6 maanden geleden

Het Johannes-evangelie (10d)

Vervolg bijbelgedeelte: Johannes 3 vers 11-21

 

“Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden” (vs. 17).

Dit vers toont ons het karakter van de openbaring van God in de Zoon: Hij wil redden en niet oordelen. Wanneer we dit zien tegen de achtergrond van 4000 jaar geschiedenis van de mensheid, waarin God alle wegen met de mens had geprobeerd in de verschillende bedelingen en de mens zich daar op alle denkbare manieren tegen had verzet, dan zou er naar onze maatstaven nu maar één mogelijkheid zijn geweest: dat Hij Zijn Zoon zou zenden om de wereld te oordelen. Tegen deze achtergrond schijnt deze zin des te helderder, dat de wereld niet geoordeeld maar door de Zoon gered moest worden. Het doel van God toen Hij Zijn Zoon naar de wereld zond, was niet om de mens te veroordelen, maar de liefde van God wilde de mens redden. De Zoon werd niet gezonden als rechter, maar als Redder voor een ieder die dit aanbod van Gods liefde en genade aanneemt. De Heer Jezus zegt dit ook van Zichzelf in Johannes 12 vers 47. God was in Christus verzoenend in de wereld (2 Kor 5:19). De zending van de Zoon in dit vers is weer niet beperkt tot één volk, maar is gericht op de hele wereld, alle mensen van deze wereld. Zo groot is de liefde van God.

In tegenstelling tot vers 16 wordt hier niet benadrukt, dat God Zijn Zoon heeft gegeven, maar hier wordt gezegd dat Hij Hem heeft gezonden. Beide zijn natuurlijk waar en spreken elkaar helemaal niet tegen. Het is ook waar, dat de Heer Jezus Zelf gekomen is, wat Zijn vrijwilligheid laat zien. En zelfs als deze kant van Zijn vrijwillige komst voor ons staat, getuigt de Heer Jezus Zelf vaak dat Hij daarbij nooit Zijn eigen wil deed, maar de wil van Hem die Hem gezonden heeft (Joh. 6:38). Zijn wil was volledig één met de wil van de Vader. Als mens was Hij – hoewel de geopenbaarde Zoon van God – volledig onderworpen aan de wil van de Vader.

Maar hier ligt een andere kant voor ons die net zo waar is, namelijk dat God Zijn Zoon zond. Aan een zending is een heel bepaald doel verbonden. Hier staat de zijde voor ons, dat God Hem in de wereld heeft gezonden, niet om de wereld te oordelen. De Heer Jezus is Rechter en Hij zal ook eenmaal de wereld oordelen, maar toen Hij indertijd door God werd gezonden, was dat niet om de wereld te oordelen, “maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.” God zond Hem als Redder van de wereld (1 Joh. 4:14). God heeft in de zending van Zijn Zoon Zijn genade geopenbaard en dit stelt de mens voor een keuze. Gods doel is altijd geweest om de mens te redden (Titus 3:4; 1 Tim. 1:15,16), maar Hij vraagt een beslissing van de mens. Daarom kan het gevolg oordeel zijn voor degene die dit aanbod van genade niet aanneemt. Het aanbod van God geldt onbeperkt voor de hele wereld; maar als uiteindelijk niet iedereen gered wordt, ligt dat niet aan God, maar aan degene die het aanbod niet wil aannemen.

Dit vers moet niet verkeerd worden uitgelegd in de zin, dat alle mensen gered zullen worden. Er wordt hier een bedoeling uitgedrukt. Het was het prachtige doel van Gods genade toen Hij Zijn Zoon zond om de wereld te redden, maar dit betekent niet, dat alle mensen gered zullen worden. God is een Heiland-God, Die wil dat alle mensen gered worden (1 Tim. 2:4), en het werk van de Heer Jezus is groot genoeg, dat alle mensen ook gered zouden kunnen worden, maar niet iedereen maakt gebruik van dit aanbod van de liefde van God.

God zal Zijn Zoon nogmaals zenden om het 1000-jarig koninkrijk te vestigen (Hand. 3:20), Hij zal opnieuw de eerstgeborene in de wereld brengen (Hebr. 1:6). Maar bij de Opname van Zijn gemeente lezen we niet, dat God de Zoon zal zenden, daar komt de Zoon Zelf (Joh. 14:3; 1 Thess. 4:16).

“Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld; <maar> wie niet gelooft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God” (vs. 18).

In dit vers gaat het om de verantwoordelijkheid van de mens, hoe hij reageert op deze openbaring van God in de Zoon, wat hij er persoonlijk mee doet. Twee keer wordt er in dit vers gezegd, dat er in Hem geloofd moet worden. Dit is het bewijs, dat het een Goddelijk Persoon is in wie geloofd wordt. Er is een verschil tussen iemand te geloven en in iemand te geloven. In het eerste geval gelooft men de woorden van een persoon, houdt men het voor waar wat die persoon zegt; in het tweede geval heeft men die persoon zelf als voorwerp van geloof (verg. Joh. 14:11,12) – en dit kan alleen gezegd worden van Goddelijke Personen.

Als er gezegd wordt om in de naam te geloven, betekent dat altijd de volledige openbaring, de hele glorie en volheid van de persoon die bedoeld wordt. De naam laat zien wie iemand is. Hier gaat het dus om de hele volheid en heerlijkheid van de Persoon van de eniggeboren Zoon van God. Alleen Johannes gebruikt deze titel van de Heer Jezus en slechts vijf keer in zijn geschriften (Joh. 1:14,18; 3:16,18; 1 Joh. 4:9). Hier in vers 18 gebruikt hij de volledige titel als de eniggeboren Zoon van God. In deze eniggeborene is God volmaakt geopenbaard, er kan geen grotere openbaring van God zijn! Wie deze grootste openbaring van God afwijst, die kan alleen maar veroordeeld worden. De toetssteen is deze unieke Persoon – alles wordt door Hem beslist. Weten we eigenlijk wel in Wie we geloofd hebben? Zouden we meer en meer betrokken willen zijn bij de Persoon die God ons hier voorstelt! God wil, dat we gaan begrijpen wie onze Redder geworden is.

Er staat niet: “wie in Hem gelooft zal niet veroordeeld worden,” maar: “wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld.” Dit gaat verder. Wie in de Heer Jezus gelooft, wordt niet eens het onderwerp van een oordeel, waar hij dan niet veroordeeld maar vrijgesproken zou worden, maar hij komt niet eens in zo’n oordeel.

Ook al was Gods eerste doel bij het zenden van Zijn Zoon om te redden en niet om te oordelen, de Heer Jezus is wel degelijk Rechter, en een ieder die Hem niet in geloof aanvaardt, zal op een dag onder Zijn oordeel komen. Het is opvallend hoe dat hier wordt uitgedrukt. Men zou eigenlijk verwachten, dat de zin als tegenstelling tot de eerste zin zou luiden: “maar wie niet gelooft, is al geoordeeld.” Maar het betekent, dat zo iemand al geoordeeld is. Het oordeel is al geveld. Wie het spreken van God in de Zoon niet aanneemt, ligt onder dit oordeel van God.

We zien een andere invalshoek van het oordeel in Johannes 5:24 waar wordt gezegd dat wie hoort en gelooft eeuwig leven heeft en niet in het oordeel komt, hij is uit de dood overgegaan in het leven. In deze passage wordt het oordeel nog steeds als toekomstig gezien. De uitoefening van het oordeel is een straf op de zonde. In zo’n oordeel komt niemand die in de Heer Jezus heeft geloofd. Hier in vers 18 hebben we de invalshoek, dat het oordeel van God over zo iemand al is uitgesproken, maar nog niet is uitgevoerd. We moeten deze verschillende invalshoeken bekijken, of het nu gaat om het oordeel van God of om de uitvoering van het oordeel als straf.

Maar dit betekent niet, dat er een voorbestemming tot verdoemenis is bij God. De reden voor dit oordeel wordt er meteen aan toegevoegd: hij geloofde niet. Dit gaat duidelijk over de verantwoordelijkheid van de mens en helemaal niet over de kwestie van Gods soevereine uitverkiezing. Als een verantwoordelijk persoon niet gelooft omdat hij niet geloven wil, is hij al geoordeeld, omdat dit zijn toestand openbaart. Wie niet gelooft, bewijst zijn toestand als zondaar en staat als zodanig onder het oordeel van God. Niemand gaat verloren omdat hij niet is uitverkoren, maar omdat hij de Zoon van God heeft afgewezen (Joh. 12:48)! Wie de Heiland afwijst, is heel dicht bij het oordeel.

Dit vers laat ook zien, dat je niet op de dag van het oordeel hoeft te wachten om te weten of je naar de hemel of naar de hel gaat. Veel mensen leven met de hoop, dat de goede werken die ze in hun ogen hebben gedaan op de een of andere manier genoeg zullen zijn om in de hemel te komen. Maar hier op aarde is het in het leven van ieder mens al duidelijk welk doel hij zal bereiken. De beslissende factor is niet de verrekening van goede en slechte daden, de enige beslissende factor is het geloof in de Heer Jezus.

Licht en duisternis

“En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen en de mensen hebben de duisternis meer lief gehad dan het licht, want hun werken waren boos. Want ieder die kwade dingen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden” (vs. 19+20).

Het gaat hier niet om de uitoefening van het oordeel zelf, maar om de reden waarom het oordeel op een dag zal plaatsvinden. Het licht dat in de wereld gekomen is (Joh 1:4,9) is het beslissende punt voor het oordeel van de mens. De hele morele toestand van de mens wordt geopenbaard in het feit, dat hij niets met het licht te maken wil hebben. Niemand zal kunnen zeggen, dat hij er niet van wist, want dit licht is volledig zichtbaar geworden voor ieder mens en stelt ieder mens op de proef. In die zin is de Heer Jezus in deze wereld gekomen om te oordelen (Joh. 9:39); wie zich tegen Hem keert, blijft onder het oordeel. God liet het licht door Zijn Zoon in de wereld schijnen en mensen hebben deze openbaring afgewezen – daarom staan ze nu onder dit oordeel en zullen ze er op een dag door geoordeeld worden.

Het licht is in de wereld gekomen en dit licht heeft alles duidelijk aan het licht gebracht: wie God is, dat Hij een God van liefde is en mensen redden wil; het heeft ook laten zien dat deze redding noodzakelijk is, omdat het heeft laten zien wat de mens is, namelijk een zondaar; het heeft ook laten zien dat er een Heiland is, de Zoon van God, die Zichzelf heeft gegeven. En dit licht schijnt al sinds de komst van de Heer in de wereld – en het trieste is, dat mensen dit licht niet willen. Hoewel het een licht is, dat mensen tot God wil brengen, dat de liefde van God laat zien, willen ze het niet. Waarom niet? Omdat hun werken boos zijn. De mens wil niet naar het licht komen, hij wil niet in dat licht geplaatst worden, omdat hij boze werken heeft gedaan. Hij wil in de duisternis blijven – hoe triest!

Het is 2000 jaar geleden, dat de Heiland als het Licht in de wereld kwam, en sinds die tijd wordt het Licht voortdurend veracht. Dit is niet alleen beperkt tot de tijd, dat de Heer hier op aarde was; ook vandaag nog, in de verwerping van het getuigenis van het evangelie, wordt het Licht veracht. Vandaag de dag is de Heer Jezus hier niet aanwezig als het Licht zoals toen, maar het evangelie schijnt vandaag de dag nog steeds. Er zijn 2000 jaar [1] voorbij gegaan, maar de mensen haten nog steeds het licht. Ze haten het licht van het evangelie en daarmee de Persoon waarover het spreekt.

We zien in dit vers ook, dat het oordeel niet alleen verwijst naar de verwerping van het Licht, maar dat de werken van de mensen er ook bij betrokken worden. Deze werken zijn boos, ze komen voort uit een natuur waaruit niets goeds kan voortkomen. Ze kunnen fatsoenlijk en heilzaam en sociaal zijn in de ogen van mensen, maar ze zijn boos in de ogen van God. Ze bevestigen, dat mensen die niet tot het Licht willen komen, zondaars zijn en zondige werken doen en zich niet willen bekeren.

De mens is van nature niet alleen in de duisternis, hij is ook de duisternis zelf; dit wordt ook van ons in onze vroegere toestand gezegd (Ef. 5:8). Wanneer een mens de stap naar het Licht heeft gezet, tot het Licht is gekomen, dan is hij in het licht en is hij zelf ook licht geworden. En als we eenmaal in het licht zijn gekomen, kunnen we nooit meer terugvallen in de toestand van voor onze bekering en in de duisternis wandelen. Deze verandering van positie kan nooit meer ongedaan gemaakt worden. We zijn niet meer in de duisternis en niet meer van de duisternis (1 Thess. 5:4,5). Het is een andere zaak of we altijd in overeenstemming met het licht wandelen. Laten we ons er altijd van bewust zijn, dat een gelovige die zondigt, zondigt te midden van het licht – en dat is wat de zonde van een gelovige zo’n ernstig karakter geeft.

We hebben ons al eraan herinnerd, dat God licht is (1 Joh. 1:5), licht is de essentie van God. Daarentegen is duisternis het teken van de duivel. In de fysieke betekenis betekent duisternis de afwezigheid van licht, maar als het gaat om de morele betekenis, betekent duisternis de aanwezigheid van het kwaad, bewuste en opzettelijke afscheiding en afstand van God. De morele duisternis van deze wereld zonder kennis van God staat onder de heerschappij van de duivel (Ef. 6:12) die mensen in deze toestand houden wil. Om ons te bevrijden van deze macht van de duisternis (Kol. 1:13) moest onze Heer Zichzelf overgeven aan deze macht van de duisternis (Luk. 22:53).

“Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden dat zij in God zijn gewerkt” (vs. 21).

Het feit, dat het licht schijnt, heeft een dubbel gevolg: voor hen die kwaad doen, betekent het moeilijkheden, ze vluchten voor het licht; ze weten heel goed dat het licht hun toestand op een morele manier openbaart, daarom haten ze het licht. Maar er zijn er ook die de waarheid doen, en zij komen naar het licht. Zij schuwen het licht niet, zij komen met vreugde naar het licht. Het maakt duidelijk, dat hun werken niet van mensen zijn, maar in God gewerkt zijn. Zullen we niet naar huis gaan van deze overdenking met een diep verlangen om de waarheid te doen, opdat Zijn licht nog door ons geopenbaard wordt?

 

NOOT:
1. Ruim 2000 jaar anno 2023

 

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 14.06.2018. [Samenvatting van Bijbelconferentie]

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW