3 maanden geleden

Het Pascha (2a) – Bijlage

Gedachten over Exodus 12 en Hebreeën 11 vers 28

 

De brief aan de Hebreeën wijst erop, dat Mozes het Pascha door geloof vierde. Er was eens het geloof van de ouders voor nodig om het kind te verbergen en het vervolgens aan de rivier bloot te stellen. Maar toen hij veertig was, manifesteerde het persoonlijke geloof van Mozes zich door de keuzes die hij maakte en ontwikkelde het zich toen om standvastig te volharden zonder angst voor de woede van de koning.

Dus waarom was er nu geloof nodig om het Pascha te vieren? Toen zag de farao er niets van, en het was geen kwestie van geloof tegenover een tegenstander, of van geloof in moeilijke omstandigheden; maar het was toch hetzelfde geloof. Het ging er niet om de vijand onder ogen te zien, maar om God in het oordeel te ontmoeten. Tijdens de afgelopen negen plagen bleef het volk Israël toeschouwer, en het was veilig voor hen in het land Gosen. Maar nu moest het handelen volgens het Woord van de Heer door Mozes, gelovend in wat God gezegd had.

Het volk was net zo, of in nog grotere mate, schuldig als de Egyptenaren, omdat hun verantwoordelijkheid groter was. Hoewel het de Heer enigszins kende, had het zichzelf overgegeven aan afgoderij en grotendeels zijn God verlaten, zoals elders wordt verteld (bijv. Joz. 24:14). Wanneer nu de engel vervolgens door het land ging als een vernietiger om elke eerstgeborene te doden, hoe moest hij dan de Israëlieten sparen? De gerechtigheid van God kent aanzien van de persoon.

Alleen het bloed van een slachtoffer zonder gebreken, het voorbeeld van Iemand anders die later zou komen, kon de mensen in veiligheid brengen voor het oordeel. De Heer openbaart dit aan Mozes en Aäron (Ex. 12:1-20), die op hun beurt de oudsten van Israël daarover informeren. Het geloof van Mozes is aanstekelijk: “… toen knielde het volk en boog zich neer” (vs.27-28).

Het offer van Abel sprak over de noodzaak van het bloed van de verzoening om tot God te naderen. In Genesis 22 daarentegen wordt de plaatsvervanging voorgesteld: Abraham offerde de ram in plaats van zijn zoon als brandoffer. In Leviticus wordt door handoplegging de eenmaking van de offeraar met het offer tot uitdrukking gebracht: bij het offer voor de zonde gaan de overtredingen van de schuldige partij over op het zondoffer, terwijl bij het brandoffer de verdiensten van het offer de aanbidder toegerekend worden. In het Pascha wordt vooral de persoonlijke toe-eigening van het offer benadrukt. Vervolgens “moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin” (Ex. 12:3). Mozes offerde niet een enkel lam voor het hele volk, maar elke familie moest een offerdier slachten.

Zo is het ook in het evangelie. Jezus is de “verzoening voor onze zonden; en niet voor onze [zonden] alleen, maar ook voor de hele wereld” (1 Joh. 2:2): de waarde van Zijn offer voor God geeft Hem de mogelijkheid Zijn vergeving strekt zich naar de hele wereld uit. Maar andere passages laten net zo duidelijk zien, dat, wanneer ook de waarde van Christus’ offer voldoende is voor de hele wereld, alleen diegenen die het in geloof aannemen, van de resultaten van dit werk kunnen genieten. Romeinen 3 vers 21 stelt, dat de gerechtigheid van God is geopenbaard tot allen en over allen die geloven; de mens wordt gerechtvaardigd “door het geloof in Zijn bloed.” Johannes 3 vers 16 zegt, dat God de wereld zo liefhad dat een ieder die in Hem gelooft het eeuwige leven zou hebben. Volgens Johannes 1 vers 12 krijgt ieder die Hem aanneemt het recht om een ​​kind van God te worden. “… als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, u behouden zult worden” (Rom. 10:9). Alle passages spreken dus van persoonlijke aanname en individuele belijdenis van de dood en opstanding van de Heer Jezus.

Het bloed werd aan de twee deurposten en aan de bovendorpel van de deur buiten het huis gestreken worden. De familie die erin bijeen was, at het paaslam met ongezuurd brood en bittere kruiden. Zij was het niet die het bloed zag, en het was niet zij die de waarde ervan moest inschatten. De Heer heeft uitdrukkelijk verklaard: “Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweeg brengt …” (Ex. 12:13). De berouwvolle zondaar die tot de Heer Jezus komt, kan de waarde van Zijn bloed niet inschatten; God alleen doet het; op grond van dit bloed vergeeft en neemt Hij de gelovige aan. De ziel steunt op het Woord van God als de waarheid en baseert haar zekerheid op zijn uitspraken. Ze kan het niet uitleggen, maar ze weet, dat “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, ons reinigt van alle zonde” (1 Joh. 1:7).

De nacht van het Pascha

De maanden in Israël werden berekend op basis van de maan en begonnen met elke nieuwe maan. Het Pascha was op de veertiende dag van de maand; en zo kwamen de kinderen van Israël bij volle maan uit Egypte. ’s Avonds aten ze het paaslam, hun lendenen omgord en klaar om te gaan. “En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof … Toen stond de Farao ’s nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren. En er was een luid geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waarin geen dode was” (Ex. 12: 29-30). Men kan zich de verwarring van de Egyptenaren voorstellen; iedereen haastte zich zijn woning uit om het trieste nieuws aan zijn buurman over te brengen, en hetzelfde slechte nieuws van hem te horen. De Egyptenaren, de farao vooraan, verdreven Israël uit het land. Op aanwijzing van de Heer aan Mozes beroofde het volk de Egyptenaren van hun zilveren en gouden voorwerpen – een welverdiende beloning voor al hun jarenlange slavenarbeid.

Gedurende de nacht zetten hele rijen van het volk uit de verschillende delen van het land Gosen zich in beweging ingedeeld “naar hun legereenheden”, om zich te verzamelen bij Rameses en Sukkoth. 600.000 mannen te voet met hun gezinnen en een grote groep van mensen van allerlei herkomst die met hen uittrokken, vertegenwoordigden een volk van twee tot drie miljoen zielen, zonder het vee te noemen, dat hen vergezelde. Wat een moment voor Mozes! Toen hij veertig jaar was, wenste hij dat zijn broeders “door zijn hand konden worden gered”. Na alle druk van de opeenvolgende plagen en het drama van die gedenkwaardige nacht, begon nu een heel ander leven. De Heer had Zijn macht ontvouwd, had Zijn belofte vervuld, en nu steeg ongetwijfeld een diepe dankbaarheid tot Hem op in de ziel van Zijn dienaar. Maar wat een verantwoordelijkheid lag er op hem met het oog op de komende problemen: om een ​​groot volk door een woestijn, die hij uit ervaring kende, naar het beloofde land te leiden! De immense taak die Hem door God was toevertrouwd, was nog maar net begonnen.

© www.bibelkurs.com

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW