsdienst worden die de mensen verplichtte iets aan God te offeren. Het feest werd vooral voor Hem gevierd. De beproevingen van de woestijn deden niets af aan de vreugde van het voorrecht om zich daaraan te herinneren. Mozes had daarom tegen de farao gezegd: “Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij dienen kunnen … Wij zullen met onze jongeren en ouderen gaan. Met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen zullen wij gaan, want wij hebben een feest voor de HEERE” (Ex. 10:3,9). Voor het eerst stonden ze op het punt, het te vervullen. Eeuwen later, onder Ezra (6:19-22), wordt dezelfde zorg besteed aan het naleven van de voorschriften van de Heer om zichzelf te reinigen, om zichzelf van de onreinheid van de volkeren af te zonderen om de Heer te zoeken. Is het verbazingwekkend dat vreugde harten vult “want de Heer had hen verblijd”?

Het Pascha was het voorbeeld van een toekomstig werk, het offer van het Lam van God. Voor ons komt dit overeen met het avondmaal, de herinnering aan een volbracht werk. Hoewel het geen kwestie is van gehoorzaamheid aan een gebod, maar veeleer om het antwoord van het hart op de laatste wens van de Heer, die het liefheeft, blijft het niet minder waar, dat de viering van het avondmaal niet aan onze eigen wil is (hoe ik denk … het lijkt mij … ik neem aan dat …) overgelaten. We zijn geroepen om in dit opzicht de leringen van het Nieuwe Testament te volgen.

In verband met onze verantwoordelijkheid benadrukt de woestijn twee punten: de praktische reinheid om deel te nemen aan het Pascha, voor ons het avondmaal (Num. 9:6-12) en het nalaten (Num. 9:13).

De praktische reinheid

 

In de eerste maand, op de 14e dag van de maand, waren er mannen die door een lijk onrein waren en die het Pascha niet konden houden. Ze verborgen hun onreinheid niet, door tegen zichzelf te zeggen: dit is de woestijn, laten we toch maar deelnemen. Ze waren niet onverschillig voor hun fout, maar wilden met een oprecht hart het gedachtenis-feest bijwonen. Wat moeten wij doen? Zij belijden hun toestand aan Mozes zonder iets te verbergen (vs. 7) en maken hem deelgenoot van hun zelfbeproeving. Mozes gaat er niet prat op, dat hij alles weet; hij schaamt zich niet om zijn onwetendheid toe te geven en de Heer te raadplegen. Het antwoord van genade is duidelijk: “Iedereen onder u of onder de generaties na u, wanneer hij onrein is vanwege het aanraken van een dood lichaam of ver onderweg is, moet toch voor de HEERE het Pascha houden” (vs. 10). Zo iemand zou de ‘oefeningen’ in hoofdstuk 19 moeten doorlopen: de reiniging door het water, dat de as bevatte. In de tweede maand, op de 14e dag van de maand, zou hij dan het Pascha kunnen vieren en niet alleen half, maar volledig, met de ongezuurde en de bittere kruiden, volgens al zijn verordeningen.

Dit onderwijs stemt voor ons overeen met 1 Korinthe 11 vers 28 over het avondmaal. Als we gefaald hebben, is het geen kwestie van ons onthouden, maar van het erkennen van onze fouten, het Hem belijden en in de zekerheid van de genade, die op grond van het offer van Christus daarop antwoord, aan brood en de beker deel te nemen (“… en zo eten”). Laten we oppassen, dat misstappen die we niet beleden hebben, die de gemeenschap verstoren en alle vreugde en christelijke groei verstikken, zich niet ophopen. Bij deze innerlijke oefening zal men vooral het lijden van Christus voor de zonde, dat men zojuist heeft beleden, in gedachten en hart hebben. Op deze wijze onthoudt men zich niet van het avondmaal, maar neemt men er met een dieper gevoel van genade daaraan deel.

De apostel waarschuwt de Korinthiërs, dat ze zich schuldig maakten als ze “op een onwaardige wijze” aan het avondmaal van de Heer deelnemen (1 Kor. 11:27). Wat betekent dat? Het lijken twee dingen. Het 29e vers voltooit het 27e door te zeggen: “Want wie eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, als hij niet het lichaam <van de> Heer onderscheidt.” Als we van het avondmaal nemen zonder werkelijk de woorden van de Heer te verwerkelijken: “Dit is Mijn lichaam … dit is Mijn bloed”, als we eraan deelnemen als een kerkelijk gebruik, uit gewoonte, oppervlakkig gezien, zijn we onderworpen aan het oordeel van de Heer. Daarentegen begint vers 28 met “Maar laat men.” Doordat men zichzelf beproeft, komt men zijn fouten en hun oorzaken te zien. Dit zal ons leiden tot een dieper besef van Gods genade. Men zal ook niet deelnemen “omdat men zich waardig voelt,” maar omdat Hij er alles aan gedaan heeft om ons te reinigen en ons in Zijn tegenwoordigheid te voeren.

Het nalaten

 

“Maar de man die rein is en niet onderweg is … die persoon moet zijn zonde dragen” (Num. 9:13).

Elk kind van God wordt geroepen om deel te nemen aan het avondmaal, als er voor zijn ‘wandel’ of in het ‘verwijderd zijn’ (“onderweg”) van God geen echte belemmering is. Het is belangrijk om te begrijpen, wat men doet (“Ik spreek als tot verstandigen” – 1 Kor. 10:15); men zal aan het avondmaal geen jonge kinderen laten deelnemen. In de andere gevallen benadrukt de Schrift de ernst voor een kind van God, dat onverschillig blijft tegenover de maaltijd ter gedachtenis, ons Pascha of de maaltijd van de Heer. Heeft Hij, die ons vraagt: “Doet dit tot Mijn gedachtenis” geen recht op onze genegenheid? Men respecteert de hartenwens van een stervende, hoeveel te meer het laatste wens van de Heer! Waarom neemt men geen deel? Misschien uit onverschilligheid; uit angst niet rein genoeg te zijn (alleen het werk van Christus brengt dit tot stand); uit vrees Hem in onze wandel te onteren (genade is er voor elke zonde die voor Hem wordt erkend en beleden). Door deel te nemen aan het avondmaal getuigt men van de nederlaag van Satan, verkondigt men de dood van de Heer, verbindt men het kruis met de op handen zijnde wederkomst van de Heer. De vijand kan zoiets niet verdragen en plaatst alle denkbare obstakels in de weg van gelovigen om te voorkomen dat ze hun Verlosser “gedenken.”

Het is dus zeer ernstig om zich van de maaltijd ter gedachtenis van de Heer te onthouden door onverschilligheid of onnadenkendheid, onder het voorwendsel, dat anderen niet wandelden zoals ze zouden moeten, of zelfs uit angst zichzelf bloot te stellen aan de tucht van de gemeente. Ondertussen kent God de omstandigheden van ieder van de Zijnen. Hij beoordeelt naar Zijn maatstaf en in volkomen genade en barmhartigheid alles, wat het hart en de geest belasten kan. Alles vereist oefening voor en vertrouwen in Hem. Niets mag lichtvaardig worden gedaan en zeker niet het deelnemen aan het avondmaal van de Heer. Maar door de eeuwen heen weerklinkt de stem nog steeds, die in de nacht waarin Hij werd overgeleverd zei: “Neemt, eet, … Drinkt allen daaruit” (Matth. 26:26-27). Ook “de vreemdeling” (Num. 9:14), die wilde naderen, kon dat doen. In een andere passage zien we, dat hij vooraf besneden moest worden (Ex. 12:48), dat wil zeggen het teken van afzondering voor God aannemen moest; door het Pascha te vieren, erkende hij wie de Heer was. Niets van de goddelijke voorschriften werd weggelaten: er was slechts één verordening “voor zowel de vreemdeling als de ingezetene van het land.” De hulpbronnen van genade zijn onuitputtelijk, maar nooit zouden ze de gedachten van God, geopenbaard in Zijn Woord, afzwakken. Zijn armen gingen echter open om ieder te ontvangen, die wil komen, zelfs onder een volk, dat zo afgesloten en zo weinig geneigd was om de vreemdelingen op te nemen.

Onder Hizkia hadden “velen uit Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon”, die de uitnodiging om aan het Pascha deel te nemen, “zich niet gereinigd” (2 Kron. 30:18). Een ziekte was het gevolg, want God blijft heilig. “Hizkia bad echter voor hen … en de HEERE verhoorde Hizkia en genas het volk.” De voorspraak van Christus komt onze onwetendheid, onze zwakheden, onze fouten tegemoet.

© www.bibelkurs.com

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW