8 maanden geleden

Het Johannes-evangelie (09b)

Vervolg bijbelgedeelte: Johannes 2 vers 23 tot 3 vers 10

 

“Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw1 geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien” (vs. 3).

De Heer Jezus reageert op de erkenning van Nicodémus met geen enkel woord. Schijnbaar zonder enig verband spreekt Hij rechtstreeks over de noodzaak van de nieuwe geboorte. Wat heeft Zijn antwoord te maken met de opmerking van Nicodémus? Het onderwijs van de Heer Jezus is nooit gericht aan de natuurlijke mens met zijn vragen en overwegingen. Hij erkende, dat uit Nicodémus de Joodse verwachting sprak, dat Hij als de Messias voor Israël was gekomen om het koninkrijk voor hen op te richten. En nu vertelt Hij hem, dat het Middelpunt van dit Koninkrijk recht voor hem stond (Luk. 17:21; Matth. 12:28), en dat Nicodémus Hem niet herkende.

Het koninkrijk van God

Wat betekent het Koninkrijk van God eigenlijk? Het Koninkrijk van God is het rijk waar God de leiding heeft, waar alles uitsluitend volgens Zijn gedachten gebeurt. We kunnen het koninkrijk van God onderscheiden met betrekking tot verschillende terreinen:

  • Toen de Heer Jezus hier op aarde was, was het Koninkrijk van God verbonden met de Persoon van de Heer Jezus (Luk. 17:21). Door hier op aarde onder de mensen te zijn, was het Koninkrijk van God aanwezig, het Koninkrijk van God bestond moreel in de Persoon van de Heer Jezus op aarde;
  • het koninkrijk van God wordt ook getoond als een rijk, dat hier op aarde zou worden gevestigd onder Zijn leiding en dat Joodse wortels heeft; het is het koninkrijk van God waarover de Heer Jezus hier spreekt tot Nicodémus, het koninkrijk hier op aarde; als de Joden de Heer Jezus hadden aangenomen, had het koninkrijk toen kunnen beginnen;
  • dan hebben we het koninkrijk van God ook in opstanding (Hand. 1:3), in zijn relatie tot het christendom, in christelijk karakter; in deze vorm verkondigde Paulus het in Miléte voor de oudsten van Efeze (Hand. 20:25); in dit opzicht heeft het vandaag een innerlijke of morele uitdrukking, die ook door ons gelovigen moet worden gerealiseerd (verg. Rom. 14:17);
  • dan toont het Woord van God ons nog het Koninkrijk van God in heerlijkheid, zoals dat eenmaal in de toekomst zal bestaan (bijv. 2 Thess. 1:5), wanneer de Heer Jezus in het 1000-jarige Koninkrijk als Koning van gerechtigheid en vrede zal regeren en alle volken in Zijn zegeningen zal laten delen.

De Heer Jezus komt hier meteen te spreken over een onafwijsbare voorwaarde, die geldt voor ieder mens in elk heilstijdperk die dit koninkrijk wil zien of binnengaan: het is de nieuwe geboorte of geboorte van boven. In vers 5 legt Hij vervolgens de twee elementen uit die samenwerken in de nieuwe geboorte. Nicodémus had natuurlijk ook nog meer nodig, hij was een zondaar en had vergeving van zijn zonden nodig. Maar hier wordt ons eerst de kant van God in de nieuwe geboorte getoond; pas later in vers 16 wordt de kant van de mens toegevoegd, die moet geloven. We moeten onderscheid kunnen maken tussen de twee kanten en ze niet door elkaar halen. Deze lessen van de Heer zijn verbonden met een drievoudig “Voorwaar, voorwaar” (vs. 3,5,11), dat de fundamentele betekenis van de volgende uitspraken benadrukt.

Opnieuw geboren

Voor ieder mens is te allen tijde de nieuwe geboorte noodzakelijk om het koninkrijk van God binnen te gaan, ieder mens heeft een nieuwe natuur nodig, heeft leven van boven nodig, omdat hij geestelijk dood is. Ieder natuurlijk mens bevindt zich in een toestand waarmee God überhaupt niets kan doen; deze toestand kan niet verder ontwikkeld of op de een of andere manier veredeld worden. Men kan niet in contact komen met God zonder dat er een volledig nieuw leven is, dat in overeenstemming is met de natuur van God. Dit principe geldt niet alleen voor het koninkrijk van God in zijn ontvouwing wanneer de Heer Jezus zal verschijnen, het geldt voor alle tijden, zelfs voor de tijd van het koninkrijk van God in zijn verborgen mysterieuze vorm van de huidige tijd: zonder nieuwe geboorte is er geen relatie met God. Als de gelovigen in het Oude Testament geen nieuwe geboorte hadden ervaren, zouden ze ook geen toekomst met God hebben gehad. Zonder een nieuwe geboorte is men niet geschikt voor Zijn aanwezigheid, voor Zijn koninkrijk, vanuit welk gezichtspunt het op dit moment ook bestaat.

De kanttekening geeft aan deze uitdrukking ook de mogelijkheid van een vertaling van boven af geboren te zijn. Lukas gebruikt dezelfde Griekse uitdrukking als hij schrijft, dat hij alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht heeft (Luk. 1:3). Maar de hoofdgedachte van de woorden van de Heer hier in Johannes 3 vers 3 en 7 is, dat er een nieuwe geboorte nodig is; ieder mens moet op een nieuwe wijze geboren worden, er is iets heel nieuws nodig, er moet een nieuw begin gemaakt worden.

Wat een zegen om deze nieuwe geboorte te hebben ervaren! Wij gelovigen van de genadetijd zijn ook opnieuw geboren, maar we hebben veel meer, we bezitten het nieuwe Goddelijke leven in Christus, we zijn levend gemaakt met de opgestane Christus (Ef. 2:5; Kol. 3:3). De nieuwe geboorte hebben ook de gelovigen van het Oude Testament en die van het toekomstige 1000-jarige koninkrijk, maar zij hadden geen leven in Christus en zullen het ook niet bezitten in het 1000-jarige koninkrijk. De gelovigen van het Oude Testament hadden leven, maar zij hadden niet het overvloedige leven, het opstandingsleven, de volle bloei van het leven. Ook de discipelen bezaten het niet eerder, totdat de Heer Jezus het in hen blies als de Opgestane (Joh. 20:22).

Er waren mensen op deze aarde en er zullen weer mensen zijn die nieuw leven krijgen door bekering en geloof. Maar als het gaat om eeuwig leven, dan krijg je dat alleen als je gelooft in de Heer Jezus die aan het kruis van Golgotha is gestorven (Joh. 6:54) – en dat is beperkt tot de christelijke bedeling. Vanaf vers 14 komen we meer in detail te spreken over dit verheven onderwerp van eeuwig leven.

“Nicodémus zei tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij soms voor de  tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?” (vs. 4).

Nicodémus stelt in dit vers twee vragen waarmee hij, volgens zijn begrip, zijn overtuiging uitdrukt, dat een levend persoon onmogelijk nog eens geboren kan worden.

Zelfs als het mogelijk zou zijn voor een mens om voor de tweede keer uit zijn moeder geboren te worden, of zelfs honderden keren meer, zou niets het feit veranderen, zou zijn natuur altijd net zo verdorven blijven als die van haar eerdere vormen. Zelfs als door een wonder het onmogelijke mogelijk zou worden, zou het resultaat nog steeds hetzelfde zijn: vlees! Geen enkele reine kan uit een onreine voortkomen (Job 14:4)! Er moet een werk gebeuren buiten de mens om, van bovenaf, van God. De Heer Jezus is niet gekomen om slechte mensen goed te maken, maar om dode mensen levend te maken!

“Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan” (vs. 5).

Het proces van de nieuwe geboorte wordt hier weergegeven in twee delen of componenten: geboren uit water en geboren uit Geest. In Johannes 1 vers 13 wordt gezegd dat de gelovige uit God geboren wordt; daar zien we God als de diepe oorsprong van de nieuwe geboorte, het is een werk van God. Hier in ons vers wordt getoond, dat de Heilige Geest betrokken is bij alles wat God doet, van schepping tot de verlossing. Het is de Heilige Geest die leven maakt (Joh. 6 vers 63), doordat Hij het Woord van God gebruikt, want het Woord van God als zodanig is niet in staat om leven voort te brengen.

De Heer gebruikt deze woorden met symbolen die al bekend waren uit het Oude Testament, en die dus ook bekend waren bij Nicodémus als de leraar van Israël (vs. 10). Als we bijvoorbeeld naar Ezechiël 36 vers 25-27 gaan, vinden we daar drie dingen:

  1. “Ik zal rein water op u sprenkelen” – gelijk aan de geboorte uit water;
  2. “Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste” – gelijk aan geboorte uit de Geest;
  3. “Ik zal Mijn geest in uw binnenste geven.” (verg. Ezech. 39:29) – gelijk als een voorafgaande vervulling voor de christelijke bedeling, de doop met de Heilige Geest; het wonen van de Heilige Geest als Goddelijke Persoon in de gelovigen is een uitsluitend christelijke waarheid.

Vraag: Kan geboren worden uit water verbonden worden met het volledig gewassen zijn, gebaad, waarover de Heer Jezus spreekt in de voetwassing (Joh. 13:10)? Zijn wij afgewassen door geboren te worden uit water in de zin van 1 Korinthe 6 vers 11 of Hebreeën 10 vers 22?

Antwoord: Het water in deze passage is geen beeld van de Heilige Geest, zoals we eerder zagen in Johannes 7 vers 38, maar zoals zo vaak in de Schrift, een beeld van het Woord van God in zijn reinigende werking. De discipelen waren al rein door het Woord dat de Heer Jezus tot hen had gesproken (Joh. 15:3). Het Woord van God werkt als eerste in op het hart en het geweten (Hand. 15:9). Ook Petrus spreekt hierover in verband met de wedergeboorte, dat onze zielen gereinigd worden door de gehoorzaamheid aan de waarheid (1 Petr. 1:22,23), en Jakobus zegt dat wij door het Woord der waarheid voortgebracht of geboren zijn (Jak. 1:18). Dit zijn allemaal verschillende aspecten van dezelfde zaak: er zijn twee kanten aan de nieuwe geboorte (verg. dezelfde elementen in Tit. 3:5).

  1. De reiniging door het water van het Woord van God als de belangrijkste en eerste factor in de nieuwe geboorte; de afwassing is het allereerste in de nieuwe geboorte: het Woord van God werkt in op het geweten en toont de zondige toestand en de weg uit die toestand; maar het is niet uitsluitend dit, maar het gaat gepaard met
  2. een volledige vernieuwing door de Heilige Geest, de voltooiing van de nieuwe geboorte, dit gebeurt door de heiliging door de Geest, waarover Petrus op een zeer praktische manier spreekt in 1 Petrus 1 vers 2: de Heilige Geest scheidt ons van de wereld.

De reiniging is natuurlijk geen uiterlijke reiniging, maar de reiniging van het hart en het geweten; deze moet eerst plaatsvinden omdat wat door God wordt voortgebracht niet in een onrein vat komt. Eerst wordt het vat fundamenteel en eenmalig gereinigd door de wassing met water door het Woord – dit is niet de voortdurende regelmatige en herhaalde reiniging die Efeze 5 vers 26 voor ogen heeft. Een oudtestamentische illustratie van dit proces kan worden gezien in Naäman, die zich zeven keer in de Jordaan moest baden en daarna was zijn vlees als het vlees van een jonge jongen (2 Kon. 5:14).

We moeten de zijde van onze bekering tot God niet beperken tot het afwassen van zonden. Helaas is het in grote delen van het christendom niet bekend dat het oude door God opzij is gezet en dat er iets nieuws is geschapen. Door de nieuwe geboorte is er een nieuwe natuur ontstaan, die als enige in staat is om God te dienen. De reiniging alleen zou de verantwoordelijke mens laten, zoals hij is; maar door de nieuwe geboorte heeft deze mens nu ook een nieuwe natuur. Ieder mens die opnieuw geboren wordt heeft twee naturen: de oude natuur is onverbeterlijk en wil God nooit dienen, en de nieuwe natuur wil altijd en uitsluitend doen wat God welgevallig is. Dit is de fundamentele leer van het Nieuwe Testament over het christelijk geloof in de praktijk.

In veel delen van het christendom is de rechtvaardiging voor de waterdoop in een vervormde toepassing uit deze woorden van de Heer in vers 5 gehaald. Men denkt, dat als iemand door de doop met water opnieuw geboren wordt (verg. ook bijbelvertalingen van Tit. 3:5), men iemand niet snel genoeg kan dopen. Dit heeft geleid tot de praktijk van de kinderdoop in grote christelijke kerken. Maar men begreep helemaal niet, dat het bij de christelijke doop om een belijdenis van het gestorven-zijn gaat (Rom. 6:3+4), en dat de Heer hier van een nieuwe geboorte spreekt – twee totaal tegenovergestelde gedachten.

Een andere grote misvatting op christelijk gebied is, dat de nieuwe geboorte uit de Geest gelijk is aan het ontvangen van de Heilige Geest. Men maakt daarbij geen onderscheid tussen de werking van de Heilige Geest op een persoon om het nieuwe leven voort te brengen en de inwoning van de Heilige Geest in een gelovige. De Heilige Geest woont alleen als Persoon in een gelovige wanneer hij het hele evangelie van verlossing in geloof heeft aangenomen (Ef. 1:13).

“Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest” (vs. 6)

De Heer Jezus onderscheidt nu de twee naturen en laat zien, dat een verandering ten goede of ten kwade niet denkbaar is. Alles wat van het vlees is, is zondig. Dit is de oude natuur, en wat die voortbrengt is even waardeloos en slecht – het vlees kan zichzelf niet veredelen of verbeteren. Daarentegen is het gelukzalig dat alles wat uit de Geest is niet ontaarden of vervallen kan. Beide hebben hun absolute onveranderlijkheid!

In de Engelse vertaling van de Bijbel, bijvoorbeeld, door broeder Darby, is er een bijzonderheid in het tweede deel van het vers: de eerste keer is Geest met een hoofdletter geschreven en de tweede keer is het een kleine letter.2 We leren hieruit, dat er met de eerste uitdrukking niet hetzelfde bedoeld wordt als met de tweede uitdrukking. Geest met een hoofdletter is de Persoon van de Heilige Geest, Geest met kleine letters betekent het karakter van de zaak. Wat geboren wordt uit de Heilige Geest, is geestelijk van karakter.

Vlees in dit vers is dus de oude, onverbeterlijke, zondige natuur van de mens, wiens gezindheid vijandschap is tegen God (Rom. 8:7). We moeten echter ook andere Nieuwtestamentische betekenissen kunnen onderscheiden van deze betekenis van de uitdrukking vlees. Als van de Heer Jezus in Johannes 1 vers 14 wordt gezegd, dat het Woord vlees is geworden, dan wordt eenvoudigweg Zijn mens-zijn bedoeld (ook Rom. 9:5). In een andere betekenis wordt de uitdrukking vlees ook gebruikt voor de zwakheid en broosheid van de mens (bijv. 1 Petr. 1:24).

“Verwonder u niet dat Ik tot u gezegd heb: U3 moet opnieuw1 worden” (vs. 7).

Ongeacht alle bedelingen4 in de geschiedenis van de mensheid moet degene die het koninkrijk van God in de betreffende vorm wil binnengaan, opnieuw geboren worden. Hier lijkt de Heer nu in het bijzonder tegenover Nicodémus te benadrukken dat ook jullie, jullie mensen van het Jodendom, deze nieuwe geboorte nodig hebben. Zonder een nieuwe geboorte heeft men geen toekomst bij God.

We hebben hier het eerste van de drie ‘moeten’ in dit hoofdstuk (ook vs. 14 en 30). Het is een heilig moeten; de Zoon van God, Die alle dingen kent, zegt, dat alle mensen – of ze nu tot het volk van de Joden behoren of tot de volken – opnieuw geboren moeten worden. Dit is geen bevel of oproep aan de mens waaraan hij nu moet voldoen. De mens kan dit niet zelf tot stand brengen, maar het is eenvoudigweg de Goddelijke vaststelling, dat het voor ieder mens noodzakelijk is om opnieuw geboren te worden. Dit eerste ‘moet’ verwijst dus naar het werk van God ín ons, het tweede ‘moet’ in vers 14 verwijst dan naar het werk van God vóór ons.

“De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heengaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is” (vs. 8).

Bij de natuurlijke geboorte van een mens kan men het geboorteproces waarnemen en dan hoort men de schreeuw van het pasgeboren leven. Wanneer een mens opnieuw geboren wordt, kan men het geboorteproces niet waarnemen, maar men kan wel de uiting of werkzaamheid van het pasgeboren leven waarnemen.

We kunnen niet in detail uitleggen, hóe dit gebeurt in de nieuwe geboorte. De Heer Jezus beschrijft zeker deze gebeurtenis of de uitwerking ervan, maar hoe dit in detail plaatsvindt in de ziel en het hart en geweten van iemand, die van de duisternis naar het licht wordt gebracht, blijft uiteindelijk ondoorgrondelijk voor ons. Hierbij wordt opnieuw duidelijk, dat we onderscheid moeten maken tussen de nieuwe geboorte en de bekering, hoewel de twee zeer nauw met elkaar verbonden zijn. De bekering is een daad van de wil van de mens die zich bewust tot God wendt in berouw en belijdenis van zijn zonden. Maar deze daad is niet identiek aan de nieuwe geboorte, want dat is een werk van God. En toch kunnen we nog niet eens verklaren, waarom we ons überhaupt bekeerd hebben, want zelfs dat is niet wat we eigenlijk wilden, we waren op onze eigen weg weg van God. Niemand van ons wilde zich bekeren! Het feit, dat we het toch gedaan hebben, kan alleen te danken zijn aan de werkzaamheid van de Heilige Geest in ons. Dit Goddelijke werk gebeurt in ieder mens persoonlijk.

De Heilige Geest werkt zoals Hij wil, Hij werkt soeverein. De Heilige Geest is niet zomaar een besturing of een kracht, Hij is een Persoon van de Godheid en Hij werkt zoals Hij wil. Maar deze werkzaamheid van de Geest van God is onbegrijpelijk voor de mens. Ieder die uit de Geest geboren is, is voor de mens een raadsel. Daarom moeten we niet proberen dingen uit te leggen die onze eigen verklaring te boven gaan. De geheimenissen van God zijn ons niet gegeven om te begrijpen, maar om te geloven.

Wind en geest zijn hetzelfde woord in de Griekse taal. We zouden misschien denken, dat de conclusie van wat de Heer heeft gezegd over de natuurlijke wind, nu zou moeten zijn: het is hetzelfde met de Heilige Geest. Maar de Heer beschrijft niet de werking van de Heilige Geest, maar het resultaat van Zijn werking, want de werking zelf is een zekere verborgenheid. Geen mens kan uitleggen hoe het resultaat tot stand is gekomen, het is een wonderlijke werking van God in de ziel van een mens, die we niet kunnen doorgronden (Pred. 11:5).

“Nicodémus antwoordde en zei tot Hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren? Jezus antwoordde en zei tot hem: Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet?” (vs. 9+10).

Als we het hele gesprek tussen Nicodémus en de Heer tot vers 21 in een overzicht zien, valt op, dat het eerste deel van het gesprek een dialoog is, maar dat in het tweede deel vanaf vers 10 alleen de Heer Jezus spreekt. Nicodémus wordt voor de laatste keer genoemd in vers 9 met zijn vraag: “Hoe kunnen deze dingen gebeuren? In de volgende verzen spreekt de Heer Jezus Nicodémus eerst nog persoonlijk aan, maar vanaf vers 13 hebben Zijn woorden niet meer direct betrekking op Nicodémus, maar spreekt Hij dan heel principieel. Deze uiterlijke verdeling van het gesprek heeft echter ook een innerlijke verdeling in twee delen: In het eerste deel spreekt de Heer Jezus over de nieuwe geboorte als noodzaak om het Koninkrijk van God binnen te gaan; in het tweede deel spreekt Hij over het eeuwige leven. Dit onderscheid wordt in vers 12 aangegeven met de uitdrukkingen het aardse en het hemelse.

Deze vraag van Nicodémus toont oprechte interesse in de woorden van de Heer, en het is praktisch een bewijs van de waarheid van vers 3: de natuurlijke mens is niet in staat om Goddelijke dingen te begrijpen. Nicodémus had de Schriften van het Oude Testament bestudeerd en ook onderwezen – maar hij had ze niet begrepen.

We zagen in vers 5 dat er in Ezechiël 36 al op deze waarheid werd gezinspeeld; de Heer haakt in op iets bekends, waarop de Heilige Geest toen al had gezinspeeld, maar dat altijd al geldigheid had gehad, en wat de Heer nu hier tot volle ontplooiing brengt. Als we aan Hizkia denken, kunnen we op grond van Jesaja 38 vers 16 gerust zeggen, dat deze man nieuw leven had, hij wist dat zijn geest leefde. Hij wist het zonder dat het hem was geopenbaard, hij had het door geloof begrepen en voor zichzelf verwerkelijkt. Wie op God vertrouwt, God openbaart hem ook steeds meer en geeft verder inzicht!

Het volk van de Joden als zodanig daarentegen, ten tijde van Johannes de Doper en de Heer Jezus, weigerde het op zichzelf toe te passen en zich te bekeren. Het was hun objectief bekend en toch waren ze moedwillig in onwetendheid gebleven. Dit toont de blindheid van de mensen in het Joodse systeem. Komt zo’n houding niet vaak overeen met onze eigen houding ten opzichte van het Woord van God? We kennen de gedachten van God voor ons leven, we hebben het allemaal in onze Bijbels, maar of we het vervolgens toepassen in ons hart en geweten is vaak een heel andere zaak.

Nicodémus was de leraar van Israël; de nadruk in deze woorden van de Heer ligt niet op de leraar van Israël, alsof Nicodémus de leraar in Israël bij uitstek was, maar jij bent de leraar. De Heer vertelt hem, dat hij geen leerling is maar een leraar, dat hij dat eigenlijk had moeten weten. Maar Nicodémus had als leraar volledig gefaald.

 

NOOT:
1. Dit is op een heel nieuwe wijze en vanuit een heel nieuwe bron; in Luk. 1:3 vertaald (Telos-vertaling) met ‘van voren af aan.’ Het Griekse woord betekent ook ‘van boven’; in vers 31 is het zo vertaald.
2. Zo ook in de Nederlandse Telos-vertaling hier.
3. Meervoud.
4. Bedelingen zijn ‘tijdsperioden.’

 

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 12.06.2018. [Samenvatting van Bijbelconferentie]

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW